Simulatoren zijn steeds belangrijker geworden nu de mogelijkheden om met actuele Formule 1-auto's op het circuit te testen zijn afgenomen. Voor alle teams is de simulator tegenwoordig niet alleen een essentieel voorbereidingsmiddel om met een redelijke afstelling op elk circuit aan te komen, maar helpt die ook bij het beoordelen van de prestaties van nieuwe onderdelen voordat ze op de auto worden gezet.
Tenzij je Lewis Hamilton bent. Hij heeft zich steeds nadrukkelijker uitgesproken over zijn onvrede over de simulator van Ferrari - of beter gezegd: over het feit dat zijn ervaringen daarin niet overeenkomen met het gedrag van de SF-26 op de baan. Zijn twee beste resultaten van dit seizoen kwamen in weekenden waarin hij de simulator in zijn voorbereiding links liet liggen. Daarom heeft hij verklaard dat hij ermee klaar is.
Maar teamgenoot Charles Leclerc is het daar niet mee eens. "Het [Hamiltons mening over de simulator] heeft helemaal geen invloed op mijn voorbereiding", zegt hij in Monaco. "Uiteindelijk denk ik dat we allemaal onze voorkeuren hebben. Voor mij werkt de simulator heel goed."
"Dit is wat ik sinds mijn komst in de Formule 1 altijd heb gedaan. Ik ga dat niet veranderen, omdat het in het verleden een heel krachtig hulpmiddel voor mij is geweest. Bovendien voeren we vaak wijzigingen aan de auto door op basis van wat we thuis in de simulator proberen. Het maakt dus deel uit van het ontwikkelingsproces van de auto. Voor mij werkt het, dus ik blijf ernaartoe gaan."
De uiteenlopende opvattingen van Leclerc en Hamilton laten zien hoe belangrijk routine, gewoontes en patroonherkenning zijn voor een Formule 1-coureur, net als de psychologische basis van vertrouwen. Leclerc gelooft dat de simulator werkt, Hamilton niet.
Foto door: Alastair Staley / LAT Images via Getty Images
Belangrijk is om het proces van het gebruik van de simulator te scheiden van de perceptie die de coureur heeft van de resultaten. Michael Schumacher kon de simulator bijvoorbeeld niet gebruiken toen hij in 2010 zijn rentree maakte in de Formule 1 bij Mercedes, omdat hij er wagenziek van werd.
Hamiltons probleem met de simulator is dat hij niet gelooft dat die het echte gedrag van de auto nauwkeurig nabootst. Daarom ziet hij het als verspilling van tijd en mentale energie.
Tot eind jaren 2000 konden teams buiten Grand Prix-weekenden onbeperkt testen op het circuit - onbeperkt in de zin dat alleen het budget een grens vormde. De meeste topteams hadden aparte testteams die zich volledig op die taak richtten.
In de laatste jaren van Max Mosley als FIA-president maakte hij er zijn missie van om de kosten te verlagen, of in elk geval de uitgaven te beperken, door het testen aan banden te leggen. In 2007 kreeg hij zijn zin met een eerste beperking op het aantal testkilometers. De wereldwijde financiële crisis stelde hem vervolgens in staat om de genadeklap uit te delen en tests tijdens het seizoen vanaf 2009 te verbieden.
De details zijn in de jaren daarna enigszins veranderd, maar testen blijft streng beperkt. Dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling naar andere gebieden is verschoven, met name naar de virtuele wereld. De behoefte om te testen is namelijk allerminst verdwenen.
Doordat de vrije trainingen op vrijdag zijn teruggebracht van negentig naar zestig minuten en er steeds meer sprintweekenden zijn met slechts één uur training, is het nog belangrijker geworden om met een goede basisafstelling aan te komen. Er is nauwelijks tijd te verliezen.
Maar het virtuele karakter van simulatortests brengt het risico met zich mee dat de resultaten gaan afwijken van het gedrag in de echte wereld. Verschillende teams hebben de afgelopen jaren dan ook melding gemaakt van correlatieproblemen met hun virtuele hulpmiddelen. Red Bull schreef zijn competitieve terugval vanaf 2024 toe aan slechte correlatie in al zijn hulpmiddelen, van de simulator tot de windtunnel.
Foto door: Andy Hone/ LAT Images via Getty Images
Hamiltons probleem met de Ferrari-simulator is duidelijk gebaseerd op een gevoel, maar wat ongebruikelijk is, is dat Leclerc het daar duidelijk niet mee eens is. Het is onwaarschijnlijk dat dezelfde simulator voor beide coureurs verschillende resultaten oplevert.
"Als je kijkt naar de twee beste races die ik [dit seizoen] heb gehad," zei Hamilton na zijn tweede plaats in de Grand Prix van Canada, "dan heb ik de simulator niet gebruikt. Zo is het eerlijk gezegd gewoon gegaan. In vrijwel alle kampioenschappen daarvoor, behalve waarschijnlijk 2008, heb ik de simulator niet gebruikt. Het is dus geen noodzaak."
Critici zouden Hamilton hier kunnen verwijten dat hij een verkeerde conclusie trekt, omdat zijn redenering is gebaseerd op een zeer beperkte steekproef. Je zou net zo makkelijk kunnen aanvoeren dat correlatie in dit geval niet per se causaliteit betekent, net zomin als wanneer een coureur toevallig zijn beste resultaten van een seizoen behaalt terwijl hij zijn geluksonderbroek draagt.
Maar geloof, hoe eigenaardig het ook lijkt, is een essentieel onderdeel van de psychologie van een coureur. Waar het om gaat, is wat werkt. En als Hamilton gelooft dat het doorspitten van echte data hem helpt betere afstellingen te vinden dan de simulator, dan werkt dat duidelijk voor hem. De echte test komt wanneer een raceweekend voor Hamilton verkeerd uitpakt terwijl hij vasthoudt aan zijn beleid om de simulator niet te gebruiken. Hoe verklaart hij dat dan?
Bekijk: F1-update: Max Verstappen positief verrast door Red Bull in Monaco, wat maakt Ferrari zo sterk?
Wat zou jij graag willen zien op Motorsport.com?
- Het Motorsport.com-team
Source: Motorsport