Home

Opinie: Moeder ben je niet zomaar, moeder kun je worden

Ouderschap zit niet (alleen) in je genen. Door ‘echt’ ouderschap gelijk te blijven stellen aan genetisch ouderschap, miskennen we de zorg en liefde die je als ouder aan je kind geeft, betoogt Sonja Alferink.

De eerste keer dat het gebeurde, stond ik met mijn mond vol tanden. ‘Even voor de duidelijkheid’, vroeg de pedagogisch medewerker zonder enig ongemak, ‘maar wie van jullie twee is Rafa’s echte moeder?’ Daar sta je dan, met diepgrauwe wallen van de zoveelste gebroken nacht. ‘Eh’, stamelde ik. ‘Allebei’, verkondigde Anna. Rafa heeft in mijn buik gezeten, maar we zijn allebei zijn moeder.’ Zo begon Rafa’s allereerste crèchedag en werden wij voor de allereerste keer geconfronteerd met de vraag waarvan je wist dat die zou komen.

Zeven jaar later ben ik klaar met de vragen van buiten, maar vooral met mijn eigen geïnternaliseerde onzekerheid, die me in mijn eerste jaren als moeder zo hardnekkig belemmerde om ontspannen van mijn rol te genieten. Het zit ‘m in het woordje ‘echt’. Voor veel mensen valt echt ouderschap samen met biologisch ouderschap. Anna is de biologische moeder van Rafa, ik ben zijn niet-biologische moeder. Maar wat bedoelen mensen eigenlijk als ze het hebben over biologisch ouderschap? En waarom is deze component van het ouderschap zo vanzelfsprekend ‘echt’?

Over de auteur

Sonja Alferink is schrijver en politicoloog. Ze schrijft over queer thema’s en ouderschap.

Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.

Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.

Mythe

Om met die eerste vraag te beginnen: zuiver biologisch ouderschap is een mythe gebleken. Nou ja: niet in de praktijk, maar wél als allesomvattend concept. Stel dat mijn vrouw Anna zwanger was geweest van een eicel uit míjn buik: wie was dán Rafa’s echte, biologische moeder geweest? De barende moeder (Anna), of de genetische moeder (ik)? In onze moderne tijden blijken de losse onderdelen van ons voortplantingssysteem zich ook op andere manieren te kunnen voltrekken.

Vrouwen kunnen pillen slikken om zwangerschappen bij voorbaat tegen te houden. Of juist om een zwangerschap te stimuleren. De bevruchting kan tegenwoordig buiten de baarmoeder plaatsvinden, al dan niet hormonaal gestimuleerd. Te vroeg geboren baby’s kunnen verder groeien in een couveuse of kunstmatige baarmoeder. Bevallingen kunnen worden opgewekt of operatief worden uitgevoerd. Als biologisch ouderschap de graadmeter is voor wie een echte ouder is, dan zijn er een heleboel onechte ouders in Nederland.

Omgevingsfactoren

En hoe bepalend is biologie in het ouderschap zelf? Rafa en ik zijn op elkaar gaan lijken. Ik herken de manier waarop hij zijn lip optrekt als hij zenuwachtig is, de manier waarop hij zijn handen achter zijn rug houdt als hij ergens staat te wachten. De woorden die hij kiest, de zinnen die hij maakt. Maar ook hoe hij zich (niet) uit als hij boos is. Hoe bewust en gevoelig hij is voor de wereld om hem heen. Kinderen leren door te luisteren en te kijken naar de mensen in hun omgeving, en door hun gedrag, houding en taal te kopiëren. En dat beïnvloedt zelfs de manier waarop genen zich ontwikkelen. Iemands genetische blauwdruk ligt vast, maar omgevingsfactoren – zoals opvoeding – beïnvloeden welke genen tot uitdrukking komen en welke niet. Wat was ook alweer ‘biologisch ouderschap’?

Als mensen vragen naar de echte of de biologische moeder, vragen ze niet hoe de bevruchting is gegaan of hoe natuurlijk de bevalling was, maar wie de genetische moeder is. En daarna wie het kind in haar buik gedragen heeft. Als Anna zwanger was geweest van mijn eicel, dan zouden mensen míj als ‘echte ouder’ zien, niet Anna. Daarom gaat er geen kraambezoek voorbij zonder een antwoord op die ene vraag: op welke broer/tante/neef lijkt de baby het meest? En daarom moest onze donor Stag eerst afstand doen van zijn vaderschap voordat ook ik voor de wet de moeder kon zijn die ik al was.

Culturele invulling

Maar waarom eigenlijk? Zoals de invloedrijke antropoloog David M. Schneider in zijn boek American Kinship in 1968 al stelde, heeft die focus op genetische verwantschap niet alleen te maken met de biologische betekenis van deze aspecten, maar ook met onze culturele invulling daarvan. Het is de menselijke behoefte om ergens bij te horen. Een stilzwijgende afspraak die we met elkaar maken, een sociaal contract in zekere zin, dat voorschrijft om als familie voor elkaar te zorgen, van elkaar te houden en er voor elkaar te zijn – onvoorwaardelijk en niet onderhandelbaar, want het contract wordt zonder pennenstreek getekend nog voordat je geboren wordt.

Generaties lang was – en is – genetische verwantschap een overzichtelijke manier om orde te scheppen in de menselijke chaos. Het regelt de erfopvolging van materiële bezittingen en de overerving van sociaal kapitaal, zoals naam, status en sociale positie. ‘Human beings with their complex sets of values, assumptions, and ideologies pick out certain biological phenomena as being those that constitute reproduction’, schrijven Anna Smajdor en Daniela Cutas treffend in hun artikel ‘The Social Construction of Reproduction’ uit 2025.

Die erfopvolging is leuk, voor als je een landgoed erft of een adellijke titel van je vader, de kasteelheer. Handig ook, om als menselijk collectief met elkaar een systeem te verzinnen dat regelt wat van wie is en wie zorgdraagt voor wie. Een effectieve sociale ordening. Maar is het logisch dat BN’ers in Verborgen Verleden tot tranen toe geroerd zijn bij een graf van een genetische voorouder die een eeuw of zeven geleden overleed? Hoe normaal is het om te spreken van een ‘halfbroer’ als je een volledige geschiedenis, opvoeding en ouderlijke liefde met elkaar deelt?

Het is mooi en betekenisvol, om je genen te delen met een kind. Net zoals het bijzonder is om negen maanden een kindje in je buik te dragen. Niet onbelangrijk en allerminst verwaarloosbare details. Maar evenmin de enige waarachtige manier om ouder van een kind te zijn.

Baren van een kind

Naast genetische verwantschap is het baren van een kind de tweede component in het biologische reproductieproces waar mensen veel betekenis aan toedichten. ‘Mater certa semper est’, zegt de Nederlandse wet (artikel 1:198 BW). Oftewel: de vrouw die baart is de rechtmatige moeder, absoluter nog dan haar genetische evenknie. Als Anna zwanger was geweest van mijn eitje, dan was Anna voor de wet wél de rechtmatige moeder geweest, niet ik. ‘Tota mulier in utero’, zeiden ook de Romeinen al. Vrij vertaald: de vrouw ís een baarmoeder. Zwangerschap als prestatie, het moederschap als lotsbestemming voor eenieder die als vrouw geboren wordt. De bijna mythische status die we toedichten aan alles wat met bevruchting, baren en bevallingen te maken heeft, heeft daarom alles te maken met de traditionele rol van vrouwen in onze westerse cultuur: als moeder, verzorger, de spil van het gezin.

What does it all matter, zou je kunnen denken. Nou, best wel veel. Allereerst is die preoccupatie met het biologische ouderschap pijnlijk, voor moeders, vaders en andere ‘niet-biologische’ ouders, zoals ik. Achter de vraag wie Rafa’s echte moeder is, gaat een hiërarchie schuil die de legitimiteit van míjn ouderschap ter discussie stelt. Die twijfel voel je, door alles heen. Ik heb in die eerste jaren als moeder behoorlijk moeten zoeken naar wie ik was als, toen ik vooral níet bleek te zijn. Dat had impact op mijn zelfvertrouwen, mijn band met Rafa en mijn relatie met Anna. Het was een eenzame exercitie; een niemandsland waarin ik mijn eigen weg heb moeten vinden. Ik heb heel bewust en hard moeten werken voor mijn plek, zowel thuis als in de publieke ruimte.

Net zo betrokken

En waarom eigenlijk? Studies naar modern ouderschap laten keer op keer zien dat ‘sociale’ ouders net zo betrokken, competent en effectief zijn in hun opvoedingsrol en net zo’n sterke band met hun kinderen kunnen opbouwen als hun genetische tegenhangers (zie bijvoorbeeld het langlopende onderzoek naar lesbisch ouderschap van onder meer Henny Bos en Nanette Gartrell). Voor het welzijn van kinderen blijkt het bovendien niet uit te maken of ze genetisch aan hun ouder(s) verwant zijn, welk geslacht hun ouders hebben of in welke buik ze hebben gezeten, zoals bijvoorbeeld Susan Golombok stelt in haar boek Modern Families uit 2015. Wat telt, is dat ouders (v/x/m) voldoende emotioneel betrokken zijn, grenzen kunnen stellen en respectvol met elkaar omgaan.

Veel queers en andere ‘moderne’ wensouders kiezen heel bewust voor het krijgen van een kind. Dat maakt ze betrokken, goed voorbereid en ‘klaar’ voor het ouderschap (voor zover je dat ooit goed en wel kunt zijn). Bovendien zitten queer ouders niet zo vast in traditionele vader- en moederschapsrollen. Gelijkwaardigheid is vanzelfsprekender. Er is ruimte, om een éigen identiteit te ontwikkelen als ouder; een rol die past bij wie je bent.

Zorg en liefde

Door ‘echt’ ouderschap gelijk te blijven stellen aan genetisch ouderschap, miskennen we een component die op zijn minst net zo belangrijk – zo niet belangrijker – is: de zorg en liefde die een ouder zijn kind geeft. Het gezin waar zij/hij/die opgroeit. Het goede voorbeeld dat je iedere dag weer probeert te zijn. Het feit dat je er bent. Moeder ben je niet zomaar, moeder kun je worden. Door je kinderen te troosten, te koesteren en lief te hebben. Door samen ijsjes te halen op een warme zomeravond. Door op de vroege zaterdagochtend coachend langs de lijn te staan.

Ik stond er toen Rafa op zijn eerste schooldag met trillende lippen van de spanning terug in mijn armen vloog. Ik sta er, nu zijn opa dood is en hij verdrietig is omdat hij ‘nu weet hoe het is om iemand te verliezen’. Ik ben supertrots op hem en ik zou mijn leven voor hem geven. Is dat geen ouderschap? Is dat niet óók ouderschap?

Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next