Jaap van Dissel, oud-directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, voorafgaand aan het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie corona.
Jaap van Dissel legde het allemaal nog één keer uit, vrijdag bij de parlementaire enquêtecommissie naar de bestrijding van de coronacrisis. De voormalige voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT) en directeur van het Centrum voor Infectieziektebestrijding van het RIVM, liet tijdens het ruim drie uur durende verhoor duidelijk merken hoe hij tegen de vragen van de commissieleden aankeek.
„U vergeet het belangrijkste te melden.”
„Ik wil u wel corrigeren.”
„U maakt een te groot onderscheid.”
„U maakt het veel te zwart-wit.”
„Ik begrijp dat […] u blijkbaar wilt duiden dat wij deficiënt waren. Maar dat klopt niet.”
Die laatste opmerking vatte het verhoor samen: in grote lijnen vond Van Dissel dat hij tijdens de coronacrisis met de kennis van toen eigenlijk altijd de juiste besluiten had genomen. En dat de commissie met haar vragen de complexiteit van de situatie onderschatte en te veel uitging van kennis achteraf.
Er waren genoeg vragen, voorafgaand aan het verhoor. Had het OMT het karakter en de ernst van het virus niet onderschat, waardoor de landelijke reactie te laat op gang kwam? Was de rol die carnaval bij de virusverspreiding kon spelen niet verkeerd ingeschat? Waren de RIVM-testrichtlijnen niet te beperkt, waardoor aan het begin van de uitbraak zieken onopgemerkt het virus konden verspreiden? Gaven politici niet te veel macht aan het OMT?
De commissie stipte deze onderwerpen wel aan, maar diepte ze zelden uit. Haar vragen waren ongericht, onnauwkeurig en niet gedetailleerd. Daardoor kon Van Dissel steeds in uitgebreide volzinnen vertellen waarom de commissieleden het niet goed begrepen, het allemaal nét even anders lag, waarom hun veronderstellingen niet klopten.
Jaap van Dissel: „We hebben veel te veel op de WHO vertrouwd. Ik had kritischer moeten zijn.”
Een voorbeeld was de vraag van de commissie over de testrichtlijnen halverwege maart 2020. Die waren zo streng dat veel potentiële virusdragers niet voor een coronatest in aanmerking kwamen en ze in het maatschappelijk verkeer aan de verspreiding van het virus bijdroegen.
Van Dissel wuifde kritiek op die richtlijnen weg. „U houdt vast aan een casusdefinitie die blijkbaar op een website staat, maar de praktijk van testen ging al heel anders.” Maar die website was de site van zijn eigen RIVM, waar huisartsen en de GGD zich bij het testen op baseerden. Van Dissel bedoelde dat binnen ziekenhuizen wel vaker werd getest, maar de kritiek in 2020 was juist dat veel mensen met corona het ziekenhuis helemaal niet haalden, en dat testen nodig waren om het virus in beeld te houden.
Van Dissel leek tijdens het verhoor twee tegengestelde meningen uit te dragen over testen: ja, het was heel belangrijk en werd goed toegepast. En nee, eigenlijk had intenstief testen geen zin. Voor dat laatste gebruikte hij een apart argument: zonder voldoende testmateriaal, teststraten en medewerkers om daarna contacten van de virusdrager op te sporen, werkt het niet. En dat alles ontbrak, dus testen had geen zin. Anders gezegd: die redenering was niet gebaseerd op inzichten vanuit de volksgezondheid, maar op haalbaarheid en schaarste. Terwijl hij tijdens het verhoor benadrukte dat dit soort zaken juist om een politieke afweging vroegen en niet bij het OMT thuishoorden.
Ook het onderkennen van de snelle verspreiding en de ernst van het virus had Van Dissel naar eigen zeggen goed gedaan. Het was nou eenmaal zo dat sprake was van veel onzekerheid, en dat ze zich op gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) baseerde. „We hebben daar veel te veel op vertrouwd”, zei Van Dissel. „Ik had kritischer moeten zijn.”
Maar buiten de WHO waren er ook allerlei andere bronnen, niet in het minst de mediaberichten uit China. Terwijl in Wuhan inmiddels noodziekenhuizen werden gebouwd, twitterde het RIVM op 28 januari bijvoorbeeld: „De ziekte lijkt, met wat er nu bekend is, niet heel besmettelijk. De ziekte lijkt ook niet makkelijk van mens op mens overdraagbaar.” Ook daar vroeg de commissie niet op door.
Evenals toen Van Dissel uitlegde dat een Duitse studie „ons de ogen opende” dat besmetting zonder symptomen kon plaatsvinden en het virus zich dus veel sneller zou verspreiden. Maar op Twitter wuifde het RIVM toentertijd die studie juist weg, omdat die „veel fouten” zou bevatten. Ook daar vroeg de commissie niet naar, noch naar het gebrek aan aandacht voor carnaval, dat het virus rap onder zuidelijke Nederlanders verspreidde, een mogelijkheid die Van Dissel destijds bagatelliseerde.
Een belangrijk onderwerp is of wel snel genoeg was gehandeld, nadat duidelijk was geworden – begin maart 2020 – dat het virus al veel meer rondwaarde onder de Nederlandse bevolking dan gedacht. Toen besloot arts-microbioloog Jan Kluytmans, eveneens OMT-lid, alle patiënten en medewerkers van het Brabantse Amphia-ziekenhuis te testen. Hij twijfelde aan dat je uit een risicogebied moest komen, zoals China of later Noord-Italië, om in aanmerking te komen voor een coronatest. Steeds meer patiënten waren tenslotte helemaal niet in deze regio’s geweest, maar wel doodziek geworden.
Op 4 maart deelde Kluytmans de bevindingen met Van Dissel: er waren al veel meer mensen besmet dan gedacht. Carnaval had misschien een „superspreidend effect” gehad.
Voor Van Dissel was dit een eye-opener. „De besmettingen voldeden niet aan het gangbare ziektebeeld. Dit kunnen we nooit meer indammen, dacht ik toen”, zei hij vrijdag. Vanaf dit moment was volgens Van Dissel alles erop gericht de stijgende grafieken om te buigen en de intensive care-afdelingen niet te laten overstromen. Toch duurde het acht dagen voordat het kabinet daartoe maatregelen afkondigde. Dus vroeg de commissie: waarom duurde dat zo lang?
„Dit punt is veel ingewikkelder dan u denkt”, zei Van Dissel. Hij betwijfelde of het veel had uitgemaakt als de keuze om mensen zoveel mogelijk thuis te houden een paar dagen eerder was gemaakt. „Je zou zo’n virus dan telkens moeten onderdrukken.” Hij wees op het inzicht dat je dan om de haverklap de samenleving moest dichtgooien, omdat na iedere opening het virus weer de kop zou opsteken.
Jaap van Dissel „wil absoluut niet zeggen” dat het kabinet zich achter het OMT verschool.
En dat had nadelen: „Een verkeerde maatregel te vroeg gekozen, kan de boel volledig verpesten. Ik weet niet of mensen in Nederland daar achter zouden staan. En als mensen zich daar niet aan houden: hoe krijg je dan het vertrouwen terug?”
Van Dissel maakte duidelijk dat hij tegen wil en dank het boegbeeld van de virusbestrijding was geworden. Het kabinet had adviezen van het OMT heilig verklaard en wees ook steeds naar de medische experts na impopulaire besluiten. Dat het kabinet zich verschool achter het OMT, „wil ik absoluut niet zeggen”, aldus Van Dissel, maar het maakte de positie van het OMT en haar voorzitter wel „kwetsbaar”.
Aan het eind wilde Van Dissel nog één ding zeggen: als hij „zo nu en dan fel en gepassioneerd” overkwam, dan was dat omdat hij „veel passie” voor het onderwerp voelde.
Van Dissel wordt nog een tweede keer verhoord, over onder meer mondkapjes, de avondklok en het coronatoegangsbewijs.