Door het herlezen van Louis Couperus’ De stille kracht werd Thomas Beijer teruggebracht naar zijn jeugd in een Indische familie. Het zette hem aan het denken over door Indië geïnspireerde muziek. Zou hij de Java Suite nu nog spelen?
De eerste keer dat ik De stille kracht van Louis Couperus las, bijna twintig jaar geleden, las ik deze roman uit 1900 met de ogen van een jonge derdegeneratie-Indo, ontvankelijk voor een zekere weemoed rond het ‘verloren Indië’ van zijn grootmoeder. Maar als zo’n jonge Indo ouder wordt en naast Couperus, Multatuli en P.A. Daum ook postkoloniale Indische literatuur begint te lezen – meest recent de bijzonder urgente essaybundel Zwerfpost van Alfred Birney –, dan vergaat die weemoed hem wel.
Nu zag ik ineens hoe genadeloos De stille kracht is achter al die stilistische parfumwolken, en vooral ook hoe visionair: een halve eeuw voordat de Indonesische revolutie zich werkelijk zou voltrekken, beschrijft Couperus het afbrokkelen van het koloniale gezag in Indië, waar de Hollanders, in de woorden van het personage Eva Eldersma, ‘eigenlijk niets te zoeken hebben’.
Dat hij dat op een veel bedektere manier doet dan Multatuli in Max Havelaar maakt de boodschap er, naar mijn idee, alleen maar indringender op.
Maar het verdwijnen van die weemoed wist de herinneringen nog niet uit.
Kleine, huiselijke herinneringen uit mijn kindertijd, die andere Indo’s waarschijnlijk bekend zullen voorkomen: verjaardagen met tafels vol Indisch eten, ooms en tantes die hun zinnen doorspekten met woorden als senang, pitjit en soedah. Mijn overgrootmoeder die me monjet noemde (aapje), en, als ik niet stil kon zitten, oeget-oeget (wriemelende muggenlarf). Oom Panki die me goedmoedig nét iets te harde djitaks (tikken met de knokkels) op mijn hoofd gaf.
Ik herinner me ook de keer dat diezelfde oom Panki vreemd ogende vruchten had meegenomen, een soort glanzende roze appels, maar in de vorm van peren, waarover hij zei dat ze jambu ayer (watervrucht) heetten, en die tot de lekkerste dingen behoorden die ik ooit had geproefd.
Ik heb ze daarna jarenlang nergens kunnen vinden, tot ik ze onlangs ineens aantrof bij de Surinaamse toko, onder de naam ‘Java-appel’. Ik kocht er een paar, nam thuis een hap – en daar was het: mijn kindertijd. Wat voor Proust de madeleine was, is voor mij kennelijk de Java-appel.
Als kind was ik blond, en mijn neven en nichten, die allemaal een veel donkerder uiterlijk hebben dan ik, plaagden me daarmee en noemden me, tot mijn immense woede, totok. (De benaming voor volbloed Europeanen in voormalig Nederlands-Indië. Indo’s, die zowel Aziatische als Europese voorouders hebben, gebruiken het woord onderling, zoals in dit geval, soms spottend en plagerig – het betekent dan zoiets als ‘kaaskop’.)
‘Ajo, dat trèk wel bij’, zei tante Soesa.
‘Weet je wat jij bèn’, riep oom Panki, ‘jij bèn een katjang bule, een blonde pinda!’ (Bule: Javaans voor ‘witte’, ‘westerling’ of ‘buitenlander’. Nogal een beladen term.)
En iedereen lachen. Maar ik niet. Ik wilde helemaal geen blonde pinda zijn. Ik wilde ook gewoon zwart haar hebben.
Het is uiteindelijk trouwens donkerbruin geworden – tante Soesa kreeg nog gelijk ook.
Mijn grootmoeder vertelde, als ze eenmaal op haar praatstoel zat, uitgebreid over haar kindertijd in Bandoeng, over hoe ze graag in bomen klom en doodsbang was als ze tussen de bladeren een boenglon tegenkwam – een grote boomhagedis met een draakachtige kam op zijn rug.
Het woord had voor mij een huiveringwekkende, mythische lading. Nog steeds, eigenlijk. Het klinkt een beetje als ‘boeman’. Terwijl het in werkelijkheid een volstrekt onschuldig en nogal sloom beest is. Mijn grootmoeder was ook bang dat de tjitjaks (kleine gekko’s), die over de muren en het plafond kropen, tijdens het eten op haar bord zouden vallen. Ze had het, kortom, niet erg op reptielen.
De stille kracht gaat uiteraard over veel grotere onderwerpen, maar het herlezen ervan zette ook al deze herinneringen in beweging van opgroeien in een Indische familie. Het bracht me er zelfs toe om, met een soort hernieuwde Indo-trots, de Javaanse objecten in mijn huis te verplaatsen naar plekken waar ze beter uitkwamen. Wajangpop daar, ingelijste gravure van het kratermeer Kawah Putih hier, garoedabeeldje daar.
Alleen mijn antieke kris (ceremoniële dolk) liet ik liggen waar die altijd ligt. Dat is geen decoratief object, daar moet je niet mee rommelen. Aan een kris kleven mysterieuze dingen die je niet wilt verstoren. Eerlijk gezegd raak ik hem bij voorkeur nooit aan, en ik bewaar hem uit het zicht, hoog op een plank, zodat iemand anders hem ook niet aanraakt.
Couperus’ personage Otto van Oudijck, de broodnuchtere resident van het fictieve Laboewangi in Oost-Java, zou het ongetwijfeld afdoen als ‘inlands bijgeloof’, maar ik weet het zo net nog niet, ik ben blijkbaar Javaans genoeg om wel degelijk te geloven in ‘dat waar je niet over spreekt’, dat wat je niet ziet maar overal is, ‘het schuilt in de grond, het sist in de vulkanen, het komt aanwaaien met de regen. Het rolt aan met de donder, het zweeft van ver uit de horizon over de eindeloze zee’. Dát...
Er bestaat een hele canon-in-de-canon van westerse componisten die zich lieten betoveren door Java en Bali. Of beter gezegd, door hun voorstelling daarvan.
Rond 1900 woedde er in Europa een heuse oriëntaalse rage: japonisme in de schilderkunst, chinoiserieën in de salons. Op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1889 hoorde de jonge Claude Debussy voor het eerst een gamelanorkest, en dat moet een openbaring voor hem zijn geweest, die bezwerende klankpatronen in trage, cirkelende beweging: muziek die niet vooruitgaat, maar ronddraait.
In zijn stukken als Pagodes en Et la lune descend sur le temple qui fut zijn de pentatoniek en de gelaagde ritmische textuur die Debussy aan de gamelanmuziek ontleende duidelijk hoorbaar, maar dat is slechts de buitenkant. De daadwerkelijke invloed, geloof ik, is het inzicht dat muziek ook statisch kan zijn, dat ze niet per se een lineair verhaal hoeft te vertellen, maar ook een existentiële toestand kan oproepen waarin de tijd lijkt te vertragen, of zelfs op te lossen.
Een heel eigenaardig geval is de Java Suite uit 1925 van de Pools-Amerikaanse componist Leopold Godowsky, een naam die tegenwoordig vooral pianisten nog iets zegt, en dan voornamelijk vanwege zijn beruchte bewerkingen van Chopins etudes, waarin de linkerhand speelt wat in de originele versie met beide handen wordt gedaan, terwijl de rechterhand tegelijkertijd een thema uit een andere etude speelt, in spiegelbeeld, in canon, ondersteboven, enzovoort.
Maar Godowsky was meer dan een virtuoze goochelaar. De inzet van de twaalf stukken die de Java Suite vormen, is niet zozeer pianistische acrobatiek, maar oosterse bedwelming – door een westerse bril, met alle charme én oppervlakkigheid van dien.
Waar Debussy de binnenkant van de gamelan absorbeerde en integreerde in zijn poëtica, schilderde Godowsky de buitenkant. Exotische landschappen met titels als Borobudur in Moonlight en The Gardens of Buitenzorg. Klinkende ansichtkaarten van de Oriënt zoals men die zich in Wenen, Parijs en New York graag voorstelde: mysterieus en sensueel.
Even mysterieus en sensueel zijn de toelichtingen die Godowsky in de partituur liet afdrukken. Bij het openingsdeel van de suite, Gamelan, schrijft hij:
‘De klank van de gamelan is zo vreemd, spookachtig, fantastisch en betoverend; de inheemse muziek zo ongrijpbaar, vaag, glinsterend en uniek, dat ik, terwijl ik luisterde naar deze nieuwe wereld van geluid, mijn gevoel voor werkelijkheid verloor en mij waande in een rijk van magie. Niets wat ik op Java zag of ervoer, bracht het mysterieuze en wonderlijke karakter van het eiland en zijn bewoners zo sterk over. De gamelan produceert de meest etherische pianissimo’s, in het bijzonder intrigerend wanneer zij van een afstand worden gehoord. Het is als een parfum van klank, als een muzikale bries.’
Zo mogelijk nog weelderiger, bij Borobudur in Moonlight:
‘Een vreemde, spookachtige, melancholieke stemming doordringt de hele atmosfeer. Diepe stilte en een gevoel van vreemdheid, van onwereldsheid, dragen bij aan de indruk van volslagen verlatenheid, aan het gevoel van onvermijdelijk verval en ontbinding van al het aardse, van de hopeloze strijd van het menselijk streven tegen de eeuwigheid.’
Hoe vertaal je die mysterieuze, glinsterende, betoverende, voor westerse oren ongrijpbare klanken van de gamelan naar die van de piano, dat Europese instrument bij uitstek? Kan dat?
(Het schiet me te binnen dat Couperus de piano in De stille kracht opvoert als symbool voor iets westers dat onverenigbaar is met Indië, voor een soort culturele misplaatsing. De vleugel die Eva Eldersma heeft laten overkomen, is binnen de kortste keren ontstemd, tussen de snaren kruipen insecten, het vilt van de hamerkoppen rot weg door het vocht van de moessontijd.)
Ik geloof niet dat het kan, maar ik geloof ook niet dat Godowsky het probeerde. De Java Suite is volkomen westers van idioom, zij het oosters gekruid, en daarmee een typische exponent van de Oriënt-rage waarmee het Europa van de vroege 20ste eeuw zichzelf graag bedwelmde.
In dit geval is het eerder eerbetoon dan toe-eigening, denk ik, want een van de cruciale verschillen tussen die twee is respect en oprechte bewondering. Bovendien moet je het in de esthetische context van de tijd zien.
Toch kleeft er potentieel iets ongemakkelijks aan zulke exotistische droommuziek. De bewondering is op zichzelf niet problematisch, maar ze kan gemakkelijk omslaan in iets wat vooral de bewondering zelf weerspiegelt. Godowsky’s Java Suite is een liefdesverklaring, zeker, maar wel die van een toerist die voornamelijk zijn eigen liefdesverklaring tot onderwerp maakt.
Of dat nu echt een probleem is, weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat ik de Java Suite in elk geval niet meer op Java zal spelen, zoals ik tien jaar geleden eens nogal naïef heb gedaan. Ik geloof niet dat iemand er toen aanstoot aan nam, maar ik zou me nu toch op z’n zachtst gezegd een katjang bule voelen.
Thomas Beijer: Zolang de muziek klinkt. Prometheus; 272 pagina’s; € 24,99.
Het Holland Festival besteedt deze editie aandacht aan Indonesische muziek. Zo speelt gamelanensemble Gamelan Salukat composities van de Balinese componist Dewa Alit (9 en 10 juni, hollandfestival.nl/nl/salukat).
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant