Home

‘Ik zoek altijd naar het eigen verhaal van iemand’

‘Als het gaat om visie moet je in Den Haag zijn, dat is de opdrachtgever’, kreeg hij van collega-gevangenisdirecteuren te horen. Zelf bond Frans Douw geregeld de strijd aan: ‘Mensen onderschatten hun mogelijkheden binnen het systeem dingen voor elkaar te krijgen’.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Ik blijf me ertegen aan bemoeien, omdat ik een systeem zie met mensen die over anderen beslissen zonder te weten over wie ze het hebben. Mensen die wel praten óver anderen, maar niet mét hen. Dat is kenmerkend voor ons hele strafrechtsysteem. Ik heb rechters ontmoet die tegen me zeiden: ‘Frans, wat zijn dat nu voor mensen die ik dertig jaar lang heb veroordeeld?’ Diezelfde onwetendheid ben ik in de politiek ook tegengekomen.’

Als voormalige gevangenisdirecteur is Frans Douw (71) nog volop actief, elf jaar na zijn pensionering. Via zijn stichting Herstel en Terugkeer wil hij komen tot wat hij ‘effectief straffen’ noemt: de straf moet voor de betrokkenen en de samenleving zo weinig mogelijk schade opleveren en zo goed mogelijk op terugkeer in de maatschappij voorbereiden. Met de stichting begon hij al in zijn tijd als directeur: ‘Ik was geïnspireerd door een initiatief in Engeland, waar alle betrokkenen, slachtoffers en daders en hun familieleden, maar ook gevangenispersoneel en directeuren, werden bijeengebracht om te komen tot effectievere straffen. Dat moesten we in Nederland ook doen, vond ik.’

Douw maakt zich voor die benadering ook sterk als bestuurslid van de stichting Bonjo, een belangenorganisatie voor (ex-)gedetineerden. Ook is hij adviseur van gevangenisdirecties in de Verenigde Staten en Rusland, die met name op zijn expertise op het gebied van psychiatrische afdelingen een beroep doen. Ervaring met die groep gedetineerden deed hij op bij het Pieter Baan Centrum en als gevangenisdirecteur. Na zijn pensionering schreef hij het boek Het zijn mensen, waarin hij pleit voor ‘de menselijke maat’ in de omgang met gevangenen. Onder invloed van bezuinigingen en technologie is dat streven in zijn ogen steeds lastiger geworden, maar lichtpunten ziet hij ook: ‘Er zijn in Europa genoeg initiatieven die van onderaf ontstaan en juist van de menselijke maat uitgaan.’

Zijn jeugd omschrijft hij als ‘een goede leerschool om gevangenisdirecteur te worden’. Het katholieke gezin in Voorschoten waarin hij opgroeide, telde maar liefst negen kinderen – de jonge Frans voelde zich als nummer zes verantwoordelijk voor zijn drie jongere broers. Hij zag zichzelf als ‘hulpsinterklaas’ van zijn moeder die een groot sociaal hart had, waardoor ‘ook nog allerlei mensen die niet in de samenleving pasten’ over de vloer kwamen. ‘Van haar heb ik geleerd hoe je met zeer verschillende mensen en situaties kunt omgaan.’

Het instituut school bleek vanaf zijn kleutertijd niet aan hem besteed. ‘Ik had een afkeer van meemarcheren in een systeem, kon slecht tegen onrecht en al helemaal niet tegen autoritair gedrag zonder onderbouwing.’ Als 16-jarige verlaat hij, na veel strijd met schoolleidingen, het ouderlijk huis en school – zonder diploma. Na enkele jaren van ongeschoold werk valt zijn oog op een personeelsadvertentie voor groepsleider bij een gesloten jeugdinrichting in Doorn.

U was 20 en moest leidinggeven aan twaalf jongens tussen 12 en 18 jaar oud. Opeens was u de autoriteit. Hoe was dat, na al uw conflicten met autoriteiten?

‘Enorm leerzaam. Ik kreeg te maken met jongens met een strafblad of die uit huis waren geplaatst. Ze zaten in een gesloten paviljoen, vaak vol spanning in hun lijf. Geregeld explodeerde er een. Ik moest vertellen wat ze moesten doen, wanneer ze aan tafel moesten en wanneer naar hun kamer. Soms moest ik het fysiek oplossen door iemand in bedwang te houden, gelukkig was ik in die tijd beresterk, maar meestal lukte het door te praten. Dankzij mijn rol in ons gezin was ik sociaal heel vaardig, dus het werk ging me goed af. ‘Een gouden greep’, vond de onderdirecteur die mij deze kans had gegeven.

‘Diepe indruk op me maakte een ervaring met een sterke jongen die het hele paviljoen terroriseerde. Het lukte me vrijwel altijd om iemand in bedwang te houden zonder hem pijn te doen. Ik bleef dan in contact. Maar bij hem werkte dat niet, met gebalde vuisten stond hij tegenover me. Toen heb ik hem twee blauwe ogen geslagen en naar zijn kamer geschopt. Ik had ervoor ontslagen kunnen worden. Het leerde me een belangrijke les. Ik ben daarna nooit meer in zo’n situatie terechtgekomen. ‘Dit wil ik nooit meer meemaken’, nam ik me voor.’

Had u destijds al een ideaal voor ogen?

‘Jazeker, dat heb ik altijd gehad. Ik wil dat iedereen zichzelf kan zijn en recht van spreken heeft. Ik heb dat meegekregen van mijn moeder, die mensen uit een psychiatrische inrichting bij ons in huis haalde. Ik leerde toen al dat iemand vaak anders is dan je op het eerste gezicht denkt. Veroorzaakt iemand overlast dan komt dat door zijn eigen verhaal. Daar ben ik altijd nieuwsgierig naar, ik ga ernaar op zoek. Daarom heb ik ook een hekel aan een etiket als ‘probleemjongeren’. Natuurlijk moeten we orde proberen te scheppen, maar dat gaat in mijn ogen veel te snel ten koste van de mens en zijn verhaal.’

Op welke weerstand stuitte u met uw ideaal in uw tijd als gevangenisdirecteur?

‘Op de eerste plaats is die weerstand er op individueel niveau. Ik heb met talloze spanningen te maken gekregen: tussen gedetineerden, tussen PIW’ers (penitentiair inrichtingswerkers, red.), tussen hen en gedetineerden; tussen PIW’ers en hun chefs, waarbij ik dan moest bemiddelen.

‘Er was één grote gemene deler: mensen hebben, zeker in de penitentiaire situatie, een oordeel over elkaar. Een ‘mislukte politieagent’ of een ‘machtswellusteling’ over bewakers. Dat zijn vaak oordelen van de gedetineerden. ‘Jij zit hier niet voor niets, je hebt geen recht van spreken’, zijn oordelen van bewakers over gevangenen. Die neiging tot oordelen zit nieuwsgierigheid naar iemands verhaal in de weg.

Boektip: Berichten uit Kolyma van Varlam Sjalamov

‘Ik heb iets met de donkerste plekken, waar dingen gebeuren die ik niet kan verdragen en dus wil veranderen. Dit boek las ik toen ik hielp bij het opzetten van een psychiatrische afdeling in een vreselijke Russische gevangenis. Sjalamov verbleef decennia in de goelags. Hij schrijft haast zakelijk over een ijzingwekkende werkelijkheid.’

‘Een tweede mechanisme dat meespeelt, is dat mensen op elkaar vaak reageren vanuit hun eigen frustraties en pijn. Een bewaker die vroeger te horen heeft gekregen dat hij dom was, wordt geraakt wanneer een gedetineerde iets dergelijks tegen hem zegt.

‘Om dat soort mechanismen te doorbreken, moet je naar je eigen vooroordelen en pijn durven kijken, pas dan kun je de ander zien. De mate waarin je daartoe in staat bent, bepaalt of je je in gevaarlijke situaties senang kunt voelen. Zelf ben ik daarmee in al die jaren wel verder gekomen. Ik heb nooit een klap in mijn gezicht gekregen, terwijl sommigen van mijn collega’s bij rapportafhandelingen met een gedetineerde telkens met hun stropdas op hun rug of met een verscheurd overhemd naar buiten kwamen. Ik maakte me voor een ontmoeting zo leeg mogelijk, om die zonder oordeel aan te gaan. Dan voelt die ander dat je niet aan hem wilt prutsen, dat je hem in zijn waarde wilt laten. De straf voor zijn gedrag die je moet geven, komt dan anders over.’

Ondervindt u met uw ideaal ook weerstand van het systeem?

‘Veel mensen die erin functioneren denken dat ze er niets aan kunnen veranderen en dat ze alleen maar opdrachten kunnen uitvoeren. Ze zijn ontzettend bang zich uit te spreken en denken dat iedere verandering een brug te ver is. Ze zijn al blij dat ze het leven hebben – geld verdienen en een baas hebben die niet boos op ze wordt, is voor hen het hoogst haalbare. Een uitspraak die ik van collega-directeuren, maar ook van vele anderen, eindeloos heb gehoord, is: ‘Ik ben hier ingehuurd om een taak uit te voeren. Als het gaat om visie dan moet je in Den Haag zijn, dat is mijn opdrachtgever, ik ben maar een ondergeschikte.’ Dan zie je dus niet dat jezelf verschil kunt maken.’

Zijn die mensen het met u oneens wanneer u voor de menselijke maat in het strafrechtsysteem pleit?

‘Nee, dat bleek me na publicatie van mijn boek. Ik dacht dat het behoorlijk controversieel was, omdat wat ik bepleit zo ver afstaat van de praktijk. Maar wonderlijk genoeg kreeg ik van alle kanten lof toegezwaaid voor mijn ideeën, ook van de groep die ik als hardliners van tucht en orde had ervaren. Toen ik een van hen, een collega-directeur, daarop aansprak en vroeg hoe dat zat, kreeg ik terug: ja, maar bij die groep gedetineerden was het nodig zo hard te zijn. Hij verschuilde zich, net als die hoge ambtenaar van het ministerie van Justitie die beweerde voor de menselijke maat te zijn, maar die met wapperende jaspanden allerlei harde maatregelen van politici had uitgevoerd. Dat moest nu eenmaal van de minister, was zijn verweer.’

Wat leert u dat?

‘Mensen denken vanuit de beste intenties een betekenisvolle bijdrage te leveren en kunnen zichzelf voorhouden met een mooi ideaal bezig te zijn, maar ernaar handelen is andere koek. Dan moet je de strijd durven aangaan met een collectief dat de status quo wil handhaven en dat jou als dwarsdenker maar lastig vindt. Dan moet je erop vertrouwen dat jouw inzet kan leiden tot verandering en moet je je niet laten leiden door angst voor je baan.

‘In mijn ervaring onderschatten mensen hun mogelijkheden binnen het systeem dingen voor elkaar te krijgen. Wanneer je zelf met plannen komt, kun je veel bereiken. Toen ik als gevangenisdirecteur in Hoorn aantrad, was de reactie van het personeel aanvankelijk: ‘Als we zoals hij omgaan met gedetineerden, nemen die het binnen de kortste keren over.’ Maar gaandeweg kwamen ze erachter dat mijn nieuwsgierigheid naar het verhaal van gedetineerden goed werkte, dat het ook hun werk interessanter kon maken. Natuurlijk stelde ik ook grenzen, maar door een open houding groeide het vertrouwen en werd het veiliger.’

Hoe staat het Nederlands gevangeniswezen er internationaal voor?

‘We hebben lang gedacht dat we een enorm humaan strafrechtsysteem hebben – een voorbeeld voor de wereld, met ons tbs-systeem. Tot in de jaren negentig had ik nog het gevoel dat een humane benadering de wind in de zeilen had, we gingen meer doen aan re-integratie in de maatschappij en er kwamen aparte afdelingen voor mensen met een stoornis. Het was een tijd waarin we met effectieve detentie konden experimenteren.

‘Maar de afgelopen decennia is er veel teruggedraaid en zijn de straffen langer geworden – Nederland is nu een van de zwaarst straffende landen van Europa. De omgang met mensen die de verbinding met de samenleving zijn kwijtgeraakt, is onder invloed van het neoliberale denken verhard. Wat overheerst is elkaar de maat nemen, oordelen en veroordelen. Daar is nog die vreselijke neiging bijgekomen met technologie alles meetbaar te willen maken, waardoor het denken in groepen toeneemt ten koste van de mens met zijn eigen verhaal.’

Ziet u ook lichtpunten?

‘Zeker. Op allerlei niveaus, van bewakers via directeuren tot op het ministerie, zie ik mensen dagelijks streven naar de menselijke maat door te kijken naar de belangen van gedetineerden en hun familieleden, maar ook naar die van slachtoffers en nabestaanden. We moeten het met zijn allen doen en er is veel kennis over wat werkt om de samenleving veiliger en menselijker te maken. Van de politiek verwacht ik niet de verandering, maar politici kunnen wel ruimte bieden aan initiatieven van onderop. Ik ben hoopvol, omdat ik nog altijd veel mensen tegenkom die geloven dat veranderingen ten goede mogelijk zijn.’

Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next