Home

‘Mijn man Wietze en ik dansten en het was meteen raak’

Coby Bruinsma-Kniep is 100 jaar. Niet zo lang geleden kwam zij achter het geheim van een mysterieuze logée in oorlogstijd.

Coby Bruinsma-Kniep is 100 jaar. Niet zo lang geleden kwam zij achter het geheim van een mysterieuze logée in oorlogstijd.

‘We moeten het nog over de oliebollen hebben!’, zegt Coby Bruinsma een paar keer nadrukkelijk, ter onderbreking van haar verhalen over een mysterieuze logée in oorlogstijd en het kweken van viooltjes. De 100-jarige groeide op in Vrouwentroost, een gehucht aan de Westeinderplassen, als dochter van een bloemenkweker en eigenaar van een hotel-café-restaurant. Ze pakt tijdens het interview geregeld de iPad erbij om foto’s bij haar verhalen te laten zien.

Hoe vindt u het om zo oud te zijn?

‘Als ik op mijn stoel zit, kan ik heel veel. Ik lees de krant, het AD, ik haak veel en op de iPad speel ik met veel mensen Wordfeud. Ik doe mee aan de activiteiten die hier in huis worden georganiseerd. Er is altijd wel wat: spelletjes, muziek, duofietsen, rolstoelwandelen.’

Wat doet het nieuws in de krant met u?

‘Ik lees alleen nog verhalen over mensen en dieren. Alles over oorlogstoestanden sla ik over, daar word ik somber van. Beelden op tv druk ik weg. Ik kijk alleen nog naar spelletjesprogramma’s. De hele wereld staat op zijn kop. In mijn jeugd had je één Hitler, nu zijn er twee: Poetin en Trump – door hen gaan veel mensen dood. Wat bezielt ze? Veel vrouwen worden weduwe, kinderen groeien op zonder vader. Na de Tweede Wereldoorlog zag ik in Duitsland vrouwen huizen metselen en met zware postzakken sjouwen – ze moesten al het zware werk doen. Het leven is maar tijdelijk, maak er iets van en vernietig niet dat van anderen, denk ik dan.’

Welke gebeurtenis tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte indruk op u?

‘In het begin van de oorlog kwam een jonge vrouw bij ons aan. Ze vroeg of wij een kamer voor haar hadden. Ze heette Trix Terwindt en vertelde dat ze stewardess was bij de KLM en door de oorlog geen werk en geen huis meer had. We hadden plek voor haar in de bloemenschuur, die in oorlogstijd toch niet gebruikt werd. Ze droeg altijd zwarte schoenen en een donkerblauwe jas, of een regenjas van de KLM.

‘Bij de schuur teelde ze wat groenten. Ze was vrij onzichtbaar voor ons, via de kas liep ze naar haar woonruimte. Geregeld zei ze dat ze bij haar ouders op bezoek ging, en dan bleef ze weken weg. Op een dag ging mijn vader een kijkje nemen in de schuur, want we hadden haar lange tijd niet gezien. Hij zag allemaal draden hangen. Dat bleken draden van zendapparatuur te zijn.

‘Door het boek Luchtmeisjes, dat veertien jaar geleden uitkwam, kwam ik erachter dat Trix vanuit onze schuur verzetswerk deed en als geheim agent werkte voor de Britse militaire inlichtingendienst. Haar opdracht was Britse piloten die waren neergeschoten in veiligheid te brengen via ontsnappingsroutes.

‘De Duitsers luisterden haar af en pakten haar op. (Het Englandspiel, waarin de Duitsers jarenlang Britse geheim agenten afluisterden, red.) Trix kwam terecht in de concentratiekampen Ravensbrück en Mauthausen en kwam verzwakt uit de oorlog. Ze is nooit meer gezond geworden.’

Wat heeft u van uw ouders meegekregen?

‘Je werk doen en elkaar helpen. Als familie zorgden we altijd voor elkaar. Als een tante ziek was, dan werd ik erheen gestuurd. We hebben ook de kinderen van een zieke tante in huis gehad, die bracht ik elke dag naar school. Mijn grootmoeder van vaderskant was weduwe en had geen eigen woning, ze verhuisde van kind naar kind, dus was ze ook vaak maanden bij ons. Dat was heel gewoon in die tijd.

‘Mijn andere grootmoeder woonde naast ons, met een van haar ongetrouwde, werkende dochters, die haar onderhield. Ik hing erg aan deze grootmoeder. Na school ging ik vaak naar haar toe, we zongen veel. Mijn ouders waren veel aan het werk. Op erg drukke dagen kwam grootmoeder mijn ouders helpen, sperziebonen afhalen en aardappels schillen voor onze gasten.’

Wat voor werk deden uw ouders?

‘Mijn vader kweekte snijbloemen zoals rozen en chrysanten. Als kind hielp ik bloemen snijden in de schuur, voordat ze naar de veiling gingen. Naast de kwekerij stond café De Driesprong, dat van zijn ouders was geweest, en zijn broer had het overgenomen. Maar het café liep niet goed. Mijn oom stopte ermee en mijn vader nam de zaak over. Hij liet het verbouwen tot een hotel en café-restaurant, we woonden erboven.

‘Met de kwekerij erbij hadden mijn ouders het altijd druk. Ze verhuurden ook bootjes aan vissers op de Westeinderplassen, die in ons hotel kwamen overnachten. In ons restaurant waren vaak bruiloftsfeesten. Vanaf mijn 14de hielp ik mee als serveerster – op het menu stond alledaagse pot: aardappelen, groenten en een gehaktbal of een karbonaadje. Het hotel begon vooral na de oorlog te lopen.’

Hoe heeft u de omgeving waarin u bent opgegroeid zien veranderen?

‘De Driesprong lag op de grens van Kudelstaart, De Kwakel en Aalsmeer. Overal waar je kwam, had je een weids uitzicht over de Westeinderplassen. Hier en daar stond een boerderijtje. Nu staat het gebied langs het water vol villa’s – kasten van huizen – met hoge hekken eromheen. Gewone mensen kunnen er niet meer wonen. Als je er langsrijdt, zijn er hele stukken waar je geen zicht meer hebt op het water, alleen de bewoners van de villa’s kunnen de plassen nog zien.’

Wie is uw grote liefde?

‘Mijn man natuurlijk, Wietze. Hij kwam uit Friesland. Hij was naar Aalsmeer gegaan om op een kwekerij te werken en in de avond de tuinbouwschool te volgen. Hij woonde bij iemand in de kost. Het was net na de oorlog, hij was er nog maar een week, toen hij naar een dansgelegenheid ging waar ik ook was met een paar vriendinnen.

‘Een politieagent sprak mij aan en zei, wijzend naar Wietze: ‘Jij durft niet met hem te dansen!’ Ik antwoordde: ‘Jawel hoor.’ Wietze en ik dansten en het was meteen raak. Hij was een leuke, gewone knul, met weinig kleren. Wij hadden thuis nog wel wat stoffen liggen, waarmee ik met hem naar een kleermaker ging om een pak en een paar broeken voor hem te laten maken.

‘Na drie jaar verkering zijn we getrouwd. We gingen bij zijn ouders op de boerderij in Langezwaag wonen. Het was een noodsprong. Wietze wilde geen boer worden, maar deed het voor zijn ouders, die zijn hulp goed konden gebruiken. Voor mij was het een stap terug in de tijd, want ze haalden water uit een put. Omdat ze geen stromend water hadden, was er ook geen douche en geen wasmachine. Dat was ik thuis wel gewend. Ik moest dus met de hand wassen. Op de boerderij zijn onze twee kinderen geboren.’

Hoe was het om bij uw schoonouders in te wonen?

‘Geven en nemen, zo is het leven. Als ik boosheid voelde, draaide ik me om en liep weg. Mijn familie zag ik niet veel, want mijn ouders hadden geen auto.

‘Na zes jaar zijn Wietze en ik weggegaan. We begonnen een eigen kwekerij, eerst in Driebergen en na een jaar in Aalsmeer. Ik was blij weer terug te zijn. Als je een eigen bedrijf begint, heb je altijd tegenslagen. Ik ben opgegroeid met hard werken en doorzetten. Belangrijk is om in de beginjaren zuinig te zijn, zuinig ben ik nog steeds.

‘Wietze en ik hebben altijd alles samen gedaan. We begonnen met viooltjes kweken. Omdat die niet zoveel opbrachten op de veiling, ging mijn man ermee naar de bloemenmarkt in Amsterdam: ‘Ik heb kwaliteit, vers van de kwekerij’, zei hij. Een paar marktlieden kwamen kijken en deden inkopen. We gingen ook andere tuinplanten, geraniums en kamerplanten kweken, en begonnen een van de eerste tuincentra in Nederland.

‘Op een gegeven moment vroeg de gemeente Amsterdam of we plantenbakken wilden vullen voor op straat. We kochten een auto en gingen met gevulde plantenbakken naar Amsterdam. Zo kwamen we op het idee om ook bakken aan kantoren te leveren. We introduceerden hydrocultuur; op kantoren zijn planten in bakken met hydrokorrels makkelijk te verzorgen. Hier gingen we mee op beurzen staan. Ons bedrijf bestaat nog steeds, nu al zeventig jaar. Onze zoon nam het over en nu heeft onze kleindochter er de leiding.’

U wilde iets vertellen over oliebollen.

‘Mijn kleinzoon Mark kwam vijf jaar geleden langs en vroeg: ‘Oma, heb jij het recept van de oliebollen die je moeder bakte toen je klein was, en die jij later zelf ook bakte?’ Wij maakten ze op de ouderwetse manier, met meel en gist dat we lieten rijzen. Een oliebol moet veren als je erin knijpt.

‘Met een stel vrienden ging mijn kleinzoon oliebollen bakken, die hij ging verkopen. Van de winst organiseert hij elk jaar feestmiddagen voor eenzame ouderen. De ruimte wordt aangekleed in de sfeer van vroeger, met muziek uit die tijd. Voor een fotoshoot voor hun website moest ik naar een café in Amsterdam dat helemaal was aangekleed in oude sferen. Cobybollen noemt hij de oliebollen. Het recept hou ik geheim.’

Voelt u zich weleens eenzaam?

‘Dat valt wel mee. Ik krijg veel bezoek van mijn kinderen en kleinkinderen. Als ik hier alleen op mijn kamer in mijn stoel zit, vraag ik mij soms wel af: wat zal ik nu eens doen?

‘Ach, dat heeft iedereen weleens. Ik doe dan mijn ogen dicht en val in slaap. Of ik zoek mensen op hier in huis. Als je niet met anderen optrekt, dán vereenzaam je.’

Geboren: 24 april 1926 in Vrouwentroost

Woont: in een woonzorgcentrum in Aalsmeer

Familie: twee kinderen, zes kleinkinderen, drie achterkleinkinderen

Beroep: ondernemer/kweker

Weduwe sinds 2014

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next