De veelvuldig bekroonde Tasmaanse schrijver Richard Flanagan bestaat dankzij de atoombom. Die maakte een einde aan het zware werk dat zijn vader deed in een Japans krijgsgevangenenkamp. In zijn nieuwe memoir onderzoekt Flanagan hoe het persoonlijke en historische onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.
Als de atoombom op Hiroshima niet was gevallen, had hij niet geleefd. Zo begint Vraag 7, de onlangs vertaalde memoir van de Australische schrijver Richard Flanagan, bekroond met de Baillie Gifford Prize, de belangrijkste non-fictieprijs in het Angelsaksische taalgebied.
Flanagan, die in 2014 ook al de Man Booker Prize won voor The Narrow Road to the Deep North (onlangs verfilmd en nu te zien op Videoland), is daarmee de enige schrijver die zowel de belangrijkste Engelse fictie- als non-fictieprijs heeft gekregen.
Vraag 7 is een betoverend boek dat nauwelijks is samen te vatten omdat het zo ingenieus in elkaar steekt – alle verbanden vallen als een kettingreactie samen. Het begint met de atoombom op het Japanse Hiroshima waarbij naar schatting 78 duizend mensen in één klap het leven verloren, maar die juist het leven spaarde van Archibald ‘Arch’ Flanagan, Richard Flanagans vader.
Arch was op 6 augustus 1945, de dag dat de atoombom viel, uitgeput en ondervoed. Als dwangarbeider in Kamp Ohama, een berucht Japans krijgsgevangenenkamp waar voornamelijk Australiërs en Britten gevangenzaten, moest hij onder zware omstandigheden werken in de kolenmijn. Daar moest iedere krijgsgevangene dagelijks onmenselijke hoeveelheden kolen delven.
Arch wist dat hij het zware werk in de lange donkere tunnels niet lang meer zou volhouden.
Maar na de allesvernietigende bombardementen op de Japanse havenstad Hiroshima, en drie dagen later op Nagasaki, capituleerde het Japanse keizerrijk, werd zijn kamp bevrijd en kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog.
Arch Flanagan kon huiswaarts keren. Om precies te zijn: terug naar zijn geboorte-eiland Tasmanië, dat 240 kilometer ten zuidoosten van het Australische vasteland ligt. Daar, in zijn geboortestreek, ontmoette hij zijn vrouw. Samen kregen ze zes kinderen, onder wie Richard.
‘Ik ben mijn hele volwassen leven bewust geweest van de vreemde paradox dat ik besta dankzij de bom’, zegt Flanagan (1961), kind nummer vijf, vanachter zijn computerscherm.
‘Daarom heb ik er de afgelopen decennia veel over nagedacht. De atoombom wordt vaak gezien als een verhaal van een wetenschappelijke ontdekking, een politieke en historische onvermijdelijkheid, maar hoe meer ik erover las, hoe meer ik besefte dat het eigenlijk begon met een kus in een Edwardiaanse salon in 1911.’
In Vraag 7 beschrijft Flanagan hoe die kus tussen sciencefictionschrijver H.G. Wells (1866-1946) en de 26-jaar jongere journaliste Rebecca West (1892-1983) leidde tot de roman The World Set Free (1914), waarin Wells de mogelijkheid van een wapen zo sterk als de atoombom verzon. En hoe die roman in 1932 werd gelezen door de Hongaarse natuurkundige Leó Szilárd, wat hem vervolgens op het spoor bracht van de nucleaire kettingreactie, terwijl hij voor een stoplicht stond dat net op oranje sprong. En hoe dat uiteindelijk leidde tot het Manhattanproject en vervolgens tot het neergooien van de bom op Hiroshima in 1945.
‘Ik spreek jou nu omdat ruim 115 jaar geleden een jonge, briljante journalist een schrijver van middelbare leeftijd kuste, en daaruit zijn al die andere dingen voortgekomen’, zegt Flanagan vanuit zijn schrijvershuisje op het afgelegen Bruny Island voor de kust van Tasmanië. ‘Het is dezelfde bom die nu boven Iran, Gaza, Oekraïne en de rest van Europa hangt. En het begon allemaal met die ene kus.’
U bent het ontstaan van de atoombom vanuit romantisch perspectief gaan bekijken?
‘Meer dan ooit worden we aangemoedigd te geloven dat we in een tijdperk leven dat wordt bepaald door getallen en wiskundige feiten. We definiëren onszelf door middel van binaire codes die we algoritmes noemen. We laten ons bespioneren, en deze wiskundige codes dringen niet alleen ons privéleven binnen, maar ook onze dromen. Ze vormen onze nachtmerries. En ze parasiteren de belangrijkste emoties in ons. Haat, depressie, al die dingen worden gevoed door deze getallen.
‘Maar als je het gaat bekijken vanuit een poëtisch perspectief, en je ziet hoe mensen zich gedragen, en hoe dat wordt weerspiegeld in verhalen, dan kun je de bom ook op een totaal andere manier gaan zien, als een diep menselijke creatie. En dan ga je ook anders denken over de gevolgen en de oorzaken ervan.
‘We leven in een tijd waarin we worden aangemoedigd om snel te denken en meteen een mening te vormen, en die vervolgens ook nog eens sterk te verdedigen. Maar schrijven geeft de ruimte om dingen langzaam te laten bezinken. Voor mij is schrijven een vorm van denken.
‘Een goed verhaal onderzoekt vragen waarvan we niet eens weten dat we ze stellen. Dus het was tijdens het schrijfproces dat ik ontdekte wat het verhaal was. Sommige schrijvers beginnen met een blauwdruk en houden zich daar strikt aan, maar ik denk dat als je schrijft wat je weet, je niets schrijft dat de moeite waard is om te lezen. Schrijven moet een ontdekkingsproces zijn.’
Wat heeft u tijdens het schrijven van uw memoir ontdekt?
‘Ik ben met mijn vijf broers en zussen, opgegroeid op Tasmanië. We woonden aan de rand van de wereld, in een dorpje bij een regenwoud, in zekere zin aan het einde van de geschiedenis.
‘Maar het leven van mijn ouders, in al zijn nederigheid, was wel degelijk een antwoord op alle gruwelen van de geschiedenis. Zij gaven antwoord op een kleine maar diep menselijke manier: door middel van vriendelijkheid, liefde en humor.
‘En ik ben gaan inzien dat dit diepgaande dingen zijn die niet te vatten zijn in politiek, religie of ideologie. Dat liefde de wereld kan redden is een vorm van fictie, maar mijn ouders bleven die boodschap zo lang verkondigen dat hij werkelijkheid werd. En ik kwam tot het inzicht dat dit idee een vorm van magie was, en dat wat ik ooit naïef had gevonden, mijn eigen naïviteit was.
‘Mijn ouders waren niet naïef. Ze begrepen dat het bestaan zinloos is, maar dat liefde je in staat stelt erin te leven en er betekenis in te vinden. Mijn ouders waren geen bijzondere mensen, dat wil ik benadrukken, ze waren gewone mensen, maar ze hadden het nodige meegemaakt en dit was hun antwoord. Ik wilde dat zo goed mogelijk eren in dit boek, omdat ze allebei een aantal jaar geleden zijn overleden. Dit was een manier om iets van hen vast te houden.’
In Vraag 7 beschrijft u dat op de begrafenis van uw vader een onbekende man opduikt, een Afrikaanse immigrant, die niemand kende. Jullie kwamen er toen achter dat uw vader de afgelopen vijf jaar de energierekeningen van die man had betaald.
Flanagan begint te grinniken. ‘Ja, dat zei alles over mijn vader, hij vond het niet nodig ons daar iets over te vertellen, hij deed het gewoon. Mijn vader zei altijd dat geld net als stront is: als je het ophoopt begint het te stinken, maar als je het verspreidt gaan er dingen groeien.’
Ik las uw memoir als een eerbetoon aan uw ouders en aan uw land. Maar ik begreep dat u bent begonnen met schrijven vanwege een verkeerde diagnose?
‘Dat klopt, ik heb hier niet veel verteld toen mijn boek uitkwam, omdat ik niet wilde dat het melodramatisch overkwam. Het is nu komisch. Maar ik kreeg de vreselijke diagnose dat ik beginnende dementie had en dat ik nog maar twaalf maanden de tijd had om mijn zaken op orde te brengen. Toen ben ik begonnen met schrijven aan dit boek, omdat ik mijn dankbaarheid wilde uiten.
‘Als ik alles zou vergeten, moest ik het heel snel schrijven, dus ik heb het in elf maanden afgemaakt. Ik stuurde het manuscript naar mijn uitgever hier in Australië, met wie ik al dertig jaar samenwerk. Ik belde haar na een paar dagen op, doodsbang, want ik wist niet of het goed of warrig was geworden.
‘Dus mijn eerste vraag aan haar was: vertoont het tekenen van cognitieve achteruitgang? Ze begon heel hard te lachen en bleef maar lachen. Toen dacht ik: misschien heb ik nog langer dan twaalf maanden.
‘Een paar weken later moest ik nieuwe scans laten maken en weer naar de neuroloog. Het bleek een fout te zijn op de eerste MRI-scan. Alles was in orde. Het is een klein incident, een onbeduidend verhaal, maar het heeft me dit boek opgeleverd.’
In Vraag 7, dat overigens een verwijzing is naar een van de korte verhalen van de grote Russische schrijver Anton Tsjechov, beschrijft Flanagan hoe hij in 2012 zelf naar Japan ging om onderzoek te doen naar het oorlogsverleden van zijn vader. Bij de ingang van de mijn waar zijn vader en mededwangarbeiders ooit de klappen van bewakers probeerden te ontwijken, stond nu een zogenoemd ‘love hotel’ voor snelle opportunistische seks. De behulpzame vrouw in het plaatselijke museum van Ohama ontkende dat er überhaupt dwangarbeiders hadden gezeten. Oftewel, zoals Flanagan schrijft: ‘Geen enkel bewijs dat wat ooit gebeurd was ooit gebeurd was.’
In hoeverre was die reis een teleurstelling voor u?
‘Ik heb het niet als een deceptie ervaren. De mevrouw van het museum loog niet tegen me. Ze wist oprecht niet dat er krijgsgevangenen hadden gezeten. In mijn eigen land zijn ook buitengewone misdaden begaan tegen de inheemse bevolking, er hebben zich massaslachtingen en gruwelijke moordpartijen afgespeeld tegen de aboriginals. Het meeste daarvan is uit ons geheugen gewist. Er zijn geen monumenten. Als je op Tasmanië op bezoek zou komen en hiernaar zou vragen, zouden mensen ook zeggen dat er niets is gebeurd.
‘Toen die Japanse mevrouw zei dat er geen dwangarbeiders waren geweest, was ik wel verdrietig. Niet alleen omdat de mensen die daar hebben geleden en zijn gestorven niet in het geheugen van die plek voortleven, maar omdat het zo’n diep menselijke reactie is op dit soort tragedies: we kiezen ervoor ze niet te herinneren.
‘Ik ben overal in Japan aardig ontvangen, maar ik voelde daar ook de oneindige droefheid van wat het soms betekent om mens te zijn. We kunnen de grootste gruweldaden begaan en zijn vervolgens niet in staat ze te erkennen en in onze voortdurende verbeelding op te slaan. En zodra we ze uit ons collectieve geheugen laten verdwijnen, worden we weer vatbaar voor die misdaden, keer op keer. Dus we moeten blijven vechten tegen de menselijke neiging te vergeten.’
U schrijft dat herinneren evenzeer scheppen is als getuigen, en dat die twee zaken bij elkaar horen ‘als een boom bij zijn stam, vleugels bij een vogel, een verhaal bij een boek’. Maar scheppen en getuigen heeft toch ook iets tegenstrijdigs?
‘Sinds de Tweede Wereldoorlog is herinneren getuigenis afleggen, dat moet het ook zijn. Maar herinneren is ook scheppen. We kunnen ervoor kiezen om slechte verhalen te maken, verhalen die onszelf en anderen schaden, of we kunnen betere verhalen creëren.
‘Mijn vader koos uiteindelijk voor dat laatste. Ik heb een aantal krijgsgevangenen ontmoet die met hem in het kamp zaten. Zij voelden nog steeds bitterheid over de ervaring, maar mijn vader heeft het weten te destilleren tot een idee van liefde.
‘Hij zei bijvoorbeeld dat hij veel geluk had gehad in de kampen, omdat hij alleen maar hoefde te lijden. Het heeft me jaren gekost om dat te begrijpen. Maar hij bedoelde dat als je soldaat bent, het je taak is om mensen pijn te doen en mensen te doden. En dat is niet iets wat mensen, tenzij ze psychopaten zijn, willens en wetens doen zonder zichzelf grote schade toe te brengen.
‘Andere gevangenen herinnerden het zich anders, maar mijn vader herinnerde de daden van saamhorigheid en solidariteit, van vriendelijkheid en goedheid in het kamp. Zoals ik in het boek schrijf, vergat hij uiteindelijk zelfs het geweld. Hij werd 98 en zijn geest was tot het einde toe heel scherp en helder. Hij zei: ‘Ik weet dat ik in het kamp heb gezeten maar ik heb er geen herinnering meer aan.’ Dat was een bevrijding voor hem.’
Vraag 7 is in zekere zin ook een verhaal over natuur en tijd, en hoe anders daarnaar wordt gekeken op Tasmanië dan in Europa.
‘Dat klopt. De wereld waarin ik ben opgegroeid is totaal anders dan de Europese. Ik groeide op in een afgelegen mijnwerkersdorpje midden in een uitgestrekt oeroud regenwoud. De natuur had hier een kracht en een aanwezigheid die je in een Europese roman niet vindt. Daar is de plek van vrijheid de stad, de plek van onderdrukking is het platteland. Hier is het precies andersom. De plek van hoop en vrijheid is de wildernis.
‘Bovenal is er hier een ander tijdsbesef: tijd is circulair, niet lineair zoals in Europa. In mijn jeugd vertelden mensen verhalen die nooit echt begonnen en nooit echt eindigden, maar eindeloos afdwaalden.
‘Toen ik begon met schrijven, imiteerde ik Europese romans. Dus ik schreef over menigten en eenzaamheid. Maar ik had nog nooit een menigte gezien tot ik 24 jaar was en naar Londen ging. Het maakte me doodsbang.’
U ging toen naar Londen, in de jaren tachtig, omdat u een prestigieuze beurs had gekregen om aan de universiteit van Oxford te studeren. Maar u voelde zich bang?
‘Ik vond het doodeng. Dat er zo veel mensen kunnen zijn, terwijl niemand elkaar kent. Ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld.
‘Een grote stad is een grote eenzaamheid, en sommige mensen vinden daar bevrijding in, maar voor mij voelde het onvoorstelbaar beklemmend.’
Ook op de universiteit voelde u zich ongelukkig. Toen hij hoorde dat u een boek over de geschiedenis van Australië had gepubliceerd, vroeg een docent, een gevierde linkse historicus, wat Australië aan geschiedenis bezat, aan cultuur. ‘Het was een statement, geen vraag’, schrijft u.
‘Er was een jaar geleden een schandaal rond het college waar ik studeerde. Er werd ontdekt dat de drinkbeker waarmee docenten proosten, gemaakt was van de schedel van een slavin. Tot vrij recent werd die beker gebruikt. Dat zegt eigenlijk alles wat je moet weten over dat college in Oxford, over hun houding tegenover mensen die ze als minder beschouwden. Vanuit hun perspectief was ik dat ook, omdat ik uit de koloniën kwam.
‘Ik heb mijn master in Oxford gehaald. Maar die studieperiode ervoer ik als een enorme desoriëntatie. Want ik dacht dat ik geluk had dat ik daar was terechtgekomen, ik dacht dat ik grote geesten zou ontmoeten en in het centrum van iets zou komen. Maar wat ik zag, was een soort barbaarsheid.
‘En het meest schokkende van alles was dat veel mensen hetzelfde dachten over die plek, maar er hing een sfeer waardoor niemand het publiekelijk durfde te zeggen. Want als je eenmaal deel uitmaakt van de zogenoemde elite ben je erop gebrand het imago op te vijzelen in plaats van de waarheid te spreken.’
U noemt hem niet bij naam, maar u ontmoette daar ook de latere Britse premier Boris Johnson.
‘Ja…’
Hij vroeg u als zijn vicevoorzitter bij een interne verkiezing.
‘Ja, dat was belachelijk. Het was een politiek spelletje.’
Maar waarom zegt u dat? Hij kon u toch ook hebben gevraagd omdat hij u gewoon aardig vond.
‘Nee, nee, nee, hij was niet geïnteresseerd in mij als vriend. Hij zag er voordeel in mij te vragen, want hij moest het opnemen tegen een andere Australiër. Maar ik was totaal niet geïnteresseerd.
‘Het interessante eraan was dat er een soort wederzijds onbegrip was, hij begreep niet dat ik het niet wilde. En ik begreep niet dat hij dat niet begreep. Ik vond die hele verkiezing zo’n triviale verspilling van tijd.’
U werd in Oxford gezien als iemand uit de koloniën. U schrijft dat er op Tasmanië lang nauwelijks over de aboriginals werd gesproken. Hoe is dat nu?
‘De aboriginals of de Palawa hebben een lange strijd gevoerd voor erkenning. Daar wordt nu veel over gesproken. Het is opgenomen in ons onderwijssysteem. Vanuit het perspectief van een inheems persoon hebben ze niet de rechten die ze zouden moeten hebben.
‘Maar vergeleken met hoe het was toen ik jong was, toen hun bestaan zelfs werd ontkend, is het een buitengewone ontwikkeling. Er is veel trots onder inheemse mensen, niet zoals vroeger, toen ze hun afkomst gedwongen moesten verbergen. Dus dat is allemaal ten goede veranderd.
‘Dat brengt me bij een ander punt dat ik in mijn boek probeer te maken: er bestaat een cliché, vooral in academische kringen, dat kolonisatie plaatsvond en dat de Europese cultuur vervolgens volledig dominant was. Maar ik denk dat je daarmee de overgebleven kracht van inheemse culturen over het hoofd ziet.
‘Inheemse volkeren werden natuurlijk gekoloniseerd. Maar de Europeanen die kwamen, met name de arbeidersklasse, werden tot op zekere hoogte ook ‘verinheemst’. Ze namen inheemse waarden en denkwijzen over, bijvoorbeeld hoe we denken over tijd en over land. Dat zijn dingen die we hebben meegekregen van inheems Tasmanië, maar ze worden niet als zodanig erkend.
‘Dit maakt de Tasmaanse cultuur niet meteen inheems, maar wel niet-Europees. De cultuur is anders. Ik zie het als de taak van een schrijver om daarop te wijzen, op wat uniek en anders is. Niet om te oordelen, niet om te zeggen dat het beter of slechter is, maar er alleen op te wijzen, zodat anderen ernaar kijken en erover gaan nadenken.’
Vraag 7 zou uw laatste boek zijn, maar ik zie u nu zitten in uw schrijvershuisje. Betekent dat…?
Begint te grinniken: ‘Ja, ik ben weer begonnen met schrijven. Ik ben ongeveer twee jaar gestopt, want het is niet verwonderlijk dat je, als je te horen krijgt dat je leven voorbij is, best blij bent als dat niet het geval blijkt. Dus ik vond het fijn om gewoon bij mensen te zijn.
‘Maar nu ben ik hier, op een klein eiland tussen de rondlopende wallaby’s. Mijn vrouw werkt in de stad, zij reist heen en weer. Als ik een boek schrijf, breng ik hier veel tijd door. Ik ben eigenlijk best sociaal, dus hier zitten is een soort gedwongen eenzaamheid. Hier heb ik geen excuus om niet te werken.
Flanagan wijst naar het raam: ‘Er zit hier in de bomen het snelste papegaaitje ter wereld. Het is een schattige kleine groene papegaai, er zijn er nog minder dan vijfhonderd van over, over tien jaar is hij waarschijnlijk uitgestorven.
‘Er zwemmen vissen in de baaien hier vlakbij. Gevlekte handvissen, daar zijn er minder dan tachtig van over in het wild. Ze bestaan al miljoenen en miljoenen jaren. Elke keer dat een van deze soorten verdwijnt, verdwijnt er iets van onszelf, van onze eigen mentaliteit, mee. Die oude gemeenschappelijke wereld van mijn ouders en de fysieke wereld die aan het verdwijnen is, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daar gaat Vraag 7 in wezen ook over. Maar ik wilde geen droevig maar een hoopvol boek schrijven.
‘En ik dacht terug aan het verhaal dat mijn vader me vertelde. Hoe hij, toen hij terugkwam uit de oorlog, met de trein over het eiland reisde, naar het bos, de rivieren en de stranden ging, en bij familie en vrienden op bezoek ging. Op deze eenvoudige plekken, de wereld waar hij vandaan kwam, vond hij goedheid en liefde, en hij had weer iets om voor te leven. Het boek is eigenlijk een soortgelijke reis.’
Richard Flanagan: Vraag 7. Uit het Engels vertaald door Thijs van Nimwegen. Uitgeverij Koppernik; 248 pagina’s; € 24,50.
1961 Geboren op Tasmanië
1984 Na een studie aan de Universiteit van Tasmanië ontvangt hij een Rhodesbeurs om naar Worcester College in Oxford te gaan, waar hij de graad ‘Master of Letters’ in Geschiedenis behaald
1985 Non-fictieboek A Terrible Beauty: History of the Gordon River Country
1994 Romandebuut Death of a River Guide
1997 Roman The Sound of One Hand Clapping
2008 Werkt samen met Baz Luhrmann als scenarioschrijver aan de film Australia
2001 Roman The Book of Gould
2013 Roman The Narrow Road to the Deep North
2014 Krijgt de Man Booker Prize voor fictie (voor The Narrow Road to the Deep North)
2023 Non-fictieboek Question 7
2024 Krijgt Baillie Gifford Prize voor Question 7
2025 De televisieserie The Narrow Road to the Deep North, geregisseerd door Justin Kurzel en met Jacob Elordi in de hoofdrol, wordt vertoond op het filmfestival de Berlinale
2026 Nederlandse vertaling Vraag 7
Richard Flanagan is getrouwd en heeft drie dochters.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant