Merel van Vroonhoven is leraar, toezichthouder en columnist van de Volkskrant.
‘Wil je het op zijn Haags weten?’, vraagt de visboer op de Haagse Markt voor de camera van Nieuwsuur, terwijl hij een harinkje fileert: ‘Een ramp. Helemaal kut!’
‘Ze doen wel hun best’, zegt een marktbezoeker verderop, ‘maar impressed van de resultaten ben ik niet’. Weer een ander noemt het kabinet ‘krachteloos’. Waaruit dat blijkt? Heel simpel: ‘Tien steden beloven en niet bouwen.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.Klik hier om een nieuwe paragraaf te starten
Wie de afgelopen dagen de media tot zich nam, zal het niet zijn ontgaan: Jetten-I is gezakt voor zijn honderddagentoets. Vet gezakt.
Dat bekt natuurlijk lekker, maar wat hebben we aan al die zurigheid, na nog geen kwartaal? Wat zeggen honderd dagen over de prestaties van een kabinet? Waarom niet 101, 150, 250 of, veel logischer, gewoon de ongeveer 1.460 dagen die voor een regeertermijn staan? Ik heb de fixatie op deze uit de VS overgewaaide honderddagenmijlpaal nooit begrepen. De geschiedenis wijst uit dat die eerste honderd dagen bijster weinig voorspellen over de ruim duizend die nog volgen. Toch krijgt het mantra mythische waarde. Zelfs Jetten wijdde er een ronkende mail aan richting zijn achterban.
Ach, het hoort erbij, hoor je dan. Het is toch goed om de thermometer er regelmatig in te steken; het houdt leiders scherp. Dat klinkt plausibel, maar is het niet. Honderddagendenken voedt het idee dat leiderschap voortdurend moet worden beoordeeld op zichtbare kortetermijnacties, in plaats van op duurzame resultaten die standhouden. Het leidt tot dagkoersenpolitiek. Precies zoals de stroom aan opiniepeilingen dat doet. Met een lading irrealistische verwachtingen op de koop toe – hoezo zijn er na honderd dagen nog geen tien steden gebouwd?
De ervaring in Scandinavië leert dat voor een goed functionerend minderheidskabinet een langetermijnblik cruciaal is. Naast de bereidheid om compromissen te sluiten en het vermogen anderen daarbij te betrekken. Claes de Vreese, hoogleraar en expert in minderheidskabinetten legt het in Nieuwsuur glashelder uit: ‘Het kabinet moet zich open en bescheiden opstellen, maar dat geldt ook voor de oppositie. Je moet van een beukende en pratende Kamer naar een meewerkende Kamer.’ Dat vraagt een forse cultuuromslag, zeker na jarenlang conflict en scorebordpolitiek voor eigen electoraal gewin.
Minister Vijlbrief bevindt zich midden in die omslag. Zowel bij de oppositie als aan de onderhandelingstafel met werkgevers en werknemers kan hij vooralsnog op weinig adhesiebetuigingen rekenen voor zijn drieste miljardenbezuinigingen op de sociale zekerheid. ‘Misschien moeten we met elkaar leren hoe je dit doet’, zegt hij met ernstige blik. Niet veel later verschijnt er een brede lach op zijn gezicht. ‘Maar ik ben optimistisch. Ik ga een akkoord sluiten. Ik weet alleen nog niet wanneer en ik weet niet hoe.’
Optimisme, is dat dan genoeg? Nee, dat niet, maar het is wél wat ook nodig is om Nederland uit zijn negativiteitsgreep te halen en tot akkoorden en oplossingen te komen. Niet verpakt in naïef wensdenken of in holle campagnetaal, maar gewoon als houding: open, bescheiden en met de wil om er samen uit te komen.
‘Regeren is compromissen sluiten, altijd’, zegt de collega van de visboer, ook in plat Haags. ‘Hoelang zijn ze nou pas bezig? Ik vind dat je het kabinet een kans moet geven.’
Zijn tegengeluid klinkt verfrissend, tussen al het chagrijn. Het doet me denken aan mijn oud-collega, die haar eigen antigif vond tegen groepsdoemdenkerij. ‘Als iedereen het glas halfleeg ziet, laat ik zien waarom het ook halfvol is.’ Een onsje meer optimisme dus, en voor de komende duizend dagen het glas halfvol. Doet u mee?
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app. Klik op het belletje naast de auteursnaam.