Silvano Anedda was 18 jaar toen hij zijn geliefde Italië verliet. Zijn oudere broer had hem gelokt met sterke verhalen over ‘een prachtig land waar het geld op straat ligt’. Tot Silvano’s schrik kwam hij in de mijnen van Zuid-Limburg terecht.
Silvano Anedda was 18 jaar toen hij zijn geliefde Italië verliet. Zijn oudere broer had hem gelokt met sterke verhalen over ‘een prachtig land waar het geld op straat ligt’. Tot Silvano’s schrik kwam hij in de mijnen van Zuid-Limburg terecht.
De 83-jarige Silvano Anedda is een groot deel van de week te vinden in zijn moestuin, waar hij ‘alles’ verbouwt, van tomaten tot bonen. Trots is hij vooral op zijn majestueuze vijgenboom. Tijdens oogsttijd mogen klanten van de voedselbank wekelijks verse groenten komen halen. Met zijn in Zuid-Limburg geboren en getogen vrouw Maria woont Anedda in een seniorenwoning in Hoensbroek. Voor hun kleinkinderen is zij ‘oma’ en hij ‘nonno’.
In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Ik ben in 1943 geboren in Nebida, op Sardinië. Het dorp is een beetje beroemd, door de mijnen uit de Romeinse tijd. Ik was de jongste van negen kinderen, een broer voor mij was al gestorven. Mijn vader was politieman bij de Carabinieri, en overleed toen ik drie maanden oud was. Een groot verdriet voor mijn moeder. Ik heb mijn vader mijn hele leven gemist. Mij is nooit verteld waaraan hij was overleden. In Italië is het zo: als iemand sterft, zit diegene in je hart en praat je er niet over.
In de tweewekelijkse serie ‘Eerste generatie’ laat de Volkskrant mensen aan het woord die als eersten van hun familie naar Nederland kwamen. Waarom namen zij afscheid van hun land, welk leven lieten ze achter en hoe bouwden ze een nieuw bestaan op?
‘Geen man in huis betekende geen eten. Er was in die tijd geen pensioen of uitkering, helemaal niets. Mijn moeder verkocht haar trouwring en andere spullen om voedsel van te kopen. Ze ging in de mijnen werken en we verhuisden naar een ander dorp. Mijn moeder was een mager vrouwtje. Ik durfde haar nooit te zeggen dat ik honger had.
‘Sardinië kwam straatarm uit de oorlog. Ik was een schooiertje, dat veel op straat was met zijn vriendjes. Mijn oudste zus Anna kwam drie maanden bij ons toen ik 5 jaar was. Ze woonde in Genua met haar man, die twee wasserettes en een restaurant had. Anna knuffelde mij veel, ik was geen liefde gewend. Na haar vertrek heb ik wekenlang gebruld. Ze haalde mij naar Genua en dropte mij op een kostschool. Zo kan hij naar school en wordt moeder ontlast, was haar gedachte.
‘Het eerste jaar mocht ik niet weg en kwamen mijn zus en haar man één keer per maand op bezoek. De jaren erna was ik in de weekends bij hen thuis; Anna was als een moeder voor mij. De nonnen waren heel streng, ik kreeg klappen als ik niet netjes at. Eén keer gingen we met de bus een dagje uit, naar het Gardameer. Het water was verrekte koud, met de stok in de hand riepen de nonnen: ‘En nu zwemmen!’
‘Op mijn 14de bracht mijn zus mij terug naar mijn moeder op Sardinië. Potdomme dacht ik, dat is niks voor mij. Ik hield van het stadsleven in Genua, voelde mij een Genover. Mijn broers woonden niet meer thuis, alleen mijn vriend Antonio was er nog – hij was nooit naar school geweest.
‘Ik werd verliefd op een meisje. Op een dag liep ik om een uur of 6 naar huis, het was stikdonker, lantaarns waren er niet. Ineens stopte er een auto, de bestuurder stapte uit en hield een mes tegen mijn keel. Hij bleek de broer van het meisje te zijn. ‘Je moet niet denken dat als je van het continent komt’ – hij bedoelde het vasteland van Italië – ‘je mijn zus het hoofd op hol kan brengen en dan weer vertrekken. Dan zal ik je keel doorsnijden’, zei hij.
‘Thuisgekomen schreeuwde ik: ‘Mama!’ Ik vertelde wat er was gebeurd en dat ik van het eiland weg wilde, terug naar Genua. Een paar weken later ben ik vertrokken, mijn moeder ging mee. Mijn zus had een appartement voor ons.
‘In Genua ontmoette ik mijn vrienden van kostschool weer. We gingen op avontuur. We kropen de riolering in, verdwaalden en stonden ineens in de poep. Toen we uiteindelijk weer boven kwamen, stond de politie ons op te wachten, en een fotograaf met een flitsapparaat. De volgende dag stonden we in onze vieze kleren in de krant.’
Hoe kwam u in Nederland?
‘Ik had een heerlijke tijd in Genua, totdat mijn oudste broer Gianni in oktober 1961 bij ons op bezoek kwam om zijn vriendin voor te stellen. Hij werkte toen al vijf jaar als gastarbeider in Nederland. De laatste dag zei hij tegen mij: ‘Hier heb je een koffer en een pasje, we vertrekken vanavond om 22.00 uur met de trein naar Nederland.’
‘Hij overviel mij. ‘Ik ga niet mee’, zei ik. ‘Je gaat mee’, zei mijn moeder. Als er geen vader meer is in een gezin, is in Italië de oudste zoon de baas.
‘Ik was 18 en wist niet dat Nederland bestond. Gianni zei: ‘Het is een prachtig land, het geld ligt er op straat.’ We stapten uit in Maastricht. Ik zag geen mens; ik miste meteen het drukke Genua. De Nederlanders die ik ontmoette, spraken zachtjes. In Genua was ik gewend te schreeuwen: ‘Antonio! Ciao!’ Ik werd stil en was Silvano niet meer.’
Waar kwam u terecht?
‘Ik werd ondergebracht in een gezellenhuis hier in Hoensbroek, dat bestond uit houten barakken, waar je met zijn drieën op een kamer sliep. Er waren gastarbeiders uit Italië en Polen, later kwamen er Spanjaarden bij.
‘De eerste dag bracht mijn broer mij naar wat een keuring bleek te zijn. Een arts onderzocht mijn hartslag en longen en voelde aan mijn ballen. Wat is dát, dacht ik. Hij zei tegen mijn broer: ‘Morgen kan hij beginnen.’ Ik kreeg een nummer: 1888. Dat kan ik nog steeds moeilijk uitspreken.
‘De volgende ochtend moest ik om 5 uur opstaan en 10 kilometer lopen. We kwamen uit bij staatsmijn Emma. Ik kreeg een blauw-grijs geblokte pungel waar alles in zat: kleding, helm, masker, lamp, schoenen, sokken en een rode zakdoek. Met 35 man gingen we een lift in en zakten honderden meters onder de grond. Ik schrok en vloekte: ‘Affaculo!’ Mijn buurman moest overgeven.
‘We stapten de lift uit en stonden in de mijn, het was er stikdonker en het stonk naar gas. Ik dacht: en nu dan? Er was een tolk die uitleg gaf. In een treintje werden we, gebukt zittend, naar een 15 kilometer lange tunnel vervoerd, waar we kolen moesten scheppen op 28 wagons op een transportbaan. Het was zwaar werk, je zag bijna niks, ik moest hoesten en kreeg stof in mijn ogen en mond.’
Wat dacht u na die eerste dag?
‘Ik ga nooit meer naar beneden, dan ga ik dood! Ik vertelde mijn broer dat ik terug naar Italië ging, maar hij zei dat ik een contract had voor vijf jaar.’
Waarom had hij u naar de Nederlandse mijnen gestuurd?
‘Om geld naar mijn moeder te kunnen sturen, denk ik. Het ergerde mij dat hij niet had verteld wat mij te wachten stond. Het verschrikkelijkste in Nederland vond ik het eten. ’s Morgens rijstepap met melk en suiker, als lunch boterhammen en ’s avonds een berg aardappelen met koteletten of spek. Natuurlijk vond ik dat niet lekker. In Italië eet je eerst antipasti, dan pasta en dan komt het pas: il secondi piatti! De hoofdmaaltijd. En daarna zoetigheid.’
Hoe is het verder gegaan in de mijnen?
‘Ik moest, en ik had geld nodig. Maar na twee maanden ben ik weggelopen. Ik hield het niet meer uit. Ik nam de trein naar Genua, naar mijn moeder. De politie kwam langs: ik moest in militaire dienst. Toen ben ik snel weer terug naar Nederland gegaan. Na twee jaar ben ik weer gevlucht en om dezelfde reden teruggekeerd.
‘Uiteindelijk heb ik vijf jaar in de mijnen gewerkt. Het laatste halfjaar bovengronds, als chauffeur van een tractor waarmee ik de kolen naar een elektriciteitscentrale bracht; dat was mooi werk.
‘Een Italiaanse vriend was als metselaar gaan werken in Duitsland en verdiende er goed mee. Dat ben ik ook gaan doen. Ik nam klussen in de bouw aan, in Duitsland en Nederland. Soms metselde ik wel drie huizen tegelijk, allemaal zwart werk. Ik werkte ook voor een rechter, een cardioloog en een chirurg.’
Sommige Nederlandse ouders en jonge mannen waren beducht voor Italiaanse gastarbeiders met hun charmes en versierkunst.
‘Ze waren bang dat wij de meisjes inpikten. Het kwam weleens tot vechtpartijen in cafés, waar Hollanders ons soms opwachtten met boksbeugels. Ze vonden ons smeerlappen. Italianen deden zelfverzekerd en stoer, schepten op over de meisjes die ze konden krijgen, pakten ze bij de billen. Ik was anders, ik was meer een Nederlander dan een Italiaan in de omgang met meisjes.’
Zijn vrouw Maria: ‘Je hebt je altijd fatsoenlijk gedragen. Je was eerder voorzichtig dan opdringerig.’
Hoe heeft u elkaar leren kennen?
‘Tegenover het pension waar ik woonde was een danszaal. Een vriend haalde mij over mee te gaan. Ik zag een Marokkaan een blond meisje met een goed figuur ten dans vragen, liep eropaf en zei hem: ‘Ik heb al met haar afgesproken.’
‘Dansen kon ik niet, alleen met mijn mond. Na afloop bracht ik Maria naar huis; ik was netjes, gaf haar een hand en een kusje op haar wang.’
Wat vonden haar ouders van jullie verkering?
‘Goed, ik mocht gewoon langskomen.’
Maria: ‘Mijn ouders dachten dat het wel weer over zou gaan. Toen ze in de gaten kregen dat het serieus was, mocht hij van mijn vader niet meer binnenkomen. Mijn moeder had er geen moeite mee. We hadden al een paar jaar verkering toen mijn ouders vertelden een feest te geven voor hun 35-jarige huwelijk. Een van mijn broers zei: ‘Als jullie de relatie van Maria nog steeds niet accepteren, zal Maria niet komen.’ Vanaf dat moment was Silvano weer welkom. In 1967 zijn we getrouwd.’
Volgt u de politieke ontwikkelingen in Italië?
‘Als Italië goede politici had gehad, waren we de beste van de wereld geweest, want alles is er: cultuur, een goede keuken, een sterke economie. Meloni doet het goed als premier, ze zit er lang voor Italiaanse begrippen. In het gezin is het de vrouw die commandeert, dus laat een vrouw dan ook ons land commanderen.’
Bent u ondanks de heimwee naar Italië van Nederland gaan houden?
‘Nederland is een land waar je goed kan werken, meer niet. Ik zeg het zo: ik voel mij Italiaan en ik hou van Hoensbroek. Hier woon ik al 65 jaar en heb ik mijn leven opgebouwd. Hier is mijn moestuin, waar ik ook zo’n 200 kilo aardappelen per jaar verbouw, voor mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.’
In Nederland wonen zo’n 71 duizend mensen met Italiaanse wortels. Rond 1900 trokken veel mannen weg uit het toen straatarme Noord-Italië. In Nederland werkten ze als ijsmakers, schoorsteenvegers en terrazzowerkers, vanaf de jaren twintig in de mijnen van Zuid-Limburg.
Na de oorlog wierf Nederland actief ‘gastarbeiders’ in Italië. Er was een arbeidstekort door de emigratie van Nederlanders naar onder meer Canada. Het wervingsverdrag in 1949 met Italië was de eerste van een reeks die zou volgen, met landen als Spanje, Marokko en Turkije. Na de mijnsluiting in de jaren zestig en zeventig gingen veel Italiaanse mijnwerkers in fabrieken werken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant