Lieke Marsman was een van de meest gewaardeerde dichters van haar generatie. Haar poëzie werd geprezen om de helderheid, de humor en de manier waarop ze dat alles verbond met maatschappijkritiek. Vandaag werd bekend dat de voormalig dichter des Vaderlands op 35-jarige leeftijd is overleden aan de gevolgen van kanker.
is recensent voor de Volkskrant, gespecialiseerd in poëzie en Duitstalige literatuur.
Marsman werd in 1990 geboren in Zaltbommel, groeide daar ook op, studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en debuteerde op 20-jarige leeftijd met de dichtbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud. Ze kreeg er maar liefst drie literaire prijzen voor: de C-Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Liegend Konijn Debuutprijs.
De bundel, waarin een tedere, intelligente en ook geestige stem spreekt, opent met de regels: ‘Er bestaan vele redenen waardoor je niet stil / kunt blijven liggen, ’s nachts. Als je steeds / moet hoesten, bijvoorbeeld, zal je lichaam / op en neer schokken alsof je op een rijkoets ligt en / als je erg ziek bent, een lijkwagen.’
Het zijn zinnen die nu met terugwerkende kracht een omineus karakter krijgen. Alsof de dichter toen als wist wat haar acht jaar later te wachten zou staan.
Want haar dood kondigde zich jaren geleden al aan. Toen in het voorjaar van 2018 een kwaadaardige tumor bij Marsman werd vastgesteld, kon die weliswaar succesvol worden verwijderd, maar was het lot van de jonge dichter toch beslecht. In datzelfde jaar publiceerde zij De volgende scan duurt vijf minuten, haar verslag, in gedichten en essay, over de diagnose, de behandeling én over politiek.
Het engagement was nooit ver weg bij Marsman. Zo kon het dat ze in datzelfde boek kon schrijven over het gevoel van wanhoop dat haar overspoelde, ‘wanhoop van de ergste soort, de soort die zich karakteriseert door een gebrek aan woorden: wanhoop die je alleen nog maar kunt omschrijven met het woord wanhoop’.
Maar ook over de afleiding die politiek vormt. Ze had, zo noteert ze, behoefte aan het schrijven over politiek ‘om niet volledig door de kanker opgeslokt te worden’. De kanker maakte haar eenzaam, wierp haar volledig terug op zichzelf; met haar maatschappijkritiek doorbrak ze die eenzaamheid dan weer. Het engagement was voor haar een middel om haar eigen toekomst vorm te geven.
Marsman was ten tijde van dat nare bericht al een echte literaire ster. Naast dat succesvolle debuut bracht ze in 2014 haar tweede bundel uit, De eerste letter, waarin ze de poëzie op de hak neemt. ‘Poëzie’, merkte ze laconiek op, ‘lijkt me vandaag een land / waar ik geen ticket naartoe / heb gekregen, een oude geliefde / van wie ik het nummer / nog niet uit mijn telefoon / durf te wissen, een ver eiland / vol pinguïns.’
Eigenlijk had ze geen zin meer in poëzie, in dat voortdurende afdalen in zichzelf en het uitdiepen van haar gevoelens. Daarom waagde ze zich aan proza en publiceerde in 2017 haar geprezen debuutroman, een vervlechting van gedicht en essay. Het tegenovergestelde van een mens verhaalt over aardwetenschapper Ida die naar Noord-Italië gaat om stage te lopen bij een bedrijf dat een stuwdam moet gaan afbreken.
Het is een indringende meditatie over eenzaamheid, over liefde en over engagement. Of beter: het gebrek daaraan.
In een interview met de Volkskrant kort na het verschijnen van deze roman gaf ze als antwoord op de vraag of ze bang was voor klimaatverandering: ‘Wat mij beangstigt, is dat ik er nog steeds niet ’s nachts van wakker lig.’
Drie jaar na de kankerdiagnose werd Marsman vanwege haar ‘aansprekende strijdvaardigheid’ benoemd tot Dichter des Vaderlands, een notoir moeilijk ambt dat ze met verve vervulde.
In augustus 2022 kon ook het niet-poëzielezende publiek kennismaken met de levensdrift van Marsman, toen ze, kort na de amputatie van haar rechterarm, als Zomergast optrad. In dat programma toonde ze zich, wars van sentimentaliteit, een dichter die affirmatief tegenover het leven stond. En ook liet ze zich verleiden tot enkele troostende gedachten bij het geloof in ufo’s: als er op een andere planeet redding loerde, zou ze zich wel willen laten ontvoeren.
Het was een voor haar karakteristieke manier om het allerzwaarste licht te maken. Want dat er geen vliegend voertuig bestond dat haar de redding zou brengen, wist ze maar al te goed.
In 2025 haalde haar boek Op een andere wereld kunnen ze me redden de tweede plek op de bestsellerlijst – een redelijk unicum voor een poëtische bundel waarin poëzie, essay en dagboekfragmenten elkaar afwisselen. Het boek leest als een filosofische trip tot in de diepten van de menselijke geest, afgewisseld met dagboekfragmenten die beschrijven hoe de dood haar op de hielen zit.
In wat het laatste jaar van haar leven zou worden, ontving ze verschillende oeuvreprijzen: vorig najaar de prestigieuze Constantijn Huygensprijs en vorige maand, uit handen van burgemeester Femke Halsema, de Frans Banninck Cocqpenning voor haar culturele verdiensten en maatschappelijke betrokkenheid.
Volgende week verschijnt haar laatste boek, laat haar uitgever weten. De dichter en de duivel, ‘waarin de dichter nadat zij een huis heeft gekocht ontdekt dat haar berging toegang biedt tot een ondergrondse wereld, die wordt bevolkt door influencers, politici, opiniemakers en columnisten – en de duivel.’
In haar derde bundel, In mijn mand, preludeerde ze op haar eigen einde: ‘Ik heb niet stilgezeten’, begint Marsman, ‘ik heb Sartre gelezen/ en Kant en Kierkegaard. Als ik doodga/ hoop ik op een hemel/ om met hen in te kaarten / (ik vraag me af of Marx voor geld zou spelen).’
Ze eindigt lyrisch: ‘Is het mijn sterfdag?’, schreef ze: ‘Vergeet engelen en psalmen / Ik wil het vanille van een oud boek / Ik wil een koud flesje bier / en ik wil jou, nog één keer / Vergeet vogels die zingen / Ik wil mijn hond horen drinken.’
Source: Volkskrant