Toerisme Geen land ter wereld dat zoveel toeristen trekt als Frankrijk. Maar het decor behoeft enig onderhoud, ziet oud-correspondent Peter Vermaas.
Over café Les 2 Moulins aan de rue Lepic in Montmartre bestaat een veelzeggende anekdote, vaak verteld door een van de hoofdpersonen zelf. Om na zijn wereldwijde succes met Le fabuleux destin d’Amélie Poulain (2001) over een nieuw filmproject te praten, had regisseur Jean-Pierre Jeunet in de klassieke roodgekleurde bistro een afspraak met actrice Jodie Foster. Ze stonden nog even in de deuropening na te praten toen een groep toeristen ze met veel misbaar maande aan de kant te gaan. De toeristen wilden een foto van het café maken en de beroemde regisseur en de nog veel beroemdere actrice stonden domweg in de weg. Het decor, het café van Amélie Poulain, was de echte ster geworden.
Dat is een beetje het lot van Montmartre, en misschien ook wel dat van Parijs. Eigenlijk dat van heel Frankrijk.
Ook op deze zonnige zaterdagochtend in mei sjokken bezoekers in processie door de charmante straten van het meest toeristische quartier van de Franse hoofdstad. Ze zijn te laat voor het feestje dat op de voordeur van Les 2 Moulins nog staat aangekondigd: ‘Les 25 ans du fabuleux destin’. Er was, eind april, een avond om te vieren dat Jeunets Amélie, een van de meest succesvolle Franse films aller tijden, 25 jaar eerder in première ging. Er kwam een orkest dat de oorspronkelijke filmmuziek van Yann Tiersen speelde, er was speciale merchandise en een „berg aan crème brûlée”, het toetje waar Amélie zo graag het puntje van haar lepel induwde om dan te horen hoe het suikerlaagje krakend openbrak.
De bistro, zegt filmhistoricus en gids Juliette Dubois aan het eind van een onderhoudende Amélie-tour voor een groepje toeristen, bestaat nu vooral bij de gratie van de film en de nostalgische gevoelens die de film probeerde over te brengen. Er wordt een Amélie-menu geserveerd (uiensoep, boeuf bourguignon), aan de muren hangen originele filmposters en er is een altaartje vol filmcuriosa, zoals een tuinkabouter. De inrichting van het restaurant kan eigenlijk nooit meer op de schop. De film uit 2001 is Frans erfgoed geworden, en daarmee ook het decor.
Eerder deze ochtend liepen we al langs de épicerie waar Amélie boven woonde. Dat zou „Maison Collignon” zijn, „fondée en 1956”, meldde het bordeauxrode uithangbord. Maar dat was dus de naam uit de film. Bij buurtbewoners is de kruidenierszaak beter bekend als Chez Abdel. Daar pal naast liggen de fotohokjes die in de film zo’n centrale rol spelen. (De dromerige Amélie gaat in het scenario op zoek naar een mysterieuze man die achtergelaten pasfoto’s verzamelt.)
Overal lange rijen mensen die, overigens, niet eens allemaal Amélie bleken te kennen. Emily – what’s in a name – van de Netflix-serie kenden ze vaak trouwens wel. Maar bovenal hadden ze van TikTok begrepen dat je hier nou eenmaal in de rij moest gaan staan. Want: dit is „the real Paris”.
Parijs is, na New York, de meest gefilmde stad ter wereld, vertelt Juliette monter. En veel films spelen hier, op de Butte Montmartre, omdat er in de smalle oude straatjes door de jaren heen weinig veranderd is. „Montmartre is tijdloos, je waant je hier permanent in een filmdecor.” Ook de successerie Emily in Paris, die de héle stad als decor in gebruik nam, bestendigde het imago van een aangeharkte sprookjeswereld waarin, in Emily Coopers interpretatie, aspirant-Parijzenaars tot falen gedoemd zijn. Om met een van haar wisecracks te spreken: „In Paris, perfection is everywhere, but it’s only the backdrop to your mistakes.”
Maar hoe perfect ook, is dit decor „the real Paris”?
Wie ook buiten de périphérique kijkt, en Parijse bestuurders proberen dat al jarenlang te doen, ziet een moderne metropool met een glimmend zakendistrict, La Défense, dat in oppervlakte groter is dan The City in Londen. Dit internationaal georiënteerde ‘Grand Paris’, sinds de Olympische Spelen van 2024 door allemaal nieuwe metrolijnen verbonden met het stadscentrum, telt meer succesvolle start-ups dan Berlijn of Amsterdam. In dit Parijs wordt, anders dan het cliché uit films en series wil, hard gewerkt. En gaan de mensen – hate to say it, Emily – uiterlijk tamelijk slonzig door het leven. De ellenlange lunches met crème brûlée in het buurtrestaurant hebben veel werknemers verruild voor een snelle sandwich, lopend op straat, muziek op de oren. Welke muziek? De jarenzeventigchansons die steevast op francofiele avondjes buiten Frankrijk gedraaid worden, klinken hier in ieder geval allang niet meer. Zoete accordeonklanken hoor je alleen nog vanuit de rondvaartboten op het Canal Saint-Martin, daar waar Amélie Poulain bij de sluizen haar steentjes in het water keilde.
Natuurlijk, ieder land koestert zijn tradities en culturele ijkpunten. Maar de oorspronkelijke inwoners blijven er meestal verre van. Het gekke is: de Fransen spelen het spel mee. Ze zijn acteurs in hun eigen toneelstukje dat Frankrijk heet. Toegegeven, die op het oog eenduidige identiteit heeft iets benijdenswaardigs. Maar voor veel Fransen lijkt het behoud van een nationaal verhaal dat voor het laatst geactualiseerd is in de jaren zeventig een zaak van levensbelang geworden. Alsof hun voortbestaan ervan afhangt.
Die jaren zeventig waren het einde van een periode die bekendstaat als les trente glorieuses. In deze pakweg dertig jaren na de Tweede Wereldoorlog werd onder aanvoering van vader des vaderlands Charles de Gaulle niet alleen de industrie gemoderniseerd, maar kreeg ook de Franse cultuur een nieuw soort internationale allure. Het was de tijd van mythische auto’s als de DS, van kernenergie en snelle treinen en vliegtuigen. Het waren de jaren van Brigitte Bardot, Louis de Funès en Françoise Hardy. De geschiedenis van Parijs gaat natuurlijk al wat langer terug dan de tijd van De Gaulle en zijn trouwe premier Pompidou, maar blijft in de roman national het epicentrum van de nostalgie. De stad van musea, gastronomie en hedonisme. De stad van avant-garde stijl, van oh la la en die eeuwige Eiffeltoren. Niet de geglobaliseerde, multiculturele stad met snel groeiende techsector, moderne muziekcultuur, cutting edge kunst en wetenschappelijke onderzoeksinstituten van wereldklasse.
Voor die verstilde identiteit zijn vast allerhande adequate cultuurhistorische verklaringen. Frankrijk is ondanks alle revolutionaire retoriek in wezen een diep conservatief land dat zijn eigenheid door een paar belangrijke historische gebeurtenissen bevestigd zag. Historici hebben daar tientallen meters over volgeschreven. Maar er is ook een veel plattere uitleg. Toerisme is de heilige graal geworden van de Franse economie en dit is nu eenmaal wat toeristen willen. Zij betalen grif voor het idee dat Frankrijk in de collectieve geesten geworden is. En de Fransen zelf – altijd al goed in marketing en pr – zijn gaarne bereid te leveren.
Ze kunnen ook niet anders. Al vele jaren is Frankrijk de meestbezochte internationale toeristische bestemming ter wereld. In 2025 bezochten 102 miljoen mensen het land, toch weer 2 miljoen meer dan een jaar eerder. Een record in ieder geval. Het merendeel van de bezoekers kwam uit Europese landen (Italië, Spanje, België en Nederland) maar ook veel Amerikanen en Chinezen weten Frankrijk en Parijs te vinden. Die geven per dag meer uit dan welke Europese toerist ook. Opvallend tafereel: steeds vaker zijn langs de Seine Chinese koppels te vinden die in eigen land getrouwd zijn maar voor de huwelijksfoto’s met fotograaf en al naar Parijs komen. Al dit internationale toerisme samen leverde Frankrijk in 2025 een recordbedrag van 77,5 miljard euro op. Binnenlands toerisme brengt daarbovenop nog eens ruim 135 miljard op.
Dat is veel geld, zeker voor een land dat er sinds het eind van die trente glorieuses niet in slaagt de begroting sluitend te krijgen en nog altijd kampt met hoge werkloosheid. Hoe cutting edge de Franse industrie ook is, door strikte regelgeving en hoge belastingen is het voor grote bedrijven steeds minder lucratief in Frankrijk te produceren. Veel ondernemingen hebben de laatste decennia hun maakwerk naar het buitenland verplaatst. Niet alleen autobedrijven, textiel of luxe. Afgelopen maand was Frankrijk nog in rep en roer omdat ‘Sophie la Girafe’, een rubberen babyspeeltje waarmee ieder Frans kind is grootgeworden, tegen de beloften van de makers in nu ook al uit China kwam. Alleen de vlekken van de giraffe waren nog ‘made in France’.
Het punt is: toerisme kun je niet zo makkelijk naar het buitenland verplaatsen. Althans, je kunt een Eiffeltoren of Arc de Triomphe in Las Vegas neerzetten, maar de authenticiteit waar reizigers naar op zoek zeggen te zijn, ben je dan kwijt. Het is een van de terugkerende thema’s in de boeken van Michel Houellebecq: Frankrijk heeft nog vooral economische toekomst als het zijn rol als één groot openluchtmuseum volledig omarmt. Als het zijn erfgoed, landschappen en al dan niet in het recente verleden verzonnen tradities effectief te gelde maakt. Maar liefst twee miljoen banen zijn in Frankrijk direct of indirect verbonden met het toerisme, becijferde het ministerie van Sociale Zaken recent. Volgens een onderzoek uit 2012 zou de Eiffeltoren, de echte, een economische waarde van 434 miljard euro vertegenwoordigen. Het logo van Parijs is daarmee vijf keer zo veel waard als het Colosseum in Rome, schreven de Franse kranten er tevreden bij.
Om al die toeristen te bedienen heeft Frankrijk inmiddels zo’n 45.000 beschermde nationale monumenten en meer dan vijftig door VN-cultuurorganisatie Unesco beschermde werelderfgoedplaatsen. De meeste plekken, zelfs dat twaalfde-eeuwse plattelandskerkje waar zelden iemand komt, zijn piekfijn onderhouden. In Parijs betalen miljardairs in de mode-industrie, zoals de bazen van LVMH (Louis Vuitton, Dior) en Kering (Saint Laurent, Gucci), grif mee om het decor voor hun producten in zo goed mogelijke staat te houden. De restauratie van de Notre-Dame werd vooral door die bedrijven betaald. Want zonder Parijs geen luxe-industrie. Met hun handtas, horloge of nieuwe garderobe kopen de klanten van dit soort bedrijven ook een stukje Parijse ervaring.
Inmiddels kent Frankrijk ook zo’n dertig toekenningen van immaterieel erfgoed. Van de savoir-faire van het maken van parfum rondom Grasse tot de Franse gastronomische maaltijd en sinds 2022 de baguette. Op dit moment wordt druk gelobbyd om ook het typische Franse café, zoals dat van Amélie Poulain, op de lijst van beschermd immaterieel erfgoed te krijgen.
Geen EU-land heeft intussen meer regiogebonden producten dan Frankrijk. Wijnen, kazen, hammen: zo’n zeshonderd zogenoemde AOP’s (appellation d’origine protégée) en iets minder strikte IGP’s (indication géographique protégée) zijn vastgelegd. Dit Europese systeem was ooit een initiatief van Frankrijk, dat al eerder een eigen vergelijkbare bescherming had, en regelt niet alleen dat producten onder die namen niet elders mogen worden gemaakt, maar zorgt er ook voor dat het product toeristische waarde krijgt. Elke lokale lekkernij, elk eigenaardig plaatselijk gebruik verdient zo’n oubollig ogend bruin bord om toeristen de snelweg af te lokken. Wat opvalt: protest tegen overtoerisme, zoals in Venetië of Barcelona, zie je in Frankrijk veel minder.
Dat Frankrijk zo vol inzet op toerisme is dus begrijpelijk. Maar er zit ook een problematische kant aan de wijze waarop politici, van links of van rechts, blijven hameren op die sterke Franse identiteit. Al wat „typisch Frans” is, is in hun verhaal goed. Dat zelfs Frankrijk ondanks de hardnekkige clichés kan veranderen, past minder goed in dat beeld.
President Emmanuel Macron was de laatste jaren cheerleader voor de Franse industrie en hij brak regelmatig een lans voor „l’art de vivre à la française”, de Franse levenskunst. Wat hij daarmee exact bedoelde is nooit helemaal opgehelderd, maar het ging niet louter om lekker eten en drinken. (Al heeft hij er in het belang van de Franse drankensector ook ooit een punt van gemaakt dat hij tweemaal daags aan de wijn zit.) Zijn „inclusief patriottisme”, zoals hij het noemde, bewoog richting nationalisme light en bestond voor de goede verstaander niet uit alleen economische argumenten (het toerisme) maar ook uit iets wat je Franse normen en waarden zou kunnen noemen.
Dat kwam samen bij de protesten van gele hesjes in het najaar van 2018. Die hadden een hoop redenen om te protesteren. Maar wat destijds op die met demonstranten volgestroomde rotondes vooral opviel was dat ze zeiden dat ze zich het Frankrijk niet meer konden veroorloven waarvan ze van bovenaf aangemoedigd werden om trots op te zijn. Een Frankrijk dat staat voor luxe en overvloed, terwijl dat aan de achterkant van het decor voor hen ver te zoeken was. Ze herkenden zich niet meer in hun eigen land, terwijl zij, in hun optiek, toch de ware Fransen waren.
Het kon ook nog meer geharnast. In kringen rond Marine Le Pens Rassemblement National is het eten en drinken van typisch Franse producten als varkensworst en wijn, een apéro saucisson-pinard, de laatste jaren een daad van verzet geworden die doelbewust Fransen met een andere achtergrond uitsluit. Onschuldig economisch patriottisme kan overgaan in nationalisme en legt een voedingsbodem voor populistische politiek.
Terug naar Montmartre, terug naar Amélie Poulain. Want ondanks alle lof voor de film van Jean-Pierre Jeunet, draaide een deel van de Franse kritiek destijds óók al om de representatie van een land dat eigenlijk alleen nog in hoofden van mensen bestaat.
Het meest fel daarin was Serge Kaganski van het weekblad Les Inrockuptibles. De film speelt in 1997, blijkt uit een verwijzing naar prinses Diana, maar het beeld van Montmartre dat Jeunet liet zien – homogeen en museaal – was „Parijs als een dorp”, schreef hij vijfentwintig jaar geleden. Dat was, volgens hem, koren op de molen van het toenmalige Front National van Jean-Marie Le Pen, de vader van Marine. „Je hoeft geen socioloog of historicus te zijn om te weten dat de dorpsideologie diep reactionair is, dat ze min of meer bewust een angst inhoudt voor moderniteit, verandering, de bewegingen van de wereld en de vermenging van bevolkingsgroepen.”
De extreem-rechtse ideoloog Renaud Camus schreef jarenlang het ene na het andere boek over Frans erfgoed. Toen hij, naar eigen zeggen, een eeuwenoud stadje in het zuiden van Frankrijk bezocht en „door gotische ramen” naar „baarden, pantoffels en hoofddoeken” keek, ontstond er bij hem kortsluiting. Hij muntte de invloedrijke racistische complottheorie grand remplacement (omvolking). Tot in het Washington van Trump wordt er nu naar hem geluisterd.
De kritiek van Kaganski was wellicht wat kras, of in ieder geval tekenend voor het scherpe Franse debat, maar ook andere recensenten constateerden dat Amélies leven zich vooral onder een kaasstolp afspeelde. Amélies wereld is nu eenmaal een droomwereld, zegt gids Juliette als ze zich een weg baant door de straten van Montmartre. Bij de Sacré-Coeur roept ze in herinnering dat hier in 2024, tijdens de Olympische Spelen, opeens een heel wielerpeloton de kaasstolp binnendenderde. Het was een geweldige tijd, zeggen alle Parijzenaars nog steeds. Het was ook de tijd waarin de stad, met hulp van de president zelf, probeerde dat hardnekkige imago uit andere tijden een beetje bij te stellen.
Macrons „inclusief patriottisme”, aanvankelijk begrepen als poging om vaderlandsliefde ook in progressievere kringen acceptabel te maken, bleek met die Olympische Spelen ook een andere kant te hebben. Vooral in de veelbesproken openingsceremonie, mede bedacht door de Frans-Marokkaanse schrijver Leïla Slimani, probeerde de organisatie het moderne en klassieke Frankrijk samen te brengen. Veel Fransen praten nog steeds vol ontzag over het optreden van de Frans-Malinese superster Aya Nakamura op de Pont des Arts. Begeleid door het deftige orkest van de Republikeinse Garde, toonbeeld van traditie, bezong ze in goudkleurige outfit in hedendaags straat-Frans de taal van Molière. Op de achtergrond de gevel van de Académie française, het gewichtige instituut dat met ijzeren hand poogt het Frans zuiver te houden. Een achterhoedegevecht, overigens, zo kon je horen aan de populaire teksten van Nakamura zelf.
Je kunt veel van Macron zeggen, maar hij heeft de tijdgeest altijd goed aangevoeld. Om president te worden maakte hij er nogal een punt van dat hij goede ideeën van links en van rechts haalde. Je hoeft niet te kiezen tussen het een of het ander, het kan „en même temps” (tezelfdertijd), werden zijn stopwoordjes.
Macron inmiddels een beetje kennende is het uitgesloten dat het Élysée zich niet tot in detail met de openingsceremonie van de Spelen van 2024 heeft bemoeid. De veranderende taal was een metafoor voor het nieuwe Frankrijk, en kreeg expliciet goedkeuring van de eindbaas. Traditie of vooruitgang? Het kan natuurlijk ook allebei. Net na het optreden van Nakamura met de Republikeinse Garde pakte Macron zijn telefoon, plakte het filmpje in een post op X en tikte daar drie woorden bij: „en même temps”.
Peter Vermaas was van 2012 tot en met 2019 correspondent in Frankrijk voor NRC.