Home

En weer beieren de doodsklokken voor de roman

Tommy Wieringa is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Op een congres in Poznań klonk Nobellaureaat Olga Tokarczuk afgelopen maand als een gedesillusioneerd schrijver. Ze bracht de zoveelste doodstijding van de roman. Het verdienmodel deugde niet langer, het loon van zeven jaar werken aan haar boek De Jacobsboeken was vergelijkbaar met een mijnwerkerspensioen.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Zoals Thomas Mann de Nobelprijs hoofdzakelijk kreeg voor Buddenbrooks, kreeg zij hem hoofdzakelijk voor De Jacobsboeken. Ze ontving bijna een miljoen euro uit Stockholm en verkocht de wereld aan boeken.

Misschien vergist Tokarczuk zich in de hoogte van een mijnwerkerspensioen.

Ze lamenteert over de aandacht van de lezer die is verschoven naar de opwindingseconomie van Netflix en sociale media; voor de breed opgezette, langzaam stromende roman is geen plaats meer in deze tijd. Ze rouwt om de ondergang van de unieke vorm van menselijke intelligentie die de roman betekent, om het begrip van Balzac en Nabokov dat daarmee verloren gaat.

Voor zover ze nog enige toekomst ziet voor de roman, is dat door de wonderwerking van AI. Ze raadpleegt vaak een chatbot voor de roman die ze onderhanden heeft. Niet voor feitenmateriaal alleen, maar ook voor de ontwikkeling van het verhaal. De bot verbreedt haar horizon en verdiept haar creativiteit. Een paradoxale boodschap, het verguisde AI als reddingsboei voor de terminale roman.

Soms spreekt ze haar chatbot toe met de woorden ‘Schat, hoe zouden we dit eens mooi kunnen uitwerken?’ (En klinkt als Gollem wanneer hij Die Ene Ring ‘mijn schatje’ noemt.)

Hoe dan ook wordt het haar laatste roman, ze gooit het bijltje erbij neer. Tokarczuk is nog niet zo oud, 64, alle tijd om nog een paar goede romans te schrijven, maar ze houdt het voor gezien.

Nu zijn ondergangsgedachten gemiddeld genomen een ouderdomskwaal. Het oudere, van zijn naderende dood doordrongen individu kan gemakkelijk zijn eigen einde verwarren met dat van de hele wereld, of, in dit geval, met het einde van de literatuur als zodanig.

Je zou wat meer vechtlust verwachten van iemand die zo rijkelijk beloond en geprezen is voor haar oeuvre. Je zou wat meer liefde verwachten voor het schrijven zelf, van iemand die haar zintuigen en intuïties heeft gevolgd en zoveel levens heeft mogen leiden in haar romans. Je zou denken dat ze het schrijversleven zelf wat meer zou waarderen, die vaag-meditatieve, half-onthechte toestand waarmee je als schrijver door de wereld slentert, gedreven door een lege nieuwsgierigheid, met je opschrijfboekje en je grote ogen.

Natuurlijk moet je uiteindelijk terug naar de markt, zoals de os in de zen-allegorie van de Tien Ossenplaatjes, maar daar was het toch niet om begonnen?

Toen Kurt Vonnegut eens voor een lezing werd uitgenodigd door leerlingen van een school in New York, antwoordde hij dat dat helaas niet ging omdat hij er op zijn 84ste uitzag als een leguaan, maar liet hij de brief vergezeld gaan van het volgende advies:

‘Maar wat ik had willen zeggen, is eigenlijk alleen dit: beoefen elke kunst, muziek, zang, dans, acteren, tekenen, schilderen, beeldhouwen, poëzie, fictie, essays, reportage, het maakt niet uit hoe goed of hoe slecht, en niet voor roem en geld, maar om wording te ervaren, om uit te zoeken wat er binnenin je leeft, om je ziel te laten groeien.’

Source: Volkskrant

Previous

Next