Home

Bescheiden boeken over het kleine leven: deze vijf debutanten zijn genomineerd voor de Anton Wachterprijs

Van kind naar puber, van zoon naar vader, van nodig naar overbodig: de personages in de vijf genomineerde boeken voor de Anton Wachterprijs staan allemaal op een drempel. Wat hebben de debuutromans nog meer gemeen? En hoe goed zijn ze?

is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.

Bij elke debuutroman kun je je afvragen: wat was er eerder? Een idee voor een verhaal of de vurige wens een schrijver te zijn?

Het laatste merk je in veel gevallen al aan de eerste zin – die is dan ontzettend eerstezinnerig. Een combinatie van nadrukkelijke symboliek, literaire ernst en zelfbewustheid. Dan krijg je zoiets als: ‘De zomer waarin Boris Torbinski verdween rook naar benzine, nat gras en iets wat later verloren onschuld bleek te zijn.’ – ik verzin maar wat.

Een echt sterke openingszin is vaak veel eenvoudiger. Die is gewoon het begin van een goed verhaal. ‘Hélène de Boer is geslaagd met obsceen hoge cijfers.’

Of: ‘Jaap Koeman boog zich over de sloot.’

Deze komen uit respectievelijk Kuren van Thijs Hoekstra en Koeman van Jan Wester, debuten die zijn genomineerd voor de Anton Wachterprijs, een tweejaarlijkse juryprijs voor het beste debuut (uitreiking 20 juni). Arnon Grunberg won ooit met Blauwe maandagen, recentelijker werd de prijs uitgereikt aan Peter Buwalda, Niña Weijers en Simone Atangana Bekono. Twee jaar geleden won W. van Tiemen Hiemstra. Dit jaar dingen ook Sprokkelaars van Mira Aluç, Ossenkop van Manik Sarkar en Achtertuinen van Robin Kramer mee.

Het is een fris lijstje, alleen al omdat het debuut der debuten, Oroppa van Safae el Khannoussi, er nou eens een keertje niet op staat. Aluç en Sarkar vielen reeds in de prijzen; Hoekstra, Wester en Kramer kregen hier en daar wat positieve aandacht.

Toch zullen hun namen voor het grote publiek nog onbekend zijn. Als het aan de jury ligt zijn dit de beste vijf debutanten van de afgelopen twee jaar. Waarover schrijven zij? Wat valt op als je hun romans naast elkaar legt? En hoe goed zijn ze?

Minachting voor het volwassen leven

Thijs Hoekstra (1998) is de jongste van het stel en schreef ook het jeugdigste boek; over de puberteit. Een levensfase die op zich al ingewikkeld genoeg is, maar al helemaal als je er lymfeklierkanker bij krijgt, zoals de 14-jarige David. Klote, maar het heeft ook voordelen: geen natuurkundehuiswerk meer, een nieuwe laptop van het goede doel en briefjes van Hélène de Boer, het knapste meisje van de klas.

David vertelt over zijn ziekte; het verloop, de genezing en hoe zijn leven daarna weer gewoon verdergaat. Het deed me denken aan The Catcher in the Rye, het oerpuberboek van Salinger. Brutaal, wijsneuzig, grappig en ontwapenend, een manier van schrijven waarmee de auteur alleen wegkomt als-ie zelf echt iets ergs heeft meegemaakt omdat het anders onverdraaglijk koket wordt.

Kanker (Hoekstra kreeg het zelf op zijn 14de) is de rode draad, maar Kuren gaat eigenlijk over volwassen worden, of beter gezegd: de minachting voor het onvermijdelijke volwassen leven, zoals alleen pubers die kunnen hebben. ‘Wist ik al wat ik later wilde worden? Het zou me niet verbazen als ik van die vraag uiteindelijk kanker heb gekregen.’

Banaliteit van bekrompen levens

Jan Wester (1995) schreef Koeman, boerderijliteratuur in de traditie van Gerbrand Bakker (Boven is het stil) en Lucas Rijneveld (De avond is ongemak). ‘Hete dierenadem vermengde zich met trillende zomerlucht. Een straal urine zwol op uit een van de achterlijven.’ Dat.

Boerenzoon Jaap moet in één klap volwassen worden als zijn vader sterft. Nu is hij degene die de melkveehouderij draaiende moet houden. Niet makkelijk als je autistisch bent en eigenlijk een beetje bang bent voor koeien.

Gelukkig komt Anne op de boerderij wonen. Of nou ja, gelukkig? Anne heeft anorexia, Jaap is contactgestoord, het is een boel gezwijg boven de piepers – zelfs Yvon Jaspers zou haar handen van dit stel aftrekken. Wester vermengt het plattelandsrealisme met steeds meer mythische elementen; vermagerende koeien, mensenoffers en zelfs een klein Minotaurusje.

De vreemde karakters van Jaap en Anne komen hierdoor in een ander, episch licht te staan; ze ontstijgen de banaliteit van hun bekrompen leventjes. Het loopt flink uit de klauwen daar op de boerderij – jammer voor de koeien, goed voor de literatuur. Koeman is vreemd en verrassend, het boek waar uiteindelijk het langst over na te denken valt.

Weemoed-van-alle-mensen

In Sprokkelaars van Mira Aluç (1993) is het de verteller, ‘Jong’, gelukt het voortploegende leven (waarheen, waarvoor?) stil te zetten door een nietszeggend baantje aan te nemen als medewerker in de handelsloods van zijn oom. Daar, op een industrieterrein ver van de echte wereld, gespeend van daglicht, slepend met restpartijen kaarsen, kersenbonbons en kaasraspen, leert deze pas afgestudeerde jongen iets wat hij op de universiteit nooit had kunnen leren.

Wat precies wordt niet letterlijk benoemd (gelukkig). Zelfs tussen ingedeukte blikken kattenvoer is iets waardevols te vinden, als je er maar niet te hard naar zoekt – zoiets. De symboliek van de restpartijen die uiteindelijk toch nog een bestemming vinden, is onnadrukkelijk genoeg. ‘Wie ik ben weet ik niet (...) maar ik was daar en ben sindsdien nooit meer dezelfde geweest.’

Sprokkelaars ademt een soort weemoed-van-alle-mensen, dat gevoel dat je kan overvallen op plekken waar je niet vaak komt (loodsen, buitenwijken, wachtkamers), daar dan anderen ziet en denkt: die hebben óók allemaal een leven.

Prettig droeve sfeer

Nog meer van die leventjes in de achtertuinen van Robin Kramer (1990). De verhalen in zijn bundel hangen met elkaar samen, Achtertuinen had ook een gefragmenteerde roman kunnen zijn. Terugkerend personage is een jongen die enigszins verbijsterd moet constateren dat zijn jonge, onbezorgde jaren voorbij zijn. Begonnen is de tijd waarin vrienden kinderen krijgen, vriendschappen verwateren, ouders sterven.

‘Jarenlang waren we om het leven heen gelopen alsof het een standbeeld was dat we van alle kanten wilden bekijken, zonder het écht te leven.’ Maar nu is het tijd om te beginnen, je post open te maken en je rekeningen te betalen. Wie dat niet doet is af. Er hangt een prettig droeve sfeer in dit boek; waarom kan alles niet gewoon blijven zoals het is?

Dat vraagt ook slager Rensing zich af in Manik Sarkars (1973) Ossenkop. Hij ziet zich door de veranderende tijden genoodzaakt om zijn slagerij te moderniseren. Terwijl hij zijn geld liever in goed slachtvee steekt; een Maine-Anjou, een Polled Hereford of een ander chic koetje waar hij zijn mes al doorheen ziet glijden. Zo jammer dat zijn klanten kwaliteit niet weten te waarderen en voor de kiloknallers van de nieuwe supermarkt kiezen.

Sarkar beschrijft de teloorgang van deze middenstander (en misschien wel van dé middenstander), al heeft die Rensing het ook wel een beetje aan zichzelf te denken: het zakelijk inzicht van deze stugge sjaak is nihil.

Ossenkop is een soort Kaas, maar dan met worst. Al schrijft Sarkar veel krulleriger dan de bondige Elsschot. Omdat we het toch al over eerste zinnen hadden: de eerste van Ossenkop telt twaalf regels (‘Als het enige waarop je je kunt baseren een groot, levend beest op een koude ochtend op de veemarkt is, bij wie de damp tijdens het uitademen uit de neusgaten komt, dan moet je weten…’ enzovoort), daar heeft Sarkar duidelijk lang (maar tevergeefs) aan zitten schaven.

Bescheiden boeken

Van de levenslustige jonge David uit Kuren die het leven ín gaat tot de gedesillusioneerde oude Rensing die eruit stapt; wie deze boeken achter elkaar leest ziet als het ware het verloop van een tragisch mensenleven, waarin weemoed om wat ooit was steeds meer de overhand krijgt. Een dalende lijn in een wereld waarin het leven toch vooral een stijgende lijn moet zijn.

‘Er was niets anders dan ’s ochtends opstaan om de dingen te doen die gedaan moesten worden en de lijn te volgen die vanaf de ochtend naar de avond liep, vanaf de geboorte naar de dood’, schrijft Sarkar.

Dit zijn bescheiden boeken, fysiek – allemaal dunnetjes – maar dus ook qua thematiek. Ze gaan niet over grootsheid. Niemand wil rijk of beroemd worden, of ontsnappen aan zijn afkomst of de wereld veroveren. Deze romans gaan over mensen die proberen te dealen met het einde van iets – zo goed en zo kwaad als dat gaat. Sjouwen met dozen, koeienstront scheppen, bonnetjes bewaren.

Afgaand op deze shortlist lijkt het alsof deze nieuwe lichting schrijvers niet zozeer geïnteresseerd is in groots en meeslepend, maar in het kleine leven en de vraag hoe een mens zich daarin staande houdt. Exemplarisch is een scène uit Sprokkelaars waarin Jong een opgeblazen zwembad naar de loods moet dragen. Niets dan lucht, toch komt hij amper vooruit, dat is soms ook het leven.

Stilistisch zijn deze debuten aan elkaar gewaagd; alle schrijvers hebben een coherente eigen stijl te pakken. Toch heeft Jan Wester met Koeman als winnaar mijn voorkeur, vanwege de originele en gewaagde aanpak waarmee hij het gewone verweeft het met absurde.

Eerst nog even achteromkijken

Van kind naar puber, van zoon naar vader, van studeren naar werken, van twintiger naar dertiger, van nodig naar overbodig. De personages staan op een drempel waar ze, voordat ze oversteken naar de volgende levensfase, eerst nog achteromkijken. ‘Het voelde als een pact: we zouden niet oud worden voordat we oud waren’, merkt iemand in Achtertuinen op.

Allemaal zijn ze ervan doordrongen dat verdergaan het einde betekent van iets wat ooit eindeloos leek (je jeugd, stromende melk, verstilde dagen in een loods, je eerste liefde, het zoemen van de koelcel). In Sprokkelaars komt ‘ware leeftijd’ ter sprake. Hoe weet je dat je die bereikt hebt? ‘Dat komt achteraf, wanneer het voorbij is en jij niet het gevoel hebt dat je bent verdergegaan.’

Stilstaan is achteruitgang, ze móéten wel door, het leven zelf zal ze dwingen. Ware het niet dat ze veilig zitten opgeborgen in hun boeken; alleen in romans kan een overgang eindeloos worden uitgesteld.

Ondertussen heeft de werkelijke transformatie zich buiten de bladzijden afgespeeld: vijf mensen met een idee voor een verhaal zijn schrijvers geworden.

Thijs Hoekstra: Kuren. Das Mag; 207 pagina’s; € 22,50.
Jan Wester: Koeman. Pluim; 256 pagina’s; € 14,99.
Mira Aluç: Sprokkelaars. Atlas Contact; 256 pagina’s; € 22,50.
Robin Kramer: Achtertuinen. Oevers; 112 pagina’s; € 20.
Manik Sarkar: Ossenkop. Hollands Diep; 176 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next