Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant
De g’noten zijn aangekomen in het trainingskamp. XXL-rolkoffers, uitzinnige outfits, ingevlochten haar, nieuwe tattoos. Veel pers bij het hotel. Lustrumvakanties van de jaarclub blijven speciaal, zeldzamer nog dan WK’s of Olympische Spelen.
Daarom: hugs en schouderklopjes. Normaal, tijdens doodgewone diners in Utrecht, onze collectieve geboortestad (als g’noten, vergroeid tot een Siamese tienling door contributieplicht en belastende foto’s), volstaan we met een handkus en een knicksje.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
We verblijven een week buitengaats, in – even navragen aan meneer de preses.
‘Berg, hoe heet het hier?’
‘Jongens, Buwalda daalt weer een plekje op de intelligentieranglijst. De bodem komt in zicht.’ Gisterenavond, toen we als Lady en de Vagebond op een Italiaans binnenpleintje spaghetti zaten te eten, besloten we de g’noten (onzelf dus) te ranken in top tiens. Op allerlei deelaspecten. Leek iedereen leuk. Begon ook leuk. Of het ook leuk bleef – daarover straks meer.
‘We kunnen je de eerste letter geven’, zegt dr. Arnie, mijn lijfarts en palliatief verzorger. ‘Wil je die? Het is een mooie letter, maar hij is niet goed voor je ranking, dus daarom geef ik hem je maar gewoon – het is een D.’
‘Dossaloromossa.’
Wanneer mijn vriendin Jet me de afgelopen maanden vroeg waarheen de lustrumreis voerde, antwoordde ik: ‘Geen idee, ergens wandelen en dan kijken wie dat het snelst kan.’
‘Je hebt toch wel een plaatsnaam?’
‘Pas’, zei ik. Zij Pas zoeken op Google Maps – haha. Aan de telefoon hoorde ik haar tegen mensen zeggen: ‘Weet hij zelf niet eens. En nee, als ik hem dat vraag, zegt-ie dat er toch niks aan te veranderen valt.’
Een wijs man.
Maar goed, we zaten dus op die binnenplaats in Dossalaromo te doen wat we normaal gesproken in Utrecht doen, eten en ondertussen elkaars verhalen ondermijnen met voor de rest leuke grappen, de pratende g’noot moet echt wel met de vellen aan z’n gezicht een atoomoorlog hebben overleefd wil er vijf minuten in stilte geluisterd worden – toen er ineens een top tien in de maak bleek: wie was de ijdelste?
‘Jij? Dirks? Baars zou ook kunnen.’ Mijn vriendin Jet, die normaal niet naar lijstjes taalt. Ze denkt overigens dat onze achternamen onze voornamen zijn. Ik zie uit naar het moment dat ze voorovergebogen tegen een g’notenkind zegt: ‘Dus De Haan is jouw papa?’
‘Ex aequo met Haaster. Maar alleen omdat Reijmerink kaal is. En dus nooit over zijn haar begint. Maar ik heb dus wel geen pet, zei hij. Als ik ijdel was had ik een pet. Zie jij een pet?’
‘Ik zie een vleespet’, zei ik, uitstekend argument, helaas belandde ik er definitief mee op 1, zelfs mijn nieuwe rugzakje bood geen soelaas meer. Voor de eerste bergwandeling was ik voor de krentenbollen en het waterflesje snel even een piepklein, babyblauw rugzakje gaan kopen. Ik vond er niks mis mee. De g’noten kwamen niet meer bij toen ik eraan kwam, ze begonnen Sesamstraat te zingen, ’laat je speelgoed staan,’ etc., ze gingen me voor de bergwandeling even afleveren bij een kinderdagverblijf.
Aan tafel was de beer inmiddels los. Een paar uur lang vlogen de top tiens je om de oren: wie is de slimste, wie is de raarste, wie de grootste afhaker, wie schept het meest op, wie ruikt het lekkerst, wie is het wokest, wie de meest latente FvD’er? Wie zweeft? Wie heeft er het vaakst gemasturbeerd?
Allemaal leuk. Tot een der g’noten zei: ‘Wie is de grappigste?’ Het viel even stil. Men keek fronsend rond. Nee, daar gingen we onze vingers niet aan branden.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.