Mijn moeder was in 1972 een importbruid. Tijdens haar bezoekjes aan de inheemse familie waar mijn vader negen jaar had ingewoond, leerde ze van alles over Nederland. Er was toen nog geen integratiecursus of iets dergelijks dus die werd zelf georganiseerd. Bij deze amateuristische maatschappijleer hoorde ook het uitspreken van het woord ‘Scheveningen’. Als ze dát perfect kon articuleren zoals een echte kaaskop, dan werd ze vanzelf ook een echte Nederlander. Er was alleen een probleem: in het Turks bestaat de g-klank niet; het werd „Skuhvuningen”.
Mijn vader sprak op dat moment veel beter Nederlands maar hij oefende minder op die klassieke tongbreker waardoor hij tot ver in de jaren negentig pesterige opmerkingen kreeg. Scheveningen was een wachtwoord dat toegang bood tot de zitkamers van de rijtjeshuizen.
Het debat rond de Nederlandse identiteit ligt weer op tafel. De directe aanleiding was de toespraak van Lidewij de Vos (FvD) op de bijeenkomst van een internationale ‘remigratieconferentie’ in Portugal. Daarna ontstond bij ons achter de dijk discussie over dé oorspronkelijke, de inheemse Nederlander en wanneer je Nederlander genoeg bent. Mijn vriendin Fidan Ekiz verwoordde de giftige sfeer bij het televisieprogramma WNL op Zondag. De opinieleiders buitelden over elkaar heen.
Ik moest denken aan koningin Máxima. Zij zei in 2007 dat ze iets opmerkelijks had ontdekt, namelijk: dé Nederlander bestaat niet. Daarna legde ze geduldig uit dat ze veel verschillende Nederlanders had gesproken die meerdere identiteiten zeiden te hebben. Slechts weinigen definieerden zichzelf als sec Nederlands. Nou, dat heeft ze geweten. Ons piepkleine land was te klein voor alle ophef. De discussie duurde maanden en ging vooral over de vraag of de Nederlandse identiteit bestaat. Ik begreep die verontwaardiging wel. Het was geen handige uitspraak.
Maar Máxima had natuurlijk wel gelijk; dé Nederlander bestaat niet. Maar dat betekent niet dat het begrip Nederlanderschap geen betekenis heeft. Het tegendeel is waar. Het belangrijkste kenmerk is namelijk dat de huidige groep Nederlanders het resultaat is van eeuwenlange migratie en vermenging. Wat ons bindt zijn onze waarden, zoals vrijheid, de democratische rechtsstaat, gelijkheid van man en vrouw, vrijheid van geloof. Kortom de universele waarden die in het westen zijn ontstaan en ver ontwikkeld. Waar je voor staat is dus belangrijker dan waar je vandaan komt. Juist daarom is het omarmen en bevechten van die waarden nog steeds belangrijk.
Als kind van de tweede generatie spreek ik het woord Scheveningen wel perfect uit. Het Nederlands is mijn eerste taal geworden. Ik heb een dochter met een Nederlandse man met een gereformeerde achtergrond. Met zulke antecedenten durf ik gerust te beweren een echte Nederlander te zijn, misschien wel meer dan de meeste FvD’ers die in Portugal hun zaak maakten tegen migranten. En zoals ik zijn er velen.
Een aardige indicatie van ‘nieuwe echte Nederlanders’ zijn gemengde relaties. Die komen in Indonesische en Surinaamse kringen veel voor. Niet gek, want zij zijn veel langer in Nederland dan Turken, Marokkanen en andere nieuwkomers. Kunnen hun kinderen de letter ‘g’ wel goed uitspreken? Dat criterium is onzin, natuurlijk. Afkomst is niet relevant. Waar het om gaat is de ontwikkeling na een aantal generaties. Het gaat om ‘vermenging’ en ‘culturele integratie’. Dat creëert Nederlanderschap. Dat waren de mensen waarover Maxima sprak. Nederlanders zijn geen homogene groep maar het resultaat van eeuwenlange geleidelijke vermenging.
Die sociale mix gaat niet over diversiteit en wordt ook niet vanuit de staat opgelegd: partner- en vriendschapskeuze is vrij. Vermengen brengt simpelweg minder tegenstellingen en meer (onderling) begrip. Een gemengde relatie zorgt ook voor het samenbrengen van twee werelden van vriendschappen, gebruiken, netwerken en families. Kinderen groeien op met meerdere tradities: we vierden soms het Suikerfeest in Turkije, en kerstdiners met de hele schoonfamilie waar voor het eten uit de bijbel wordt voorgelezen over dat wonderkind uit Bethlehem.
En zo bestaan er talloze (kleine) verschillen die ik makkelijk naast elkaar kan laten bestaan. Dat gaat over duizend-en-één dingen: hoe stop je een kind in? Hoe uitgebreid dek je de tafel voor een ontbijt op zondagochtend en hoe lang zit je gezamenlijk aan tafel? Hoe lang neem je afscheid van bezoek bij de voordeur? Wat doe je met je schoenen als je ergens naar binnen gaat? Turken doen dat allemaal soms anders, maar die zogenaamde ‘echte’ Nederlanders ook! Mijn Turkse afkomst is een erfenis; mijn Nederlanderschap is dat niet. Maar met mijn loyaliteit jegens Nederland heeft dat niets te maken.