De toenemende zichtbaarheid van sterven in media en televisie leidt niet alleen tot meer openheid, maar ook tot nieuwe verwachtingen. En dat heeft vooral gevolgen voor mensen die anders, stiller, met hun dood omgaan.
Het recente televisieportret van Clairy Polak liet iemand zien die tot het einde autonoom wilde blijven en de regie wilde houden. Het zette me aan het denken over hoe verschillend mensen met hun sterven omgaan.
Een tijd geleden verloor ik mijn vader; hij werd 66, en recenter verloor ik mijn schoonmoeder, die 76 werd. Ik ben nu 51. Het waren twee mensen die niet spraken over hun angsten, in elk geval niet op een voor mij herkenbare manier. Geen grote gesprekken, geen laatste levenslessen en geen emotionele afronding. Ze deden wat ze hun hele leven al hadden gedaan: hun gevoelens bij zich houden, doorgaan, met weinig woorden.
Over de auteur
Reinout Heydra is docentopleider aardrijkskunde.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ik heb daarna gedacht dat het anders had gemoeten. Dat ze zich meer hadden moeten openstellen. Achteraf gezien kwam dat vooral van mij. Alsof er nog iets gezegd moest worden. Alsof hun sterfbed de laatste kans was om nog iets af te ronden. Dat zegt meer over mij dan over hen.
Door dit soort televisieportretten wordt sterven vaker getoond op televisie en online, en verschuift ook wat we van sterven verwachten. We leven in een tijd waarin de dood minder verborgen is. Dat is winst. We praten erover, delen ervaringen en zoeken naar betekenis. Programma’s als Over Mijn Lijk laten dat goed zien: hoe mensen hun naderende einde onder woorden brengen, kwetsbaar en soms verrassend licht van toon. Dat raakt. Maar er zit ook een keerzijde aan die zichtbaarheid.
Televisie en sociale media richten de aandacht vooral op mensen die hun verhaal kunnen en willen vertellen en daarop kunnen reflecteren. De binnenvetters zie je niet. Niet omdat ze er niet zijn, maar omdat ze geen camera toelaten. Voor hen is stilte vaak de eerste en belangrijkste vorm van eigen regie. Wat niet in beeld komt, raakt uit zicht. Daardoor verandert ook hoe we erover denken.
Openheid krijgt steeds meer gewicht. Van mensen wordt verwacht dat ze iets doen met hun sterven: gesprekken voeren, relaties afronden, betekenis geven. Het sterfbed als laatste project. Wie gewend is zich uit te drukken, blijft dat vaak doen. Wie altijd naar binnen keerde, doet dat aan het einde meestal nog steeds. Waarom verwachten we eigenlijk dat iemand aan het einde anders wordt dan diegene altijd is geweest?
Mijn vader en mijn schoonmoeder hoorden bij een generatie waarin zwijgen een manier van omgaan was. Angst werd niet besproken, maar ondergaan. Niet minder diep, maar ze hielden het meer bij zichzelf. Door onze bril lijkt dat al snel onvolledig, alsof er nog iets afgerond moet worden. Misschien is dat vooral onze eigen onrust. Want laten we eerlijk zijn: wij die achterblijven willen iets van hen. En ooit zijn wij zelf aan de beurt. We zoeken begrip en houvast. Daarom trekken we, vaak zonder het door te hebben, aan degene die sterft. Nog even praten, nog iets zeggen. Nog een moment dat blijft hangen. Wat wij een mooi sterfbed noemen, helpt soms vooral ons om achter te blijven.
Mijn moeder, die veel mensen in het sterven heeft begeleid, zei daar ooit iets treffends over: dat het voor stervenden soms juist moeilijker wordt door de mensen om hen heen. Ze brengen hun eigen angst en verdriet mee, en vragen tegelijk om iets wat eigenlijk niet kan: blijven, terwijl de ander juist loslaat. Maar niet iedereen wil dat. Voor sommigen betekent sterven niet dat ze zich openen, maar dat ze zich verder terugtrekken.
Geen verhaal dat verteld moet worden, maar eerder een grens die dichterbij komt. Soms is er angst, boosheid of stilte, of een combinatie. Niet als mislukking, maar gewoon zoals het is. Sommigen zullen zeggen dat die gesprekken niet alleen voor de stervende zijn, maar ook voor de achterblijvers, en dat laatste woorden kunnen helpen het verlies te dragen. Dat klopt. Maar daarmee wordt het nog niet de verantwoordelijkheid van degene die sterft.
De zieke hoeft geen evenementenplanner van het eigen afscheid te worden. Toch lijkt het daar soms op. Alsof er een idee bestaat van hoe het zou moeten gaan. Alsof je het goed kunt doen, en dus ook verkeerd.
Misschien is dat de volgende stap: dat we (nu we de dood uit de taboesfeer hebben gehaald) niet steeds meer openheid verlangen, maar ruimte laten voor verschil. Voor mensen die spreken en voor mensen die zwijgen. Voor wie iets afrondt, en voor wie dat niet kan of wil. Dat vraagt ook iets van ons als naasten. Dat we iemand niet alleen vasthouden, maar soms ook laten gaan. Dat we onze eigen behoefte even loslaten, hoe moeilijk dat ook is.
Ik begin dat nu te begrijpen. Mijn vader en mijn schoonmoeder deden niets verkeerd. Ze zijn gestorven zoals ze leefden. Stil, op zichzelf, zonder zich aan te passen aan wat er van hen verwacht werd. En misschien is dat wat we kunnen doen: dat erkennen. Niet alsnog iets toevoegen aan hun sterven, maar accepteren dat het al vorm had. Niet mooier maken dan het was. Maar ook niet minder.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant