Jawel, verreweg de meeste Duitsers liepen in de pas met de machthebbers, maar hun conformisme moet niet met loyaliteit worden verward, schrijft Longerich in Onwillige volksgenoten.
schrijft over geschiedenis voor de Volkskrant en recenseert non-fictie.
Niet de hele geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is door de overwinnaars geschreven. Zo staat het naziregime tot op de huidige dag te boek als ‘Zustimmungsdiktatur’: de vrijwillige onderwerping van het Duitse volk aan de wil van Adolf Hitler.
Deze voorstelling van zaken is van nazimakelij, maar heeft het Derde Rijk decennia overleefd. De prominente Duitse en in Londen docerende historicus Peter Longerich maakt in zijn boek Onwillige volksgenoten echter aannemelijk dat hierop veel valt af te dingen.
Jawel, verreweg de meeste Duitsers liepen in de pas met de machthebbers, maar hun conformisme moet niet met loyaliteit worden verward – en al helemaal niet met de ‘stormachtige bijval’ die zo vakkundig door de nazi‑propagandisten werd geregisseerd. Daarvan was hooguit sprake in de eerste weken na Hitlers machtsovername, in januari 1933, toen veel Duitsers na jaren van politieke chaos en economische neergang bedwelmd raakten door de beloften van een nieuw begin.
De ontnuchtering trad echter al na enkele maanden in: de prestaties van het regime bleven achter bij zijn pretenties. En dus werd er heel wat af gemopperd en geschamperd in het Duitsland dat herboren heette te zijn. Dat niet resulteerde in openlijk verzet, wat weer samenhing met de menselijke neiging om risico’s uit de weg te gaan, en met het vertrouwen dat Adolf Hitler om raadselachtige redenen bijna tot het bittere einde bij veel Duitsers is blijven genieten. Blunders werden niet hem, maar zijn secondanten aangerekend.
Achter de gevleugelde uitdrukking ‘Als de Führer dit had geweten’ ging de overtuiging schuil dat de opperste leider van goede wil was, maar dat de uitvoerders van zijn beleid het lieten afweten.
Longerich pleit de Duitsers geenszins vrij van hun aandeel in de misdrijven van het regime. Integendeel: op basis van de zogenoemde Lage- und Stimmungsberichte waarmee verschillende instanties de gevoelstemperatuur in het Derde Rijk registreerden, stelt hij vast dat de Duitsers al betrekkelijk vroeg op de hoogte waren van de aard en omvang van de Endlösung (de definitieve oplossing van ‘het Joodse vraagstuk’). Het regime trad daarover weliswaar niet in detail, maar het was er mededeelzaam genoeg over om de Duitsers vrees in te boezemen voor de (‘Joodse’) wraak waaraan het bij een Duitse nederlaag zou worden blootgesteld.
Van de auteurs van de ‘stemmingsrapporten’ werd uitsluitend verwacht dat ze bijval en enthousiasme optekenden. ‘Verantwoordelijk voor de stemming zijn jullie zelf’, werd hun door hun meerderen te verstaan gegeven. Sommige rapporteurs gaven onwillig gehoor aan deze instructie: het regime was tenslotte meer gebaat bij eerlijke kritiek dan bij ‘slaafsheid en kruiperij’.
Anderen voorzagen het voorgeschreven enthousiasme van temperende formuleringen als: ‘over het algemeen’, ‘alles bij elkaar’, ‘over het geheel genomen’, hetgeen volgens Longerich in de context van een dictatuur de conclusie toelaat dat de onvrede wijdverbreid was.
Die onvrede had betrekking op vrijwel alle thema’s die bepalend waren voor de identiteit van het Derde Rijk. Zo leidde de economische groei – die meer het gevolg zou zijn geweest van de aantrekkende conjunctuur in de rest van de wereld dan van interventies van de Duitse regering – niet tot een noemenswaardige stijging van de levensstandaard. Die bleef, sterker nog, achter bij het niveau van de jaren vóór de economische crisis.
Desalniettemin heeft ook de mare van een bloeiende economie en een stijgende ‘volkswelvaart’ het Derde Rijk ruimschoots overleefd. Ondertussen klaagden de boeren over het drukkende effect van de prijscontroles op hun toch al povere inkomsten. Overal klonk gezucht over de nazistische manifestaties waarvoor de burgers steeds weer werden opgetrommeld (soms wel acht keer per maand) en over de inhoudingen op hun loon ten behoeve van ‘goede doelen’.
Vanaf het midden van de jaren dertig, toen nazi-Duitsland steeds vaker de confrontatie zocht met buitenlandse mogendheden, nam de vrees voor oorlog toe. Hitler werd toegejuicht zolang hij kon volstaan met de dreiging van krijgsgeweld, of als hij de vijand snel op de knieën dwong – en daarmee de condities voor een échte vrede zou hebben geschapen.
Alleen de rooms-katholieke kerk en de (protestantse) Bekennende Kirche boden consequent weerstand tegen het ‘nieuwe heidendom’ van het nationaalsocialisme. En zij genoten te veel gezag om door het regime simpelweg genegeerd of weggevaagd te kunnen worden. De kerken maakten bezwaar (soms met enig succes) tegen de nazificering van de samenleving, tegen Hitlers euthanasieprogramma (de ‘vernietiging van onwaardige levens’) en tegen de Jodenvervolging. Enerzijds spreekt de Zivilcourage van de weerspannige geestelijken tot de verbeelding. Anderzijds vraag je je vertwijfeld af wie zouden voorgaan in het verzet als onze ontkerkelijkte samenleving het hoofd zou moeten bieden aan een dictatoriaal bewind.
Peter Longerich: Onwillige volksgenoten – Hoe de Duitsers tegenover het naziregime stonden. Uit het Duits vertaald door Alexander van Kesteren. Hollands Diep; 560 pagina’s; € 49,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant