Home

Carel ten Cate schreef een boek bomvol feitjes over vogelzang en realiseerde zich: ‘wat weten we eigenlijk weinig’

Vogelzang Gedragsbioloog Carel ten Cate had eindelijk tijd om al zijn bevindingen én die van collega’s in een boek te bundelen: ‘Vogelgeluiden ontrafeld’. Hij vertelt erover tijdens een luisterwandeling.

Gedragsbioloog Carel ten Cate in duingebied Meijendel.

Wie halverwege mei voor acht uur ’s ochtends met open raam het duingebied Meijendel boven Den Haag binnenrijdt, kan zo al een trits vogelwaarnemingen opschrijven.

Want dat vogelen alleen om ‘spotten’ gaat, is een misverstand. ‘Horen is scoren’, is een adagium in de vogelarij. Gehoord: merel, roodborst, vink, tjiftjaf, koolmees, pimpelmees, zwartkop, Cetti’s zanger, spreeuw, houtduif, zwarte kraai, grauwe gans. Dat is geen slechte score voor een vogelaar die de parkeerplaats nog niet eens bereikt heeft.

Op die bijna lege parkeerplaats staat al iemand te wachten: Carel ten Cate (73), oud-hoogleraar gedragsbiologie aan de Universiteit Leiden. Om zijn nek hangt een verrekijker, maar hij is vooral aan het luisteren, zoals hij bijna zijn hele werkzame leven heeft gedaan. De zwartkop, het grijze vogeltje met zijn kenmerkende zwarte hoofddekseltje dat je bijna nooit ziet, maar in het voorjaar wel overal hoort, is de eerste vogel die hij noemt.

Ten Cate specialiseerde zich in vogelgeluiden. Nu hij met pensioen is, had hij eindelijk tijd om alles wat hij weet in een boek te bundelen: Vogelgeluiden ontrafeld is een genuanceerde maar bomvolle bloemlezing aan vogelgeluidonderzoeken geworden. Van hemzelf, maar ook van collega’s van vroeger tot nu. Zowel biologen als hobbyvogelaars zullen er enorm veel van opsteken. Maar: het boek zit ook minstens zo vol vragen.

Met name de vraag welke zang vogels bij geboorte al kennen en welke ze aanleren fascineert Ten Cate. Om daar te komen legt hij je in zijn boek allerlei belangrijke tussenvragen voor. Zoals: hoe moeten we vogelgeluiden eigenlijk noemen: zingen of fluiten? (Kort antwoord: zingen.) Is er een definieerbaar verschil tussen zang en ‘roepjes’? (Niet echt.) En zingen vrouwenvogels ook? (Absoluut.)

We zijn nog geen tien meter van de parkeerplaats weggewandeld, of we worden al nauwlettend in de gaten gehouden door een spreeuw, die ons vanaf een takje aan het volgen is. De spreeuw zingt diens kenmerkende ‘duikbommenwerpertje’: een korte, hoge glissando omlaag. Maar de spreeuw is ook bekend omdat-ie tientallen geluiden kan onthouden en imiteren. Meerstemmig zelfs, vertelt Ten Cate je in zijn boek in het hoofdstuk over de opbouw van de syrinx, het orgaan waarmee vogels geluid maken. Bij spreeuwen is die zo gebouwd dat een stijgende en een dalende lijn tegelijk zingen geen probleem is.

Het voordeel van de zebravink

Zelf deed Ten Cate vooral onderzoek aan zebravinken; vogels die in Nederland niet in het wild voorkomen, maar wel populaire huisdieren zijn. Het voordeel van de zebravink voor onderzoek is dat ze al na honderd dagen geslachtsrijp zijn, en Ten Cate in zijn laboratorium dus in een relatief korte periode elk geluid tussen ei en paring kon horen, meten en testen. Ideaal om het zangleerproces zorgvuldig in kaart te brengen.

„We weten steeds meer”, zegt Ten Cate terwijl we een uitkijktoren beklimmen. We horen een vink. „Neem de vink. Die heeft behalve zang een herkenbaar repertoire aan roepgeluiden, die al lang geleden beschreven zijn. Maar de meetapparatuur wordt steeds beter. Vroeger kwamen onderzoekers misschien tot elf roepgeluiden. Nu kun je er met een analyseprogramma misschien wel achttien of meer uithalen.”

Aan de andere kant blijft het enorm lastig om over al die geluiden te zeggen wat ze betekenen en waar ze voor gebruikt worden. „Daarvoor zou je precies moeten weten wanneer ze worden gemaakt, hoe ze dat doen, welke dieren erop reageren en wat er daarna gebeurt. Je zou eigenlijk dagenlang een individu in allerlei contexten en situaties moeten volgen en dat is erg lastig. Zelfs als het zou lukken, moet je er maar van uitgaan dat elke vogel binnen dezelfde soort hetzelfde doet in een bepaalde situatie.”

Als je het zo stelt, weten we dus eigenlijk nauwelijks iets? „Dat heb ik me ook wel gerealiseerd toen ik dit boek schreef. Over zang van zangvogels weten we redelijk wat, maar over gewone ‘roepjes’, en geluiden van vogels die niet tot de zangvogels behoren, zoals ganzen of papegaaien, daar weten we veel minder over.”

120 liedjes op meerdere toonhoogtes

Gelukkig heeft dat de ex-onderzoeker nooit ontmoedigd, vertelt hij. We wandelen stevig door. Langzaam maakt het bos plaats voor duinen. Dit is een ideale plek voor nachtegalen, weet Ten Cate. Ze komen meermaals terug in zijn boek, bijvoorbeeld als hij uitlegt dat vogels niet alleen geluid kunnen máken, maar dat geluid elders in het lichaam ook nog kunnen vervormen, of er frequenties uit kunnen wegfilteren, voor het het lichaam verlaat. Zo kunnen duiven hun koeren extra laag laten klinken door hun keel op te blazen. Nachtegalen filteren bijna alle boventonen weg, tot er één pure toon overblijft. ‘Vandaar dus die bijzondere, prachtig heldere klank!’ denk je bij het lezen.

We staan stil en luisteren. Net zo lang tot er in de verte een nachtegaal begint te zingen. „Eerstejaars vogels kunnen gemiddeld zo’n 80 liedjes zingen. Volwassen vogels 120. En het blijkt dat ze, wanneer ze ‘een vocale interactie’ aangaan, hun zang kunnen aanpassen aan de toonhoogte van een andere nachtegaal. Waarom weten we niet, maar het zou iets te maken kunnen hebben met competitie. Misschien is een rivaliserende nachtegaal die een toon perfect kan matchen bedreigender dan een nachtegaal die dat minder goed kan.”

„Oh, daar zit een grasmus.”

Hoe Ten Cate anders luistert dan een gewone voorbijganger? „Bewuster, denk ik. Veel mensen horen waarschijnlijk een mooi vogelkoor, ik hoor territoriale individuen verspreid over een bepaald type omgeving. Ik hoor of dat geluid op die locatie logisch of onlogisch is. En of bepaalde individuen interactie met elkaar hebben, of juist niet.” Maar echt stilstaan om eens goed te luisteren, zoals we nu doen, nee dat doet hij niet vaak. „Laatst even, toen de Merlin-app [een app die vogelgeluiden determineert] een bladkoning hoorde. Toen heb ik met mijn vrouw een hele tijd gezocht, maar helaas. Niet gevonden.”

Ingrijpende onderzoeksmethoden

Toch staat deze wandeling best in contrast met onderzoeken die Ten Cate beschrijft. ‘Meten en testen’ mag je letterlijk nemen, en dat gaat lang niet altijd met brave analyseprogramma’s. Vooral vroeger schuwden vogelgeluidonderzoekers ingrijpender onderzoeksmethodes niet: van kuikens ‘verkeerde’ zang proberen aan te leren tot opsluiting in geluidsdichte kooien, en van doof maken tot zenuwen naar stembanden doorknippen. Ten Cate is bekend met dit soort onderzoeken, maar als je het boek als leek doorleest, kun je best schrikken van die experimenten.

„Het is paradoxaal genoeg zo dat veel van de uitkomsten van die onderzoeken ons ervan bewust hebben gemaakt hoe ingrijpend de onderzoeksmethode was”, legt Ten Cate uit. „Een experiment met doorgeknipte stembandzenuwen in het wild heeft ruim vijftig jaar geleden bewezen dat zang van levensbelang is voor een vogel. Zo’n onderzoek zou nu dus niet meer kunnen. Tegenwoordig moet je ethische commissies goed uitleggen waarom een onderzoek nodig is en zelfs dan is lang niet alles toegestaan. Maar inderdaad, doof maken komt nog voor. Al is het tegenwoordig mogelijk om in een laboratorium levende vogels ook ’tijdelijk’ doof te maken.”

„Nee, nee, néé, nee, nee”, hij was niet liever vogelonderzoeker geweest in een tijd dat er meer kon. „Het is terecht dat sommige dingen niet meer kunnen. Er is nu gelukkig veel meer aandacht voor vogelwelzijn.”

Waarom veel van die onderzoeken toch nuttig zouden zijn, verklaart het boek ook: het hoe en waarom van aangeleerde vogelzang kan misschien iets zeggen over de spraak- en taalontwikkeling van mensen. Ten Cate weet van zijn onderzoek aan zebravinken bijvoorbeeld dat het niet alleen belangrijk is wát jonge zebravinken horen, maar ook van wíé ze het horen. Zebravinken leren alleen van oudere vogels met wie ze een sociale band hebben. „Bij jonge kinderen lijkt hetzelfde aan de hand, maar het is bij mensen veel lastiger om langdurig onderzoek te doen. Vogels kun je voor langere periodes als model gebruiken.”

Voor Ten Cate zelf zit er nog een andere waarde aan die vergelijkbaarheid tussen mensen en vogels. „Mensen denken vaak dat ze unieke eigenschappen hebben. Maar door de uitkomsten van dit soort onderzoek moeten we ons afvragen of dat wel zo is. Andere diersoorten blijken ook behoorlijk geavanceerde vermogens te hebben.” Wel moeten we er van Ten Cate op letten dat we onszelf niet vergelijken met ‘de vogel’. „Er zijn 11.000 vogelsoorten. Die kun je niet in bulk vergelijken met één andere soort, ‘de mens’.”

Zingen om het zingen?

We waren inmiddels bij zee aangekomen, maar het waaide daar zo hard dat we maar snel zijn teruggelopen. Regen, sneeuw, ijzel, dat is allemaal geen probleem bij vogelen, maar harde wind wel. Daar schuilen vogels voor.

Carel ten Cate: Vogelgeluiden ontrafeld. Waarom, hoe en waarover vogels zingen en roepen.KNNV Uitgeverij, 244 blz., € 29,95

Moeten we het nog over muzikaliteit hebben? ‘Zang’ associëren wij met muziek. Bestaat er in de vogelwereld zoiets als l’art pour l’art, zingen om het zingen? Dat blijkt glad ijs. „Muziek speelt bij ons in op gevoel, maar gevoel kun je niet meten. We weten welke geluiden een vogel stimuleren om iets te doen, maar of ze er ook plezier aan beleven, weten we niet.”

Maar nu we het er toch over hebben heeft Ten Cate nog wel een paar kritische noten. Er zijn wetenschappers die proberen aan te tonen dat vogels op dezelfde manier naar muziek luisteren als mensen, en daar heeft hij geen goed woord voor over. „Sommige serieuze artikelen betogen dat vogels gevoelig zijn voor bepaalde muziekgenres, zoals klassieke muziek. Mozart zou rustgevend zijn. Maar een reactie op muziek ontstaat waarschijnlijk door de aanwezigheid van bepaalde tonen, een instrument, of één klank. Niet uit waardering voor een heel muziekstuk. Maar dat wordt in die onderzoeken nooit uitgezocht.”

Stel, je bent een leek en wil zelf met open oren door bos en duin struinen, waar moet je dan op letten? „Realiseer je dat die enorme diversiteit aan vogelgeluiden die je hoort nooit toevallig is. Die zang bevat informatie. En niet alleen ‘hallo, ik ben een roodborstje’, maar specifieke informatie over de zanger.”

Alleen welke informatie, hè? Om daarachter te komen is nog veel meer onderzoek nodig. Waarmee Ten Cate nu zou beginnen als hij weer een laboratorium tot zijn beschikking zou hebben? Die vraag kan hij niet beantwoorden. „Er zijn nog zó veel vragen.”

Herkomst geluidsfragmenten

De vogelgeluiden die in dit verhaal gebruikt worden: merel (Geluid van Nederland), roodborst (Sander Pieterse), vink (Sander Pieterse), tjiftjaf (Dan Stowell), koolmees (Dengis Chantal), pimpelmees (The British Library Board), zwartkop (The British Library Board), Cetti’s zanger (Amitchell125), spreeuw (Vladimir Yu. Arkhipov, Arkhivov), houtduif (Oona Räisänen), zwarte kraai (Sander Pieterse), grauwe gans (Joost van Bruggen), zebravink (Blättler F, Hahnloser R), nachtegaal (Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid), grasmus (The British Library Board), bladkoning (xeno-canto/Tony Rinaud). Van de meeste geluidsbestanden zijn korte fragmenten gebruikt. Indien van toepassing zijn de fragmenten omgezet naar mp3-formaat. Van sommige fragmenten is het volume aangepast.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Wetenschap

Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next