Adrian Woolfson werpt ontzettend veel relevante vragen op. Wat kan er bijvoorbeeld gebeuren als artificiële biologische intelligentie in de handen van de verkeerde mensen komt?
Adrian Woolfson werpt ontzettend veel relevante vragen op. Wat kan er bijvoorbeeld gebeuren als artificiële biologische intelligentie in de handen van de verkeerde mensen komt?
Het was die opruiende titel De mens als god die mij tot lezen verleidde. Nu vind ik mezelf geen misantroop, toch kan ik het gros van de mensen op weinig goddelijks betrappen. Dit boek gaat dan ook niet zozeer over menselijk gedrag of ethiek, maar over ‘techniek’: het mechanisme dat ten grondslag ligt aan het leven. Volgens schrijver en ondernemer Adrian Woolfson krijgen we daar namelijk steeds meer grip op, mede dankzij artificiële biologische intelligentie (ABI).
Over ABI, het kersverse huwelijk tussen de genetica en AI, wil hij het hebben. Dit vergt een lange inleiding, genetica is voor de meesten van ons geen dagelijkse kost. Net als AI, al geldt dat misschien vooral voor mijzelf. Wat die twee met elkaar te maken hebben, komt pas laat in het boek aan bod. Eerst worden de ontwikkelingen binnen de genetica minutieus beschreven.
Maar op de agenda staat geen fundamentele wetenschap. Woolfson komt op mij over als een pragmaticus. Hij denkt in termen van optimalisaties. De natuur, betoogt hij, is imperfect en met de kruisbestuiving tussen genetica en AI kunnen we daar verbetering in brengen: ‘Bevrijd van de beperkingen van toeval en natuurlijke selectie zouden we niet langer afhankelijk zijn van blauwdrukken van de natuur. In plaats daarvan zouden we geheel nieuwe ontwerpen kunnen formuleren, voorzien van pen, het papier en de creativiteit die nodig zijn om het verhaal van het leven te herschrijven.’
Als voorbeeld neemt hij de menselijke voet, die uit maar liefst 26 botjes bestaat. Die waren ooit nuttig, toen onze voorouders in bomen leefden en de beweeglijkheid van zo’n voet van levensbelang was. Een lopende voet zoals die van ons, zou met minder botjes veel stabieler en dus functioneler zijn.
Maar de evolutie kan enkel voortborduren op wat er al is. Een voet vanaf nul ontwerpen behoort niet tot de mogelijkheden. Dat maakt onze menselijke techniek op dat vlak superieur. Wij maken doelgerichte ontwerpen en kunnen onze machines bovendien per onderdeel vervangen en verbeteren. Dit is een onschuldig voorbeeld; het oplossen van levensbedreigende ziekten, klimaatleed en de slinkende biodiversiteit zou werkelijk revolutionaire gevolgen hebben.
Aanvankelijk las ik hier het soort dedain in dat al uit de titel bleek. Vanuit een, wat mij betreft, achterhaald idee van menselijke superioriteit bovendien. Ik maakte steeds dezelfde, geïrriteerde notities met uitroeptekens. Zo werkt evolutie door natuurlijke selectie op grond van diversiteit binnen populaties.
Imperfecties, zoals Woolfson ze noemt, zijn daar onderdeel van. Wis je die uit, dan valt de generatieve motor van het leven stil. Uit gelijksoortigheid valt namelijk niet te selecteren. Dat wij allemaal unieke genomen hebben, maakt ons als soort weerbaar voor de ongewisse toekomst, voor veranderende omstandigheden in ons leefmilieu. Zowel de geschiedenis als het heden leert: omstandigheden veranderen uiteindelijk altijd.
Maar ik nuanceerde mijn oordeel. Er was hier eigenlijk vooral sprake van een tomeloos enthousiasme over wat we allemaal weten en kunnen. Het is inderdaad ook waanzinnig dat men in staat is om synthetisch DNA te maken, dat er in laboratoria hele genomen worden samengesteld.
Nog zo’n mijlpaal: in 2003 werd het menselijkgenoomproject (Human Genome Project) afgerond, dat tot doel had de volledige structuur van het menselijk DNA in kaart te brengen. Dertien jaar had men aan dit internationale project gewerkt. Het belang van deze kennis kan moeilijk onderschat worden.
We staan op een kantelpunt. Voorheen hield de genetica zich bezig met reverse engineering: genetisch materiaal uit elkaar halen om de functie te snappen. Inmiddels worden stappen gemaakt in forward engineering: genetisch materiaal maken zonder voort te borduren op wat al bestaat.
AI helpt daarbij. Als een blinde halfgod kan het vrij nauwkeurig genetische codes voorspellen en combineren. DNA wordt daardoor sneller en preciezer gesynthetiseerd. Maar wij, noch AI, snappen op fundamenteel niveau waarom iets wel of niet werkt. We kunnen DNA wel lezen, maar niet (intentioneel) schrijven. Dat deed me denken aan mijn Duolingo-ervaring, de app waarmee je als een papegaai een andere taal leert. Na een half jaar haakte ik af. Om een taal echt te leren, had ik begrip van de grammatica nodig. Domweg herhalen volstond niet meer.
De mens als god is daarmee een boek over iets wat we eigenlijk nog niet snappen, en dat draagt niet bij aan de leesbaarheid. Ik raakte regelmatig verdwaald in de afkortingen, genetische aandoeningen en modellen. Het maken van scherpere keuzen had daarbij geholpen.
Maar Woolfson zit ook zo dicht op de nieuwste ontwikkelingen, dat het misschien onmogelijk is om overzicht te bieden. Toch komt dit boek op tijd. Ook al begrijpen we nog te weinig, de ontwikkelingen denderen voort. En alhoewel een dieper inzicht ontbreekt, werpt Woolfson ontzettend veel vragen op, relevante vragen waar we niet van weg moeten kijken. Te vaak lopen de ontwikkelingen binnen de wetenschap namelijk voor op onze ethiek en wetgeving. Het monster van de eugenetica ligt nog niet zo ver achter ons.
Daarom eindigt Woolfson met een manifest waarin hij ineens verrassend terughoudend is over de toepassing van ABI. Naast al het positieve, zoals het uitbannen van ziekten en het beschermen van de biodiversiteit, zijn er namelijk ook zorgen. Het genoom van mensen zodanig veranderen dat het wordt doorgegeven aan volgende generaties, uitgestorven dieren herintroduceren terwijl de ecosystemen waarin zij leefden niet meer bestaan, verdwenen ziekteverwekkende virussen tot leven wekken: in de handen van de verkeerde mensen kan dit uitdraaien op een ramp.
De mens is nog ver verwijderd van godendom, concludeerde ik. We zijn heel knap, maar snappen nog steeds weinig van de generatieve regels van het leven. Dat stelde me toch gerust.
Adrian Woolfson: De mens als god. Uit het Engels vertaald door Koos Mebius, Joost Pollmann en Jan Wynsen. Nieuw Amsterdam; 432 pagina’s; € 34,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant