Home

Opinie: Waarom mijn gedicht sterker is dan een algoritmisch brouwsel

Het menselijk brein blijft onmisbaar; voor schrijvers, dichters en verhalenvertellers is er voorlopig nog genoeg werk aan de winkel, betoogt Martine van der Reijden.

Er zijn duizenden mensen die gratis woorden blijven opsturen naar kranten, wedstrijden en literaire bladen, in de hoop gelezen te worden. Ik ben daar ook een van. Het maakt voor mij het leven de moeite waard: de kick om ergens je ingezonden woorden terug te lezen.

Het begon klein, met een verhaaltje op een achterpagina; later werd een opiniestuk geplaatst. Ik won een verhalenwedstrijd. De ontdekking dat verhalen en gedichten schrijven en eindeloos schaven aan zinnen mij intens gelukkig maakte, was een verrassing.

Over de auteur

Martine van der Reijden is schrijver en dichter. Zij won onder meer de ILFU Poëzieprijs en de Plantage Poëzieprijs. Haar werk is aangebracht als muurgedicht bij een school in Gent. Dit jaar vertegenwoordigt zij Nederland met een flash fiction verhaal namens de European Association of Creative Writing Programmes (EACWP).

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Woordkunstenaars

Jaren geleden zat ik voor het eerst trots in een bomvolle zaal met mede-dichters, wachtend als een stel hongerige wolven of ons werk op de shortlist stond. Terwijl de winnaars allang bekend waren, bleek later. Sommige gelauwerden kwamen niet eens hun prijs persoonlijk ophalen; ze lieten zich zien op een groot videoscherm. En wij, de woordkunstenaars, zaten daar opgepoetst, nog hopend op een prijs. Ja, anders krijg je zo’n zaal natuurlijk niet vol.

Met het schrijven kwam ook de drang om meer werk op te sturen: gezien worden als echte dichter of schrijver. Was het beginnersgeluk? Ik behaalde wat successen. Ik schreef steeds meer wedstrijden en literaire tijdschriften aan. Ik leerde incasseren, kritiek om te buigen tot advies. Schaven, schaven en schaven.

En daar begint een vreemde wereld. Als deelnemer moet je aan veel punten voldoen: deadlines tot op de minuut, exacte regelafstanden, lettertypes en bestandsformaten. Eén fout en je ligt eruit. Je levert gratis je tijd, aandacht en vakmanschap in. Soms betaal je zelfs inschrijfgeld en als je boft, kom je in een bundel die je zelf kunt aanschaffen. Ik doe het graag en van elke vereniging, krant of literair blad waar ik inkom, neem ik een abonnement. Ik waardeer de initiatieven. Zie het enorme werk om een gedichtenwedstrijd op te zetten, een jury samen te stellen en alle ingestuurde gedichten te lezen.

Anonieme brandstof

Maar zodra je op ‘verzenden’ hebt gedrukt, lijk je voor veel organisaties niet meer te bestaan. De goede wedstrijden daargelaten. Sommige organisaties behandelen schrijvers als anonieme brandstof voor hun prestige. Uitslagen blijven uit, mails worden niet beantwoord en reglementen veranderen onderweg.

Eenmaal deelgenomen aan een schrijfwedstrijd krijg je, met de einddatum in zicht, vaak verzoeken om dit jaar weer mee te doen. Trots wordt bij het sluiten van de wedstrijd het aantal inzendingen vermeld. Bij andere wedstrijden worden de inzenders na weken wachten getrakteerd op een publieke bespreking op sociale media, waarin een grote groep wordt afgekraakt. De middelmatigheid wordt benadrukt, de winnaar wordt gehuldigd met de franje uit de digitale papierversnipperaar.

Door wat behaalde successen durfde ik bij hogere goden aan te kloppen. Ik stuurde mijn gedichten in het juiste lettertype op. ‘Geen uitleg erbij zetten en na afwijzing gaan we niet in discussie’, stond er al bij voorbaat bij. Na drie maanden, blijkbaar de standaard wachttijd in literair Nederland, werd ik afgesnauwd. Ze hadden het druk en werkten met vrijwilligers. Ze moesten zich nog door een enorme stapel ongevraagde kopij heen worstelen. Of ik mijn werk nog ter beoordeling wilde laten staan? Dat wilde ik, waarna ik nooit meer wat van ze hoorde. Ik voelde mij als een lastige lectuurvlieg in de wachtkamer van de literatuur.

Heel soms is er interesse in mijn werk, mits ik het halve gedicht wat aanpas. Een te grof woord wil filteren. Dan is er al blijdschap van mijn kant en de bereidheid mij nederig op te stellen. ‘Als de titel maar blijft’, denk ik dan wel schamper.

De macht van AI

Terwijl literaire bladen vechten voor hun voortbestaan en subsidies sneuvelen, groeit de macht van AI. Wanneer ik ChatGPT, nieuwsgierig naar het resultaat, vraag om een gedicht te schrijven, krijg ik een pompeus, clichématig brouwsel. ‘Sorry, ik was aan het hallucineren’, verontschuldigt de software zich als ik mijn ongezouten kritiek uit. Ik kan mij opeens verplaatsen in de strenge redacteur die middelmatig schrijfwerk moet beoordelen.

Het menselijk brein blijft onmisbaar; voor schrijvers, dichters en verhalenvertellers is er voorlopig nog genoeg werk aan de winkel. We hebben elkaar nodig: literaire bladen organiseren schrijfwedstrijden en bieden nieuwe auteurs een podium, terwijl schrijvers de bladen levend houden.

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next