Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
We hadden een goed uitzicht op het podium, waar straks onze dochters gingen dansen. Het doek ging open. De eerste dans was nog maar een paar minuten onderweg toen er een sirene klonk en een blikkerige stem ons maande de schouwburg via de nooduitgangen te verlaten.
We stonden op en liepen de zaal uit. Er was geen paniek en geen haast. Het was in deze staat van bedaarde volgzaamheid dat we de trappen naar de foyer afdaalden en er plotseling iemand met een stalen gereedschapskoffer vol spijkers door een raam viel. Zo klonk het althans. In werkelijkheid had iemand een linnen tasje met daarin een volle stalen waterfles, een flinke bos sleutels en een XL-doosje Smint laten vallen.
De timing had niet slechter gekund. Door het kabaal evolueerde de latente spanning tot een haast tastbare schrik. Als gedirigeerd door een onzichtbare leider hield de menigte collectief stil en keek iedereen de man aan die de tas had laten vallen. Uiteraard was ik die man.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Het is maar een fles’, mompelde ik, terwijl ik me bukte en het tasje oppakte. Naast me lachte mijn vrouw. ‘Wat heb je allemaal bij je?’, vroeg mijn moeder, die achter me liep. ‘Gewoon, een fles water’, siste ik.
Dit is mijn talent: op momenten dat het echt niet kan, iets onhandigs doen. Het gebeurt als ik laat thuiskom, stil een glas water wil drinken en dan een gietijzeren pan laat vallen. Of als ik een keer sjans heb met een knappe vrouw in een café, nonchalant weg wil lopen en dan met mijn rechtervoet een barkruk meeneem.
Als een moordlustige horrorclown me ooit thuis komt opzoeken, zal ik alle betrokkenen de moeite besparen en gewoon roepen: ‘Hé, ik ben gewoon boven hoor.’
Dit talent voor onhandigheid heb ik geërfd van mijn vader. Hij kan geweldig meubels opknappen of elektronica repareren, maar stoot zijn hoofd op plekken waar je je hoofd helemaal niet kunt stoten, en kan struikelen over een gladde vloer – alsof hij elke dag een nieuw paar voeten krijgt die hij steeds weer moet inlopen. We weten dat lichamelijke coördinatie niet ons fort is en hebben ons met dit gezamenlijke lot verzoend.
Toen ik de foyer bereikt had, voelde ik een hand op mijn schouder. ‘Niet erg Jules’, fluisterde mijn vader in mijn oor, ‘het had mij kunnen gebeuren.’ De troost zat in de onwrikbare waarheid. Het alarm bleek vals en we mochten weer terug naar onze stoelen. Niet lang daarna dansten mijn dochters de sterren van de hemel. Zonder ook maar één keer over hun eigen voeten te struikelen.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant