Column Dit kabinet maakt moeilijke keuzes en smeert de kiezers geen stroop om de mond, schrijft Marike Stellinga. Maar dat is niet genoeg om alle uitdagingen die nu spelen het hoofd te bieden.
Het lijkt een eeuw geleden, toch is het pas een jaar: de val van het kabinet-Schoof. Na elf maanden ‘regeren’ had Geert Wilders er op 3 juni 2025 geen zin meer in. VVD, NSC en BBB bleven beteuterd achter.
De tijd van gratis bier uitdelen moet nu echt voorbij zijn, schreef ik na de val. Politieke partijen moesten stoppen met beloven dat alles tegelijk kan: meer woningen, goedkopere zorg, meer defensie, betere natuur. Zonder dat ook maar één sector hoeft in te schikken of Nederlanders het voelen in de portemonnee. Dat kan niet. Er zijn simpelweg niet genoeg arbeidskrachten, er is niet genoeg ruimte om al die beloftes waar te maken.
Ik kreeg wat ik wilde. Een jaar later zit er alweer honderd dagen een kabinet dat geen gratis bier uitdeelt. Dat moeilijke keuzes maakt (versoberingen in de zorg en de sociale zekerheid), en geen stroop om de mond van kiezers smeert. Niet in het regeerakkoord en niet tijdens de eerste grote test: de energiecrisis door de oorlog tegen Iran. Ondanks grote druk vanuit de radicaal-rechtse oppositiepartijen en de SP, vanuit bedrijvenverenigingen en vakbonden, kwam het kabinet met een sober steunpakket, precies zoals economen adviseerden.
Toch hoorde ik deze week overal negatieve recensies van het kabinet-Jetten (D66, VVD, CDA). Het minderheidskabinet krijgt weinig voor elkaar, jaagt de vakbonden tegen zich in het harnas door een afspraak uit het pensioenakkoord te laten vallen. De coalitie stelt zich op als een meerderheidskabinet. Ze heeft onderlinge afspraken gemaakt over bezuinigingen die onwrikbaar lijken. En het kabinet is geen eenheid, de VVD gedraagt zich als een oppositiepartij.
Het bange vermoeden rijst dat dit zelfbenoemde doorbraakkabinet – Aan de slag – ook tot stilstand komt op een modderig pad. Dat is op zoveel fronten slecht dat ik er buikpijn van krijg.
Deze week bleek dat het vertrouwen in de politiek en de democratie vorig jaar verder is gedaald. Nog maar 19 procent van de kiezers had in 2025 vertrouwen in de Tweede Kamer, blijkt uit het Nationaal Kiezersonderzoek. In 2023 was dat nog 30 procent.
Regeringen beloven veel en bereiken weinig. En dat vreet aan het vertrouwen. 2025 was een jaar met „een opvallend gebrek aan vooruitgang”, zei Pieter Duisenberg, president van de Rekenkamer half mei in de Tweede Kamer.
Maar de beloftekloof bestaat al langer, blijkt uit het jaarlijkse onderzoek van de Rekenkamer naar wat er van regeringsplannen terecht komt. Het stikstofprobleem wordt maar niet opgelost. Duisenberg: „Ik heb het gevoel dat Nederland stil is blijven staan, terwijl de wereld om ons heen steeds meer vaart lijkt te maken.” Hij riep al eerder samen met de Nationale Ombudsman en de Raad van State op tot een „realistische overheid” die alleen zou moeten beloven „wat zij kan doen”.
Het onvermogen om problemen op te lossen komt heel slecht uit, want juist nu is er behoefte aan excellent bestuur en een effectieve regering. De opdracht is enorm. Er moet namelijk in hoog tempo worden gebouwd, hele sectoren moeten worden hervormd én er is ontzettend veel achterstallig onderhoud in de collectieve sector.
Eerst het bouwen: veel meer woningen, een zwaarder stroomnet, een veel grotere defensiemacht. Dan het hervormen: de landbouw en de industrie moeten milieu- en klimaatvriendelijker worden gemaakt. Dat zijn al enorme klussen, maar daarbij komt zorgwekkend veel achterstallig onderhoud.
Kijk alleen al naar alle verwaarloosde bruggen, wegen en sluizen waarvoor ook dit kabinet te weinig geld vrijmaakt. Of naar de problemen bij de uitvoerders van de overheid die vastlopen in ingewikkelde regels. Ook de dalende leesvaardigheid van kinderen schreeuwt om aandacht.
En dit moet allemaal gebeuren in een wereld die ingrijpend verandert zonder dat we precies weten hoe. Bijvoorbeeld door AI. En doordat we niet meer onnadenkend kunnen leunen op onze oude bondgenoot de Verenigde Staten. En doordat nieuwe grootmacht China zijn economische macht inzet als wapen. Dus moeten we ook nog eens minder kwetsbaar en afhankelijk worden, bijvoorbeeld door een grotere eigen IT- en defensie-industrie op te bouwen.
Man, het is zoveel. Als Nederland een huis was, dan is er een probleem met de fundering, de pijpleidingen en bedrading, het dak en de kozijnen terwijl een langdurige storm opsteekt.
In theorie zou een minderheidskabinet zulke grote veranderingen prima kunnen bewerkstelligen. Als ik naar de verkiezingsprogramma’s kijk, liggen er allerlei compromissen tussen linkse en rechtse middenpartijen voor het oprapen op het gebied van stikstof, woningbouw en economie.
Maar dat lukt niet als de VVD ijzerenheinig vasthoudt aan de financiële afspraken van drie coalitiepartijen met 66 zetels. En oppositiepartijen zich in een financieel korset voelen ingesnoerd dat niet van hen is.
De eerste grote test is het stikstofplan dat de nieuwe landbouwminister Jaimi van Essen (D66) deze maand presenteert. Als het dit kabinet lukt om dat probleem eindelijk op te lossen, zou dat een enorme stap vooruit zijn.
De tweede grote test is of dit kabinet al die miljarden euro’s extra voor defensie zinnig uitgeeft en er zoveel mogelijk veiligheid voor koopt. De eerste tekenen stellen niet gerust. Defensie is pas net begonnen en krijgt nu al kritiek van de Rekenkamer over hoe het dat doet.
Als ik nadenk over wat we allemaal moeten doen, dan is dat ontmoedigend veel. Maar Nederland is een welvarend land met een economie die beter draait dan die in de landen om ons heen, we zijn slim. En niet alle verantwoordelijkheid om dit op te lossen ligt bij het kabinet. Het ligt ook bij vakbonden, bedrijven, boeren, burgers, gemeenten, provincies en de rest van het parlement. Bij ons allemaal.