Home

Dimitri Verhulst schreef een roman vol gestileerde oprispingen en welgevormde onzin

Dimitri Verhulst Ja, aan het einde gaat de nieuwe roman van Dimitri Verhulst ergens over. Maar voordat de lezer daar is moet hij zich een weg banen door een vloedgolf aan banaliteiten.

Strand in Chennai, India.

De nieuwe roman van Dimitri Verhulst (1972) valt op om hóé er wordt verteld, meer dan om wát er wordt verteld. De schrijver vertelde in een interview in Het Parool onlangs dat dat ook zijn bedoeling was. Want waar een boek over gaat, hoe de personages heten en wat die allemaal precies meemaken, dat vergeet je als lezer toch weer, beweerde Verhulst. „Neem Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez. Dat heb ik ontzettend graag gelezen, maar het enige wat ik me herinner, is hoe het is geschreven. Ook daar had ik het gevoel dat de vertelstijl eigenlijk het onderwerp was.” Hij vindt bovendien dat „de stijl van een kunstwerk het onderwerp moet uitleggen”. Anders gezegd: dat vorm en inhoud moeten samenvallen.

Dimitri Verhulst: Een verwittigd man is niets waard. Atlas Contact, 165 blz. € 22,99

Een verwittigd man is niets waard bestaat uit alinea’s die één zin beslaan, en de verteller maakt er een gewoonte van om die zinnen maar nauwelijks op elkaar aan te laten sluiten. Van de hak op de tak, is het vormende principe van deze roman. Zo springen we op een willekeurige bladzijde van een herinnering aan een tienerverliefdheid van de hoofdpersoon naar een levenswijsheid over zelfliefde, naar een observatie over een magnetronmaaltijd, en een mededeling over goedkope wijn, naar een spitsvondigheid over incourante Wordfeud-woorden, een weetje over een bijzonder Japans woord, een klacht over eenzaamheid, en dan naar een fantasie over de vader van de hoofdpersoon en een conclusie over hem: „Zijn rokershoest is mijn voornaamste erfstuk.”

Ja, aan het einde gaat het ergens over. Maar voor je daar bent aanbeland, baan je je een weg door de ruis, door het veek – het woord dat Verhulst zelf aanhaalt, voor het afval dat de zee aan de vloedlijn achterlaat. Dit is een roman vol veek, een vloedgolf aan banaliteiten. Het bovenstaande voorbeeld is geen uitzondering; ik had ook de bladzijde kunnen nemen waar het eerst over Franse autoweggetjes gaat, dan over de desinteresse van de hoofdpersoon voor de muziek van Philip Glass, waarop een statement volgt over het fascistoïde karakter van het begrip ‘bestaansrecht’ en een wisecrack over de veronachtzaamde stream of unconciousness, en dan een opmerking over dure auto’s.

Lippenstiftrode sjaal

Het is alsof je iemands verzamelde tweets leest: gestileerde oprispingen, welgevormde onzin. Want er heeft hier iemand wel flink zijn best gedaan op het oppoetsen en polijsten van zijn magere, bijkans inhoudsloze mededelingen: „De fotograferende vrouw op het strand gisteren, zij met de lippenstiftrode sjaal en muts, dat voelde ik aan alles, had een lach op mijn konterfeitsel kunnen kwasten.” Dat werk. Verhulst is een schrijver die graag een vlaggetje mag planten in een drol, die van het lelijke toch iets fraais wil maken, maar in dit soort knutselarijen valt vooral de zelfgenoegzaamheid op.

Wat natuurlijk ook allemaal de bedoeling kan zijn – en vermoedelijk ook is. Want je kunt er wel horendol van worden, van dat hak-op-de-tak dat bepaald niet lekker leest, en je kunt je ergeren aan de larmoyante formuleringen, maar als je die manier van vertellen welwillend tegemoet treedt, zit er ook iets in. Inderdaad, de vorm volgt de inhoud: veel van de gedachten die onze hoofden in- en weer uitwaaien zijn flauw, banaal en oninteressant, maar daarom nog niet minder waarachtig. Het was dan ook Verhulsts ambitie om „de ongelooflijke banaliteit van het leven zichtbaar te maken”, zei hij in het genoemde interview. Die banaliteit is niet alleen zichtbaar, in deze roman, maar ook voelbaar.

Hoofdpersoon Eric Finck is filmmaker, in ruste, want verlaten, depressief, narrig, vol zelfbeklag en zelfhaat. Neergestreken in Oostende vult hij zijn dagen met goedkope wijn en magnetronmaaltijden, met jazznummers tokkelen op de piano. En met jeremiëren over zijn stukgelopen huwelijk met een vrouw die hij Yatzy noemt, en terugdenken aan zijn jeugd, zijn voortijdig gestorven vader („Het is halfzes, ik ben vijfendertig jaar vaderloos, officieel”) en zijn moeder, die haar persoonlijke vrijheid boven haar moederliefde stelde. „Voor zover ik mij kan herinneren hield mijn moeder simpelweg nergens van, de gave van de liefde is haar nooit geschonken.” En: „Ze zag haar puisten liever dan mij.”

Garnalenkroketten

Dat is nog steeds wat al te hyperbolisch gesteld om eerlijk of waarachtig te voelen, maar goed, er zijn dus wel degelijk lijntjes te ontwaren, zaken waarop de vertellende Finck terugkomt, en die betreffen niet alleen garnalenkroketten en wijnflessen met schroefdop, maar ook zijn eigen vorming. Hoewel: ‘vorming’ is toch een te groot woord, want in echte interesse daarvoor laat Verhulsts hoofdpersoon het afweten. In de eerste hoofdstukken overtuigt de vorm nog, als Verhulst aannemelijk weet te associëren van banale maagpijn naar wezenlijke jeugdherinneringen. In latere hoofdstukken blinkt er soms een aanzet tot psychologisering, maar voor echt zelfonderzoek interesseert Finck zich toch niet. Het zwoegen door de modder van de banaliteit levert de lezer dan wel bitter weinig op.

Verhulsts zwartgalligheid, die je doorgaans toch al tegemoet dient te treden met een bijna-overdosis aan empathische welwillendheid, wreekt zich. In een verwerking van zijn moeilijke band met z’n moeder heeft Finck geen zin en geen fiducie, want tja, de miezerige mens is toch helemaal niet tot groei of zelfverbetering in staat? Dat kan wezen, maar in navolging van die overtuiging ontbreekt het in de roman ook aan ontwikkeling. Wat overblijft is een personage dat zich verschanst in een schuttersputje van zelfhaat en wat hij te melden heeft, klinkt helaas (en weinig verrassend) op de clichématige melodie van misogynie en miskenning. Dat liedje kennen we. Wát hier wordt verteld gaat hier toch onoverkomelijk tegenstaan.

„Ik herinner me dat ik me als klein jongetje graag en vaak verstopte, meestentijds onder de tafel, omdat ik gevonden wou worden”, zegt de volwassen Finck, zich marinerend in zelfbeklag. Hij is nog geen stap verder gekomen.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next