Spanje Spanje is in de ban van vier juridische procedures wegens corruptie. Allemaal betreffen ze de socialistische regeringspartij PSOE en premier Sánchez. Voorlopig hoeft Sánchez nog niet voor zijn positie te vrezen.
De Spaanse premier Pedro Sánchez eind mei in het Spaanse parlement.
Op 1 juni 2018 bracht toenmalig oppositieleider Pedro Sánchez de conservatieve regering onder leiding van Mariano Rajoy ten val met een motie van wantrouwen. De reden voor de motie: vlak daarvoor had een rechter enkele kopstukken van de Volkspartij (PP) van Rajoy veroordeeld wegens corruptie. De socialistische partijleider mocht hierop proberen een regering te vormen en werd premier.
Precies acht jaar later lijken de rollen omgedraaid. Afgelopen maandag probeerde de huidige leider van de Volkspartij, Alberto Núñez Feijóo, steun te verwerven voor een motie van wantrouwen tegen premier Sánchez door de Catalaanse nationalistische partij Junts en de Baskische nationalistische partij PNV aan te bieden met de PP – maar zonder de radicaal-rechtse partij Vox – een regering te vormen. Als reden noemde hij de verschillende corruptiezaken die spelen rondom de socialistische regeringspartij PSOE en Sánchez zelf. Met zijn motie wil hij „de instellingen zuiveren”, zei hij.
De uitkomst is alleen anders dan acht jaar geleden. Hoewel Junts en PNV voorstander zijn van vervroegde verkiezingen, willen ze de PP niet steunen: regionale partijen hebben in het verleden zelden willen samenwerken met de nationalistisch-rechtse PP. De partij van Feijóo op haar beurt wil de motie niet indienen zonder toegezegde steun, omdat die stap „de aandacht zou afleiden” van de corruptie binnen de PSOE.
Sánchez hoeft voorlopig dus niet voor zijn positie te vrezen, maar duidelijk is dat de juridische en politieke druk op zijn partij en zijn positie toeneemt. In een toespraak bij de PSOE-leiding erkende Sánchez maandag dat er „fouten zijn gemaakt” en beloofde hij zijn volledige medewerking aan alle onderzoeken. Daarnaast benadrukte hij dat de PP „de enige partij is die veroordeeld is voor corruptie”. Maar de juridische procedures rondom de PSOE en Sánchez stapelen zich op. NRC zet ze op een rij.
David Sánchez, de twee jaar jongere broer van de premier die is opgeleid als violist en dirigent, ging in 2017 aan de slag als hoofd van twee conservatoria in Badajoz (Extremadura). Een paar jaar later werd hij aangeklaagd wegens corruptie, omdat deze managementpositie speciaal voor David gecreëerd zou zijn, op voorspraak van zijn broer. Pedro Sánchez was destijds net benoemd tot leider van de PSOE, maar nog geen premier.
Tijdens de eerste zittingsdagen van het proces, dat vorige week donderdag begon, hebben vele getuigen de beschuldiging weersproken. Zij stellen dat zich geen onregelmatigheden voordeden rond de benoeming van David Sánchez. David Sánchez zal zelf waarschijnlijk eind deze week getuigen.
Begoña Gómez, de 55-jarige echtgenote van de Spaanse premier, moet zich op 9 juni melden voor een voorbereidende hoorzitting, waarin besloten wordt of er een rechtszaak tegen haar komt. In april werd ze formeel in staat van beschuldiging gesteld omdat ze haar positie als premiersvrouw zou hebben misbruikt om een aanstelling te krijgen aan de Complutense universiteit in Madrid. Ook zou ze bedrijven die hun werknemers aanmeldden bij deze universiteit hebben bevoordeeld door hen toegang te bieden tot contacten bij de overheid.
Volgens onderzoeksrechter Juan Carlos Peinado heeft Gómez zich schuldig gemaakt aan verduistering, beïnvloeding, corruptie bij zakelijke transacties en misbruik van gelden. Hij heeft ook twee anderen aangeklaagd in deze zaak: Cristina Álvarez, de persoonlijk assistent die Gómez als premiersvrouw was toegewezen en techondernemer Juan Carlos Barrabés. Álvarez wordt ervan verdacht te hebben meegewerkt aan de werkactiviteiten van Gómez, terwijl Barrabés volgens de onderzoeksrechter heeft geprofiteerd van de Gómez’ invloed bij het winnen van aanbestedingen.
Opvallend is dat justitie in Spanje meermaals adviseerde de zaak te seponeren, maar de betrokken onderzoeksrechter wilde daar niets van weten. Gómez heeft altijd gezegd onschuldig te zijn en wijst er onder meer op dat ze al banden had met de universiteit voordat haar man premier werd: ze doceert er al sinds 2012.
Naast de familieband is er een andere overeenkomst tussen de zaken van Gómez en Sánchez: beiden zijn aangezwengeld door de radicaal-rechtse organisatie Manos Limpios (Schone Handen). Die organisatie staat formeel geregistreerd als vakbond, maar haar bezigheden bestaan vooral uit het indienen van klachten tegen overwegend linkse en progressieve politici.
In mei schrok Spanje op door de eerste corruptie-aantijging tegen een oud-regeringsleider in de democratische geschiedenis van het land. José Luis Zapatero, van 2004 tot 2011 premier namens de socialistische partij PSOE, wordt verdacht van corruptie, witwassen en valsheid in geschrifte omdat hij een drijvende kracht zou zijn geweest bij de controversiële redding van vliegtuigmaatschappij Plus Ultra tijdens de coronacrisis. De regering trok daar 53 miljoen euro voor uit, Zapatero en zijn dochters zouden er bijna 2 miljoen euro aan hebben overgehouden.
De nationale politie deed invallen in het kantoor van de oud-premier, die een vertrouweling is van premier Sánchez, en bij drie aan hem gelinkte bedrijven. Zapatero zou zich eigenlijk deze dinsdag bij de rechter hebben moeten melden, maar vroeg uitstel om zijn verdediging goed voor te kunnen bereiden. Het eerste verhoor staat nu gepland op 17 juni.
Vorige week woensdag deed de Spaanse politie een huiszoeking in het partijkantoor van de PSOE in Madrid in een langer lopend onderzoek naar illegale partijfinanciering. Daarbij duikt onder meer de naam op van voormalig partijsecretaris Santos Cerdán, die ook onderzocht wordt in de zaak-Koldo, de grootste corruptieaffaire die de PSOE ooit trof. In dat schandaal regelden hoge PSOE-functionarissen miljoenen aan overheidscontracten voor bevriende bedrijven tijdens de coronacrisis.
Het huidige onderzoek richt zich op een mogelijke parallelle geldstroom binnen de partij die gebruikt zou zijn om meer geld dan wettelijk toegestaan te besteden aan de verkiezingscampagne, en om „gerechtelijke onderzoeken naar de PSOE en de regering te saboteren”, zoals de Spaanse krant El País het omschrijft. Ook de woningen van meerdere PSOE-kopstukken zijn doorzocht.