Home

De levenslessen van activist en journalist Rokhaya Diallo: ‘Je kunt niet feminist zijn zonder ook werk te maken van racisme’

Wijzer Activist en journalist Rokhaya Diallo (48) schudde het Franse debat over racisme op met boeken, documentaires en podcasts. Dit is wat ze leerde in het leven: het Franse universalisme is een mythe en over ras praten is taboe in Frankrijk.

 „Mijn ouders komen oorspronkelijk uit Senegal. Voordat hij naar Frankrijk kwam, heeft mijn vader veel in Afrika gereisd. Dat was zijn opleiding. Ik ben wat je nu een klassenmigrant zou noemen. Dat je opgroeit in een arbeidersmilieu weet je als kind niet.

Toen ik op de middelbare school zat, zijn we met het gezin vanuit Parijs naar een grotere woning in La Courneuve verhuisd, in de banlieue. Daar heb ik eindexamen gedaan. Mijn ouders hebben me altijd enorm gemotiveerd om mijn best te doen op school, het is rijkdom om je gesteund te voelen. Ik keek veel televisie, las veel boeken. Daardoor maakte ik kennis met andere werelden. Geen moment heb ik gedacht dat die voor mij onbereikbaar zouden zijn.

Politiek was thuis overal. Op vrijdagen kwamen andere Senegalezen theedrinken en dan werd er enorm gedebatteerd. Ik hoorde altijd alles. Daar krijg je liefde voor het debat en het belang van politieke strijd van mee. Als Jean-Marie Le Pen van het Front National op televisie kwam, dan zei mijn moeder: ‘Hij moet niets van ons hebben.’ Ik registreerde dat, niet meer dan dat. Voordat ik me bewust werd van racisme was ik eigenlijk vooral bezig met feminisme. Racisme, dat was eerder de strijd in Zuid-Afrika. Ze zeggen wel dat kinderen geen huidskleur zien, en dat gold ook voor mij. Dat op televisie niet veel mensen verschijnen die op jou of je buurtgenoten lijken, valt wel op. Zwarten op televisie waren in die tijd vooral ridicuul, met enorm grote ogen, half ontkleed.

Het waren vooral Amerikaanse films en series die mij lieten zien dat het ook anders kon. De serie The Fresh Prince of Bel-Air was voor mij en mijn broer een openbaring. We waren trots om op tv een respectabele zwarte familie te zien. Zoiets hadden we niet in Frankrijk. Later heeft deze jeugdervaring me geïnspireerd tot de documentaire Où sont les noirs?. Uitgangspunt daarvan was de vraag ‘Kun je vijf zwarte Franse acteurs of actrices noemen?’ Dat bleek voor veel mensen heel moeilijk. Vanuit dat idee probeerde ik te laten zien dat je op televisie de indruk krijgt dat Frankrijk nog geheel wit is. Zwarte acteurs krijgen vaak clichérollen, als kleine banlieuecrimineel of prostituee. Dat doet iets met jongeren die opgroeien en over hun toekomst nadenken.

Als kind was de hele wereld om me heen gekleurd. Hoe verder ik in het leven kwam, hoe minder zwarte mensen ik nog tegenkwam. Dan besef je dat je zwart bent in een land waar wit-zijn de norm is. Tijdens mijn rechtenstudie in Parijs was ik uiteindelijk de enige student van kleur. Dat was het moment waarop ik zelf met racisme te maken kreeg. Medestudenten die me raar aankeken of vroegen waar ik vandaan kwam. En als ik dan ging praten, dan zeiden ze dat het zo bijzonder was dat ik geen accent had. Vertelde ik dat ik was opgegroeid in La Courneuve, dan keken ze me met afschuw aan. In de bourgeoisiekringen in Parijs moest ik voor het eerst van mijn leven bewijzen dat ik Frans was. Ik begreep toen dat dat niet voor iedereen evident was. De koloniale erfenis van Frankrijk is nog zeer dwingend aanwezig. Ik begon te begrijpen hoe de macht inwoners van de banlieue onderdrukte, zoals destijds de lokale bevolking in de koloniën.

Ik heb me de laatste jaren echt boos gemaakt om de pogingen om het woord ‘ras’ uit de grondwet verwijderd te krijgen. In het eerste artikel staat dat Frankrijk, een ondeelbare republiek, gelijkheid voor de wet waarborgt van alle burgers, ‘zonder onderscheid van afkomst, ras of godsdienst’. De socialist François Hollande wilde ‘ras’ weg omdat het Franse republikeinse model officieel geen kleur ziet. Iedereen is gelijk, iedereen is burger. Over ras praten is hier taboe. Ik ben ook grootgebracht met dat idee. Het woord ras associeerde ik met nazi’s, met de koloniale tijd. Ik dacht: als je het goed doet op school, dan word je daarvoor in het volwassen leven beloond. Maar ras is niet alleen een biologische realiteit. Het zegt ook alles over machtsverhoudingen. Juist daarom is het nodig om wél over kleur te praten. Je kunt alleen zeggen dat je geen kleur ziet als je louter witte mensen ziet. Men beticht mij er soms van dat ik het debat in Frankrijk amerikaniseer. Wie dat zegt, kent onze geschiedenis niet.

Het rassenvraagstuk is altijd aanwezig geweest in Frankrijk. Vanaf 1685 bestond de Code Noir, de wetten die de behandeling van slaafgemaakten regelden. Ze noemden het niet slavenwetten of zoiets, maar wetten voor zwarten. In 1777 kwam er een speciale police des noirs, die moest voorkomen dat zwarte mensen uit de koloniën in Frankrijk bleven. Het Franse universalisme is een mythe die door de revolutie van 1789 is verspreid. Pas vijf jaar na die revolutie werd de slavernij afgeschaft. Dus kennelijk kon universalisme vijf jaar lang goed samengaan met uitsluiting van zwarten. En later werd de slavernij door Napoleon opnieuw ingevoerd. Ambiguïteit is er altijd geweest. Daar komt nog bij: Frankrijk is het enige land dat op vijf continenten aanwezig is. Een Breton heeft toch niet dezelfde identiteit en cultuur als iemand die opgroeit in Guyana of op een eiland in de Indische Oceaan?

Toen ik dertien of veertien was, heb ik op school een werkstuk gemaakt over de vrouwen die ik op televisie zag. Later, op het lycée, schreef ik voor het eerst over de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Dat er zo’n groot salarisverschil tussen mannen en vrouwen was heeft grote indruk op me gemaakt. Pas later ontdekte ik dat het klassieke feminisme van vrouwen als Élisabeth Badinter niet het mijne was. Ik was actief in een feministische organisatie op het moment dat de politiek discussieerde over het verbieden van hoofddoeken en andere religieuze symbolen op scholen. De vrouwen in die organisatie waren allen voor het verbod. Voor mij was dat totaal tegenstrijdig. Ik ben moslima, maar draag zelf geen hoofddoek. Feminisme is voor mij dat iedereen vrij is daarvoor te kiezen. Ik deed in die tijd mee aan een mars voor Internationale Vrouwendag en vrouwen met hoofddoek werden door de organisatie weggestuurd. Dat heeft me enorm geschokt. Je kunt niet feminist zijn zonder ook werk te maken van racisme. Dat leerde ik toen. Mijn belangen bleken niet dezelfde als die van witte bourgeois feministen.

Ik ben geboren in het Hôtel-Dieu, het ziekenhuis op het Île de la Cité naast de Notre-Dame. Dit is het epicentrum van de stad, de plek waar Parijs begon. Dus als iemand Parisienne is, dan ben ik het. Maar rond de Parisienne is een soort mythe ontstaan die vooral als doel heeft Parijs te verkopen. Tik je in Google ‘Parisienne’ in, dan krijg je allemaal vrouwen die niet op mij lijken. Wit, natuurlijk. Bourgeoise, dun, lang, op de fiets… Parijs is de meest multiculturele stad die ik ken, met vrouwen van alle sociale klassen, homoseksueel, met hoofddoek, ouder dan vijftig. Het is wat gevarieerder dan het gangbare beeld. Voor mijn documentaire over de Parisienne sprak ik met al die vrouwen.

Documentaires en podcasts zijn een goede manier om mensen op dingen te wijzen die scheef zitten. Ik ben uiteindelijk vooral activist. En ik ben trots op wat ik bereikt heb. Met wat ik zeg lig ik nu minder onder vuur dan tien, vijftien jaar geleden, er is meer respect voor mijn werk. Toen ik laatst door Charlie Hebdo als Josephine Baker in een bananenrokje werd afgebeeld, kreeg ik enorm veel steun. Bijna iedereen zag nu dat dat echt racistisch was. Ik ben hoopvol. Een nieuwe jonge generatie heeft dankzij sociale media een veel hoger educatieniveau over racisme en vrouwenhaat dan de mijne.”

CVRokhaya Diallo

Discriminatie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next