Home

‘Zelfs toen mijn broer ernstig ziek was, had ik niet de moed om naar hem toe te gaan’

Door een voorval van lang geleden zijn Marcel en zijn jongere broer gebrouilleerd geraakt. Marcel wist niet hoe hij het moest goedmaken, hoewel ze beiden veel gemeen hadden. En nu is het te laat. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.

Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.

Marcel (77), kunsthandelaar:

‘Ik kom uit een gezin met dertien kinderen: acht meiden en vijf jongens. Mijn vader was antiquair en had een eigen zaak. Mijn moeder was katholiek, en roomser dan de paus. Mijn vader had niet zoveel met het katholicisme maar hij gaf wel gevolg aan de opdracht van de paus om zoveel mogelijk kinderen te krijgen. In zekere zin jammer, want als mijn vader drie kinderen had gekregen, zou hij volgens mij een veel leukere vader zijn geweest. Tussen de kinderen zat anderhalf jaar leeftijdsverschil, dus mijn moeder was in onze jeugd altijd zwanger. De oudste is nu 87, de jongste 70. We waren niet arm, maar mijn vader kwam altijd geld tekort, een gevolg van het feit dat hij in de handel zat.

‘Toen ik 12 was, had mijn vader het in zijn kop gehaald om een zaak in Spanje te beginnen, los van zijn zaak hier in Nederland. Hij huurde in Salou een appartement en dacht er een lucratieve handel te beginnen met de in- en verkoop van oude meubels. Mijn vader reed jarenlang met negen kinderen, een paar kinderen waren het huis al uit, naar Spanje. De vriend van mijn oudere zus had ook een auto, dus we werden verdeeld over twee voertuigen. Mijn moeder ging soms mee, maar ze bleef ook vaak thuis om de antiekzaak hier te bestieren. Wij kinderen brachten vaak de hele zomervakantie door in Spanje. Uiteindelijk is die winkel op een mislukking uitgedraaid en heeft het hun veel geld gekost.

‘Voor de oudste kinderen, onder wie ikzelf, was er geen geld of aandacht voor opleiding of studie. Ik voelde geen liefde, zoals ik bij andere gezinnen zag. Bij ons waren er kinderen, er was eten, en er was kleding. Verder zocht je het maar uit. Ik vond mijn moeder geen aardige vrouw en mijn vader dronk te veel. De eerste twee borrels voor etenstijd gingen nog goed, maar bij de derde begon hij te lispelen en werd hij chagrijnig. Dan hoefde er niet veel meer te gebeuren of de sfeer sloeg om.

‘Mijn moeder moest schipperen tussen dertien kinderen en mijn vader. Sommigen konden het goed met mijn vader vinden, anderen helemaal niet. Degenen die niet met mijn vader overweg konden, kregen alle aandacht van mijn moeder. Het werden als het ware kampen, wat ik haar erg kwalijk heb genomen.

‘Mijn broertje Ramón was precies vijf jaar jonger dan ik. Hij was op 21 april jarig, ik op 20 april. Volgens mijn moeder was hij mijn verjaardagscadeau, maar ik vermoed dat ze dat zei om een echt cadeau uit te sparen. Vanwege de spanningen thuis ben ik al op mijn 16de het huis uit gegaan, Ramón was nog maar 11. Een jaar of zes, zeven later vertelde een zus die nog thuis woonde dat Ramón vreselijk veel ruzie met mijn vader had. Ik stelde mijn moeder voor dat hij een tijdje bij mij kon komen. Hij was haar lievelingetje en zij vond het een goed idee. Ramón, die inmiddels naar de kunstacademie in Arnhem ging, trok bij mij in.

Enorme teringzooi

‘Terwijl ik een week weg was, heeft Ramón een feest in mijn huis gegeven voor de halve kunstacademie. Zonder mijn medeweten. Ik werd gebeld door mijn buren dat er veel lawaai en een hoop gedoe was. Pissig en opgefokt dat hij mij niets had verteld, ben ik onmiddellijk naar huis gegaan waar ik een enorme teringzooi aantrof. Ik heb al die studenten tijdens het feest weggestuurd, woedend was ik. Dat was voor Ramón natuurlijk enorm gênant, hij was diep gekwetst.

‘Achteraf heb ik daar spijt van, ik had ze gewoon even moeten laten uitfeesten. Sindsdien is het contact tussen Ramón en mij verbroken. Hij was boos, ik was boos, en we waren beiden even koppig. Ik vond dat hij naar mij toe moest komen, hij vond dat ik naar hem toe moest komen. We hebben elkaar nooit meer gezien.

‘Drie jaar na zijn afstuderen aan de kunstacademie maakte Ramón zijn eerste film. Hij werd schrijver, kunstenaar en filmer. Ik heb hem natuurlijk al die jaren via de media kunnen volgen, maar ik heb nooit de moed gehad om hem op te zoeken en het goed te maken. Ik was zelfs zo rancuneus dat ik nooit naar zijn films ging. Ik kreeg via via altijd te horen dat er een première was, maar ik ontving nooit een uitnodiging. Als ik geen invitatie kreeg, ging ik ook niet kijken, hij zocht het maar uit.

‘Alleen zijn bekendste documentaire over Johan Cruijff heb ik gezien: En un momento dado. Niet zozeer omdat Ramón hem had gemaakt, maar omdat ik van voetbal houd.

Lafheid

‘Precies een jaar geleden kreeg ik via een zus de mededeling dat Ramón ernstig ziek was. Hij had alvleesklierkanker en zou nog een jaar te leven hebben. Zelfs toen heb ik niet de moed gehad, of het initiatief genomen, om naar hem toe te gaan. Of op wat voor manier dan ook te laten blijken dat ik het echt klote vond dat we nooit meer contact hebben gehad. Het ontbrak me aan lef, je zou het ook lafheid kunnen noemen, om de confrontatie aan te gaan. Als er zoveel tijd tussen zit, dan weet je verdomme niet meer hoe je het moet aanpakken. Ik schiet nu weer vol.

‘Ik wil niet klagen, want onder spijt ligt zelfverwijt, maar ik heb geen steun gehad. Niemand heeft gezegd: pak het zus of zo aan. Ik heb me altijd eenzaam in mijn familie gevoeld.

‘Op 5 april is hij overleden, hij was 71 jaar. Voordat hij overleed heeft hij nog met man en macht geprobeerd om zijn laatste documentaire af te maken die na zijn overlijden in Amsterdam werd vertoond. De zus die de uitnodigingen verstuurde, heeft het per ongeluk naar een verkeerd adres gemaild, waardoor ik in de veronderstelling verkeerde dat ik niet was uitgenodigd. Ik kocht op eigen gelegenheid een kaartje en ging er met een bezwaard gemoed naartoe, samen met mijn vrouw. Voor het eerst zag ik zijn enige zoon, ik heb zelf ook een zoon, en dat greep me enorm aan.

Bijzondere man

‘Op het moment dat ik de jongen de hand schudde, kon ik mijn tranen niet bedwingen, het was veel emotioneler dan ik had vermoed. Ik stelde me voor als de broer van zijn vader. Hij was vriendelijk, maar werd snel in beslag genomen door de andere gasten. Ik weet niet of Ramón zijn zoon ooit over mij heeft verteld, ik heb geen idee.

‘Voorafgaand aan de film waren er speeches en foto’s. Een heel kunstenaarsleven trok voorbij. Ik realiseerde me toen pas in volle omvang hoeveel ik had gemist van mijn broertje en wat een bijzondere en getalenteerde man hij is geweest. Hoe de jaren in onze jeugd in Spanje een onuitwisbare indruk op hem hadden gemaakt. Veel van zijn veertig films en documentaires gaan over Spaanse onderwerpen.

‘Hij heeft een eigenzinnig leven geleid, dat kwam in alle speeches naar voren. Hij was in de filmwereld een buitenbeentje, heel authentiek, en heeft zich nooit geconformeerd aan een commercieel doel. Ik heb daar veel respect voor. We hadden ook best veel overeenkomsten, beiden creatieve beroepen, waarover we hadden kunnen sparren. We hebben allebei een klotejeugd gehad, en misschien heeft dat de basis gelegd voor onze rancuneuze opstelling, vijftig jaar lang. Het is nu te laat om mijn bewondering voor hem uit te spreken, en dat spijt me ontzettend.’

Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next