Home

Kinderboekenschrijver Pieter Koolwijk: ‘Mensen vonden mij een rotjochie, maar ik heb altijd het gevoel gehad: ik kan meer’

Kinderboeken Pieter Koolwijk, winnaar van de Kinderjury-prijs en eerder ook al van de Gouden Griffel, schreef zijn kinderboeken tot voor kort naast een baan als ict’er bij de gemeente Emmen. „Als je schulden hebt gehad, word je heel voorzichtig.”

Pieter Koolwijk in zijn werkkamer in Zwolle.

Waarom kom je niet gezellig bij mij zitten schrijven, vroeg zijn vriendin Linda soms toen ze elkaar net kenden. Zij woont in Leeuwarden, hij in Zwolle. Maar dat wil Pieter Koolwijk niet. Schrijven doet hij in zijn eigen werkkamer, tussen de plankjes met favoriete kinderboeken en zijn lievelings-fantasyreeks. Hij is gehecht aan zijn toetsenbord, met van die ratelende dikke toetsen. Op platte toetsen slaat hij vaak mis. Op zijn koptelefoon luistert hij naar hardstyle.

Een keer was Linda als verrassing langsgekomen, vertelt hij. Op een schrijfdag. „Toen was zij er ineens – haaai! Maar Linda leest mij als een malle, dus zij vroeg meteen: wat is er? Ik zei: ik vind het echt leuk om je te zien. Maar… hoelang blijf je?”

Inmiddels weet kinderboekenschrijver Pieter Koolwijk (52) hoe zijn hoofd werkt. In dat hoofd is het vaak „druk”, zegt hij. Maar het houdt ook van routines. Elke dag lunchen met hetzelfde speltbrood van de Jumbo, en hetzelfde beleg. Als hij afspreekt met zijn beste vriendin Sanne Rooseboom, ook kinderboekenschrijver, doet hij dat het liefst in dat ene tentje precies tussen hun woonplaatsen in. En als hij schrijft, verdwijnt hij soms in „hyperfocus”, intense concentratie waardoor hij uren onafgebroken door kan.

Sinds 2012 schreef hij veertien kinderboeken – dat deed hij tot voor kort naast een baan als ict’er bij de gemeente Emmen. Een rugzak vol (2025) won vorige maand de Kinderjury-prijs in de categorie 10 tot en met 12 jaar, een populariteitsprijs. Voor Gozert (2020) won hij de Gouden Griffel, door velen gezien als de belangrijkste jeugdliteratuurprijs.

Mensen vragen hem sindsdien met welke prijs hij blijer is. „Ik zeg steeds: ik vind die combinátie zo lekker. Dus ik kies niet.” De laatste schrijvers die beide prijzen bij leven wonnen, zijn Jan Terlouw en Thea Beckman, ruim dertig jaar geleden. Annie M.G. Schmidt won een Gouden Griffel voor Otje (1981) en kreeg de Kinderjury-prijs voor het postuum uitgegeven Pluk redt de dieren (2005).

Alle boeken van Pieter Koolwijk zitten bomvol fantasie, versterkt door de kleurrijke illustraties van Linde Faas. In de rugzak van hoofdpersoon Obi uit Een rugzak vol wonen pratende wezentjes: een plant, een druppel, een vlam en nog een paar, die Obi steeds vertellen wat hij moet voelen of doen. Gozert is de onzichtbare vriend van hoofdpersoon Ties, ze zijn onafscheidelijk, maar van de volwassenen moet Gozert uit Ties’ leven verdwijnen. De kinderen over wie Koolwijk schrijft vallen vaak net (of ver) buiten de groep, en zoeken de grenzen op. En tussen de avonturen door gaat het over serieuze onderwerpen: gescheiden ouders, pesten, de dood, psychiatrie.  

In Gozert moet Ties naar een psychiatrische instelling, waar hem medicijnen worden opgedrongen. Een spannend thema voor een kinderboek.

„Kinderen vinden het een grappig boek. Ouders, die vinden het soms ingewikkeld. En iemand die in de kinderpsychiatrie werkt ging tekeer in mijn dm’s op Instagram: zo gaat het helemaal niet. Maar kinderen weten heus wel dat het niet echt is. Het is spannend en interessant, maar niet echt. Volwassenen snappen in het begin van Gozert soms ook niet dat fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen, die willen meteen alles kaderen. Iemand zei een keer: de boeken van Pieter Koolwijk zijn bijna psychotisch.” Brede grijns. „Het is gewoon fantasie, weet je. Daar zitten de verhalen waarmee ik opgegroeid ben ook vol mee. Roald Dahl. En Alice in Wonderland, dat is toch ook één grote trip? Dat vond ik geweldig.”

Pikken kinderen die zwaardere thema’s in je boeken op?

„Mijn ex-schoonvader, de opa van mijn dochter Nora, zei: onderschat nooit een kind. Ik ga veel op bezoek bij scholen om over boeken te praten, en ze snappen soms zoveel. Dan steekt een kind z’n vinger op en zegt: gaan die boeken over Gozert [er zijn er drie] ook over je hoofd, hoe je je daar voelt? Ja, zeg ik, mentale gezondheid is daar een mooi woord voor, daar gaat het héél erg over. Dan zie ik sommige andere kinderen kijken, huh, het is toch gewoon een gek avonturenboek?”

Heb je een bepaalde groep kinderen als lezers in je hoofd, als je schrijft?

„Ik ben een onwijze egoïst.” Hij lacht. „Wat vind ík nou leuk? Iedereen die wil schrijven zou ik adviseren: schrijf waar je zelf blij van wordt. Wees niet bezig met: dit willen kinderen lezen.”

Je schrijft vaak over kinderen die over grenzen gaan, uitdagen, of weglopen omdat je daar zelf enthousiast van wordt?

„Ja, maar het is ook gewoon mijn eigen referentiekader. Ik heb net de boeken van Jason Reynolds gelezen” – een Amerikaanse auteur van jeugdboeken en poëzie – „en hij schrijft over opgroeien in armoede en opgroeien met een zwarte huidskleur. Ik kan dat niet schrijven, want ik heb dat niet meegemaakt. Mijn boeken zitten vol neurodiverse mensen. Het gaat over ADHD, over autisme, over mentale gezondheid.”

Jij voelde je als kind niet thuis in de wereld, vertelde je in Het Klokhuis.

„Mensen vonden mij een rotjochie. Ik wás ook altijd aan het klieren. En ik dacht nooit na over de gevolgen. Fikkie stoken, en toen stonden alle bosjes om de gymzaal in de hens. Ik dacht op een gegeven moment ook: wat maakt het uit wat ik doe, ik krijgt toch wel op mijn kop. Ik weet nog dat de politie een keer bij ons aan de deur kwam. Mijn vader keek naar mij… Maar ze kwamen helemaal niet voor mij. Toen dacht ik: zie je nou, ik ben niet altijd dát.”

Je had één juf die jou wel zag.

„Ja, zij gaf me niet op mijn kop, ze gaf me complimentjes. Dat heb ik zó nodig in mijn leven.”

Waar kreeg je complimentjes voor?

„Nou, ze vond me een ‘guitig joch’. Dat weet ik nog wel. Ik hield van grapjes maken. En ik ben altijd eerlijk, dat was ik toen ook wel. Ik heb ook wel gepest, maar dat was meelopen, omdat ik bang was om zelf gepest te worden. Ik denk niet dat ik een gemeen rotkind was. Dat hoop ik in ieder geval. Die juf ben ik later nog een keer tegengekomen, toen ik postbode was. Ik was iets van 25. Pieter, jij bent een laatbloeier, zei ze. Het komt wel goed met jou.”

Met Een rugzak vol won Pieter Koolwijk de Kinderjury-prijs.

Pieter Koolwijk deed de mavo, begon daarna aan verpleegkunde – zijn moeder was ook verpleegkundige – maar maakte dat niet af. De narigheid die hij zag op de afdeling oncologie, waar hij stage liep, vond hij te zwaar. Daarna deed hij van alles. Postbode. Magazijnmedewerker. Houtwormbestrijder. En hij vond het allemaal niks. „Ik heb altijd het gevoel gehad: ik kan meer. Dat is me nooit verteld, dat was mijn eigen overtuiging. Ik had dat gevoel héél sterk. Ik weet niet waarom.”

Toen hij met zijn vrouw – inmiddels zijn ze uit elkaar – en dochter van Alphen aan den Rijn naar Emmen was verhuisd, begon hij met schrijven. Eerst fantasy-verhalen, in de avonden. Toen hij een keer een schrijfwedstrijd had gewonnen, zei zijn vrouw: misschien moet je een kinderboek schrijven, hij was immers zelf een groot kind. In 2012 kwam zijn eerste boek uit: Vlo en Stiekel.

Ict’er bij de gemeente Emmen lijkt me voor jou ook niet de droom. Waarom ben je daar pas vorig jaar mee gestopt? Je had al langer succes als schrijver.

„Ik heb heel veel gedoe met geld gehad, schulden. Als je die kant hebt meegemaakt, word je heel voorzichtig. Mijn vader was blijer dat ik bij de gemeente werkte dan dat ik een boek uitbracht. Bij de gemeente zit je gebakken, je wordt nooit ontslagen – of je moet het heel bont maken. Dat zijn wel stemmen die in je hoofd blijven plakken.”

Hoe kwam het, die schulden?

„Ik heb altijd met geld lopen klooien. Niet goed uitrekenen hoeveel geld ik had – oh dan schuif ik die rekening wel even door naar volgende maand. Oh, nu gaat de auto stuk, maar ik heb geen spaargeld. Ik leen wel even wat. Terwijl ik die auto niet eens nodig had, als ik erop terugkijk. Oh ja, en ik rookte, dat kost veel geld.

„Ik liet altijd de buitenlamp aan zodat ik meteen kon zien of de stroom er nog op zat, als ik thuiskwam. Er is een keer iemand aan de deur geweest om de stroom af te sluiten, toen zei ik: ik ga het nú regelen, echt waar. Toen moest ik het à la minute overmaken. Maar ik ben wel een keer uit mijn autoverzekering gegooid. Ik bleek al een maand te hebben rondgereden zonder verzekering, want ik maakte mijn post niet open. Die legde ik op een stapel. En dan verplaatste ik die stapel op gegeven moment naar een plek waar ik hem niet kon zien. Maar dan groeide er weer een nieuwe stapel. Daar krijg je stress van hoor, dan ga je niet zomaar je baan opzeggen. Als mensen zeiden: jij kunt toch allang stoppen, raakte ik geïrriteerd. Ik heb negatief fortuin, zei ik dan.”

Tekst gaat verder onder afbeeldingen.

En nu?

„Een tijdje geleden heb ik alles afbetaald, nu is het gewoon goed.”

Vind je het lastig om het zo te houden?

„Nee. Ik heb een boekhouder nu.”

Vond je het gênant? Dat je mooie boeken schreef, maar ook schulden had?

„Ik vind het nog steeds gênant. Ik praat makkelijker over drugs en ellende dan hierover.”

Waarom?

„Jaaa… Omdat het mijn eigen stomme rotschuld is.”

Drugs ook.

„Ja, maar met drugs heb ik wel mooie dingen meegemaakt, geleefd – ik was een gabbertje, we gingen door heel Nederland naar die feesten. Maar dit had anders gemoeten.”

In de woonkamer hangt een reusachtige Millennium Falcon van Lego, het ronde grijze ruimteschip uit Star Wars. Ruim 7.500 stukjes. „Daar heb ik wel een paar weken over gedaan.” Eronder: een paar sets van Zelda, een favoriete game. Boven de bank staat een rijtje Star Wars-personages van Lego opgesteld, aan de overkant nog wat ruimteschepen.

Vroeger ging hij blowen om rustig te worden. „In plaats van honderd gedachten die door elkaar heen gaan, zakt alles neer en blijft er één spoor over. Gewoon één. Dat je denkt: hè, lekker.” Nu helpt Lego’en. En sporten, hij bokst. „En schrijven. Als alles chaos is, dan kan ik gewoon aan het werk gaan. Dat is altijd goed, want daar verdien ik geld mee. En dan stap ik in die andere wereld, dan ben ik díé persoon.”

Op zijn 31ste wilde Pieter Koolwijk weten of hij ADHD heeft. „Ik had een vermoeden, mensen zeiden het ook tegen mij.” De psychiater oordeelde: ADHD-NOS, ofwel not otherwise specified, niet anderszins omschreven. Dat betekent: wel prominente ADHD-kenmerken, maar niet alle. Inmiddels bestaat deze diagnose niet meer. Hij begreep het destijds zelf als: ik heb ook kenmerken van autisme.

De psychiater vond het volstrekt logisch dat hij ritalin zou gaan slikken. „Maar ik wilde helemaal geen medicijnen. Ik wilde gewoon wat handvatten. Dus toen ben ik naar een psycholoog gegaan. Die zei dingen die ik misschien wel wist, maar die gewoon nog een keer gezegd moesten worden.” Al dat geregel met die rekeningen thuis, vond hij bijvoorbeeld, dat hoefde híj toch niet te doen? „Ik zei: ik verzuip erin, en ik heb ADHD, dus het is echt ingewikkeld voor mij. Die psycholoog zei: je hebt helemaal gelijk, maar het hoort erbij, of je nou ADHD hebt of autisme of wat dan ook. En als je het niet kan, dan zorg je dat iemand anders het voor je doet. Dan moet je hulp zoeken.”

Vorig jaar ging het weer even wat minder. Niet met geld, maar in zijn hoofd. „Ik had het heel druk. En ik was gestopt met roken. En toen werd ik ineens helemaal licht in mijn hoofd toen ik in de auto reed. Nou, dat is eng. Dus ik kreeg een soort paniekaanval. En dat maakte ik daarna veel groter.” Zijn grote fantasie kan dan zomaar omslaan in „ellendige fantasie”. Daarna voelde hij zich tijdens een overleg weer een keer raar. „Wat gebeurt er, ik kan niet weg hier, ik heb het benauwd – en toen kreeg ik weer een paniekaanval. Midden op de dag.”

Inmiddels weet hij dat hij een lage bloeddruk heeft. Die was gedaald na het stoppen met roken. „En van de huisarts moest ik weer gaan sporten.”

Je bent de afgelopen jaren veel op scholen geweest. Wordt nu anders omgegaan met kinderen die zijn zoals jij vroeger?

„Jawel. De ADHD’ers hebben wiebelkussens. En ze mogen een rondje rennen om de school als ze onrustig zijn. Kinderen met autisme hebben koptelefoons. Het gaat er denk ik vooral om dat mensen snappen: dit kind steekt wat anders in elkaar, dus die heeft misschien wel dit nodig, of dat.

„Tegelijk vind ik dat het soms ook wel weer wat korter en strenger mag. Ik was vroeger bang voor mijn ouders – je wil natuurlijk niet dat een kind bang voor je is, ik heb Nora ook nooit geslagen of wat dan ook. Ze is nu 21, maar toen ze jong was, kon ik wel heel streng zijn. Nú is het klaar. Maar Nora, echt niet normaal, die praatte áltijd terug. Haar moeder ging ook altijd met haar in gesprek – daar verschilden we wel in, qua opvoeding. Nora is gewend: mijn mening doet ertoe. Dat is heel mooi en die mening doet er ook zeker toe, maar soms moet je gewoon je kop houden en luisteren. Ook ik.”

Voor jou werkte zo’n strenge aanpak als kind niet.

„Nee, maar waar ik echt nog wel goed door gevormd ben is dienstplicht. Ik vond het vreselijk hoor, maar ik kijk er toch positief op terug. Op mijn eerste dag stonden we met z’n allen in de houding, en zo’n sergeant stond tegen ons te schreeuwen. We hadden allemaal een bordje met onze achternaam opgeplakt. Maar er was ook een jongen die Pieter heette van zijn achternaam, dus ik had stiekem een bordje met ‘Pieter’ opgedaan. Vond ik briljant. Toen kwam die sergeant voor me staan. Zó dichtbij. En hij begon tekéér te gaan. Dus ik zeg: man, als je fluistert dan hoor ik je nog. En een pepermuntje kan ook geen kwaad.”

En toen?

„Toen mocht iedereen naar binnen om te lunchen. En ik moest buiten in de houding blijven staan.”

Wat heb je van die tijd geleerd?

„Soms win je het gewoon niet. Of het heeft geen nut, weet je. Vorig jaar heb ik een nieuwe auto gekocht en ik heb er al een keer een zwaan op gehad en m’n dochter is tegen een paal gereden. Kon ik allebei niks aan doen. En daarna kwam ik hier verderop een keer de straat inrijden, en een vrouw kwam de hoek om gereden. Die zat letterlijk zó” – hij houdt zijn platte hand voor zijn gezicht – „op haar telefoon. Ik zag het gewoon. En ik rem, want we passen niet allebei. Ik toeter nog en ze kijkt op het laatste moment op, en ze klapt zo op mijn auto. Helemaal beschadigd en alles. Ik kóókte, ik was woedend. Zij kwam uit die auto en zei: ik zag je niet. Nee! Je zat op je telefoon! Helemaal niet, zei ze. Toen ben ik even weggelopen. Het maakt niet uit, zei ik tegen mezelf. Zíj was fout, jij stond stil. Het maakt niet uit of ze op haar telefoon zat. Na een tijdje ben ik teruggelopen en zei ik: gaat het? Ben je geschrokken? Ik ook, ik sta helemaal te trillen. Uiteindelijk is het allemaal geregeld zonder dat ik haar de huid heb vol gescholden. Soms moet je gewoon je kop houden.”

CV

Pieter Koolwijk (1974) groeide op in Gouda en Zwammerdam. Na de mavo begon hij met de opleiding verpleegkunde, maar maakte die niet af. Sinds 2009 werkte hij bij de gemeente Emmen als ict’er, tot vorig jaar.

In 2012 bracht hij zijn eerste boek uit bij uitgeverij Lemniscaat: Vlo en Stiekel. In 2016 werd Bens Boot bekroond met de Vlag en Wimpel, een eervolle vermelding van de Griffel-jury. Met Gozert won hij in 2021 een Gouden Griffel. In 2024 schreef hij het Kinderboekenweekgeschenk: Schatpakkers. Vorige maand won Een rugzak vol de Kinderjury-prijs in de leeftijdscategorie 10 tot 12 jaar.

Pieter Koolwijk woont in Zwolle en heeft een vriendin en een volwassen dochter.

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next