Home

Sietse (2) heeft een ziekte die bijna niemand heeft: ‘Er is een mogelijk medicijn, maar we kunnen er niet bij’

Wat als je kind een zeldzame genetische ziekte heeft? Als er al een (experimentele) behandeling is, moeten ouders die zelf betalen – voor farmabedrijven is het financieel niet interessant. ‘Het enige wat tussen dit jongetje en een mooi leven in staat, is geld.’

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft over gezondheid.

De wereld van Sietse is niet groter dan de dieren uit zijn prentenboek, die hij met zijn handen allemaal kan nadoen: twee knuistjes op zijn hoofd voor de koe, twee cirkels voor zijn ogen voor de uil en voor de egel vijf gespreide vingers. 2 jaar oud is hij, een blond en tevreden jochie dat het ene na het andere boek uit de lage kast trekt, zonder besef van de donkere wolken die boven hem samenpakken.

Vorige week was zijn bijna even oude neefje op bezoek, vertelt zijn vader Lammert Bakker in de Utrechtse woonkamer waar Sietse op de grond speelt. En dat was, opnieuw, confronterend. Want het neefje kan lopen, praten en zelfs mopperen, en Sietse kan dat allemaal niet. Sterker: alles wat hij nu nog wél kan, zal hij de komende jaren langzaam kwijtraken, een gevolg van de ongenadige ziekte die hem heeft getroffen.

De diagnose kwam in september vorig jaar, tijdens een vakantie in Italië. Na maanden van onderzoek was eindelijk duidelijk waarom Sietse achter begon te lopen bij andere kinderen, waarom hij niet rechtop kon zitten, geen interesse had in zijn speelgoed, vaak zijn tong uit zijn mond had. ‘Ik had zo gehoopt dat ik een overbezorgde aansteller was geweest’, zegt zijn moeder Simone Struijk. Maar het DNA-onderzoek was onverbiddelijk: Sietse leed aan de ziekte SGP47, een progressieve aandoening die steeds meer zenuwbanen in de hersenen en het ruggenmerg aantast. Langzaam zal hij het vermogen verliezen om te bewegen, te praten en te denken.

Lammert en Simone bleken allebei, zonder dat te weten, drager van een afwijkend gen dat ze op hun zoon hadden overgedragen. Nog tijdens hun vakantie begonnen ze, googelend op hun telefoon, aan een zoektocht naar informatie. Ze lazen dat SGP47 zeer zeldzaam is, wereldwijd zijn tot nu toe 120 patiënten gediagnosticeerd. Al snel zaten ze in een appgroep met andere ouders, uit de hele wereld. De foto’s en filmpjes van oudere kinderen boden een beangstigende blik op de toekomst van hun peuter.

Al snel hoorden ze over Boston, waar het gerenommeerde, aan Harvard gelieerde kinderziekenhuis een klinisch onderzoek naar gentherapie voorbereidt. Dierproeven zijn succesvol afgerond, het medicijn ligt klaar, de eerste kinderen kunnen worden behandeld. Er is alleen één probleem: het geld ontbreekt om te kunnen beginnen.

‘Daar lig ik ’s nachts wakker van’, bekent kinderneuroloog Darius Ebrahimi-Fakhari in een videogesprek tijdens zijn weekenddienst in het Boston Children’s Hospital. De tijd dringt, legt hij uit: als de gentherapie effectief is, dan kan daarmee de achteruitgang worden stopgezet maar niet de al aangerichte schade worden hersteld. ‘Hoe langer we wachten, hoe meer kinderen straks niet meer voor de behandeling in aanmerking komen.’ Sietse is nog jong, hij is nu nog een van de kandidaten.

Om het onderzoek te kunnen voortzetten is 5 miljoen euro nodig, een schijntje voor de farmaceutische miljardenindustrie, weet Ebrahimi-Fakhari. Maar welk farmabedrijf en welke durfkapitalist hij ook belde, zodra hij vertelde hoe zeldzaam de ziekte is, haakten ze af. ‘Het probleem is dat ze hun investering willen terugverdienen, op niet al te lange termijn.’

Er is maar één optie, zegt hij, en dat is filantropie. Ouders van kinderen met SGP47 moeten zelf geld gaan inzamelen om de behandeling mogelijk te maken. Dat probleem is niet uniek, er zijn zo’n zevenduizend zeldzame ziekten, voor 95 procent bestaat geen behandeling. Vaak staat geld een oplossing in de weg.

Dat besef gaf de ouders van Sietse vleugels om in razend tempo een sponsoractie op te zetten. Vrienden en familie boden massaal hulp aan, er werd hardgelopen, gefietst en gewandeld om geld in te zamelen. Op 8 maart, de dag dat Sietse 2 jaar oud werd, stond de teller van de actie Samen voor Sietse op ruim 2,5 ton. Nog elf andere families, overal in de wereld, deden hetzelfde, samen haalden ze in een paar maanden tijd 1 miljoen euro op.

Maar dat is niet genoeg. ‘Het is zo frustrerend’, zegt Sietses moeder Simone. ‘Er bestaat een medicijn dat hem mogelijk kan helpen, maar we kunnen er niet bij.’

‘Het paard van Troje’

Tien jaar geleden verhuisde kinderneuroloog Darius Ebrahimi-Fakhari vanuit Duitsland naar Boston, waar hij kort na aankomst twee kleine meisjes ontmoette met dezelfde zeldzame, ernstige ziekte. Robbie en Molly hadden last van spasmes en een lage spierspanning in hun benen. Hun ziekte had weliswaar een naam (hereditaire spastische paraplegie type 47), maar de onderliggende DNA-fout was pas kort daarvoor ontdekt en wereldwijd waren maar een paar kinderen bekend. De ouders van de twee meisjes zetten een stichting op en zamelden geld in waarmee Ebrahimi-Fakhari onderzoek kon gaan doen naar de oorzaak en een mogelijke behandeling.

Zijn lab ontdekte wat er in de cellen van Robbie en Molly (en Sietse) verkeerd gaat: door het gendefect is daar het transportsysteem van eiwitten ontregeld geraakt. Zenuwcellen zijn daar extreem gevoelig voor: als gevolg van het haperende transportmechanisme hoopt zich een eiwit op, waardoor het afval- en recyclingsysteem in de cel spaak loopt en cellen doodgaan.

Gentherapie zou verreweg de beste oplossing zijn, omdat daarmee de oorzaak van de ziekte wordt aangepakt: als het zou lukken om een gezond gen in de cellen af te leveren, dan zouden daar de juiste genetische instructies klinken en kan het transportsysteem weer gaan functioneren. Samen met hoogleraar Mimoun Azzouz, hoogleraar translationele neurowetenschappen aan de Universiteit van Sheffield, begon het team uit Boston aan een jarenlang onderzoekstraject.

‘Het paard van Troje’: zo noemt Ebrahimi-Fakhari de behandeling waaraan hij nu zeven jaar werkt. Het in het lab nagemaakte gezonde gen zit verpakt in een leeggemaakt virus. Virussen doen steeds hetzelfde kunstje, legt hij uit: hun pakketje DNA afleveren, zich vermenigvuldigen en naar de volgende cel gaan. Een test met de zenuwcellen van Robbie, Molly en een paar andere kinderen liet overduidelijk zien dat de methode werkt: het betrokken eiwit hoopt zich niet meer op en wordt op de juiste wijze door de cellen vervoerd, wat de zenuwcellen voor verdere afbraak behoedt. Onderzoek bij dieren bevestigde dat resultaat. De strenge veiligheidsstudies zijn ook afgerond.

Eind 2024 publiceerden de wetenschappers hun bevindingen in EMBO Molecular Medicine, vorig jaar zomer gaf de Amerikaanse toezichthouder FDA toestemming om aan een onderzoek bij kinderen te beginnen. Het genetische medicijn is gemaakt in een lab in New York, daar was zo’n 1,5 miljoen euro voor nodig, zegt Ebrahimi-Fakhari. Hij verwacht dat er genoeg is voor vijf tot acht kinderen.

Voor die experimentele behandeling moeten de kinderen met hun ouders naar Boston komen. Daar zullen artsen het medicijn inspuiten in de holte met hersenvocht aan de achterkant van hun hoofd. Zo omzeilen ze de bloed-hersenbarrière, het ingebouwde beveiligingssysteem dat de hersenen beschermt tegen schadelijke stoffen, want die holte ligt achter die barrière.

Als alles goed gaat, duurt het twee jaar voordat alle kinderen, een voor een, zijn behandeld. En dan nog eens twee jaar voordat duidelijk is of de gentherapie veilig is en mogelijk effectief. Als dat zo is, moet een groter onderzoek volgen en pas als dat succesvol is, kan het genmedicijn voor alle kinderen beschikbaar komen. ‘Ik weet dat er financiële steun komt van bedrijven zodra wij bij de eerste kinderen een effect kunnen aantonen, dus het is zaak om die eerste horde te nemen’, verzucht Ebrahimi-Fakhari.

Een week eerder heeft hij Amerikaanse Congresleden rondgeleid en hun over zijn werk verteld. Hij laat de video zien die hij heeft vertoond, met foto’s van kinderen uit de hele wereld. Robbie en Molly, de vriendinnetjes die hij aan het begin van zijn carrière in Boston ontmoette, zijn inmiddels 12 en zij blijken meer lotgenootjes te hebben dan gedacht. Het internationale register dat het kinderziekenhuis in Boston heeft opgezet telt 120 namen, en dan zijn er nog eens 180 kinderen met een iets ander genetisch defect dat dezelfde problemen oplevert met het transportsysteem in de cellen. Ebrahimi-Fakhari heeft met alle ouders en kinderen contact.

Het is een krachtig beeld, merkt hij, al die kleine koppies bij elkaar. ‘Het maakt zo goed duidelijk dat dit een echt probleem is en niet zomaar een abstract wetenschappelijk vraagstuk.’

Miljoenen bijeengebracht

Robbie, een van de Amerikaanse meisjes met wie de zoektocht naar een medicijn tien jaar geleden begon, zit al bijna vier jaar in een rolstoel. Haar spraak en haar denkvermogen zijn achteruitgegaan, vertelt haar vader Chris Edwards tijdens een videogesprek in de garage, waar hij op de reparatie van zijn rolstoelbus wacht. ‘En toch gaat het heel goed met haar, ze is vrolijk en sociaal en zich totaal niet bewust van haar eigen beperkingen.’

Edwards zet zich al jaren onvermoeibaar in om de ziekte van zijn dochter op de kaart te zetten. Hij bracht samen met andere ouders miljoenen bijeen en zette een paar jaar geleden met eigen geld een biotechbedrijf op, om de ontwikkeling van het genetisch medicijn verder te brengen. Dat moest wel, zegt hij, want met slechts 120 patiënten in de hele wereld, van wie een deel al te oud is voor de behandeling, ging in geen enkel farmabedrijf de rode loper uit.

Zo komt het bij de ziekte SGP47, net als bij al die andere zeldzame ziekten, aan op de ouders, die noodgedwongen publieke campagnevoerders worden. Die journalisten thuis uitnodigen, hun kind op de foto laten zetten, over hun emoties praten. Ook Lammert en Simone gaven de afgelopen maanden een groot deel van hun privacy op, om maar voldoende geld op te kunnen halen.

Dat is zo oneerlijk, zegt Chris Edwards. ‘Ik weet wat ouders doormaken, ik praat veel met ze. Ze rouwen om het verlies van hun kind, om de toekomst van hun kind. En tot op zekere hoogte ook om hun eigen toekomst. En alsof dat niet genoeg is, vragen we ze ook nog om geld te gaan inzamelen. Dat voelt heel ongemakkelijk. Toch zijn er families die erin slagen de emotionele klap te verwerken en aan de slag te gaan. Zonder hen zouden we nooit zover zijn gekomen.’

Hij houdt hoop op een goede afloop, zegt hij. Zijn biotechbedrijf blijft zoeken naar investeerders en heeft bij gezondheidsfondsen twee subsidies aangevraagd. Eind dit jaar weet hij of die worden toegekend.

Maar de ontwikkeling van de gentherapie, waar hij al tien jaar elke dag mee bezig is, en waar hij zoveel eigen geld heeft ingestopt, komt voor zijn eigen dochter te laat. Robbie is nu 12, aan het onderzoek doen alleen jonge kinderen mee, bij wie de schade in het brein nog niet te groot is. Mocht het medicijn over een paar jaar op de markt komen, dan is nog maar de vraag of Robbie ervan kan profiteren. ‘De belangrijkste fase van de hersenontwikkeling is bij haar achter de rug. Hoe ouder een kind wordt, hoe kleiner het nut.’

Toch heeft hem dat niet minder strijdbaar gemaakt. ‘Ik wil erbij zijn als het eerste kind dit medicijn krijgt’, zegt hij, ‘ik wil zien hoe het hun leven verandert. Ik beschouw dat als de nalatenschap van Robbie.’

‘Wetenschap is hard vooruitgegaan’

De zaal in het Amsterdamse Trippenhuis is doodstil als de Amerikaanse Julia Vitarello een korte video laat zien over haar dochter Mila. We zien haar zingen, skiën en rennen, maar gaandeweg de jaren gaat het meisje steeds moeilijker lopen. Ze komt de trap niet meer op, ze valt om, verliest haar spraak. De diagnose kwam toen ze 6 jaar oud was: de ziekte van Batten, een zeldzame progressieve, dodelijke stofwisselingsziekte. En dan ook nog een genetische variant die uniek was in de wereld.

Het gevecht van de moeder voor het leven van haar dochter haalde het wereldnieuws. Ze zamelde miljoenen in en vond geneticus en neurowetenschapper Timothy Yu bereid om een uniek genetisch medicijn te maken dat de naam kreeg van haar dochter: milasen. Yu werkt in het academisch kinderziekenhuis in Boston, waar ook de gentherapie voor Sietse en zijn lotgenootjes wordt ontwikkeld. Milasen was effectief, een jaar lang ging Mila niet achteruit, maar de ziekte had in haar hersenen al zoveel schade aangericht, vertelt haar moeder, dat ze op 10-jarige leeftijd overleed.

Vijf jaar later reist Julia Vitarello de wereld over en vertelt ze ook in Amsterdam op een wetenschappelijk congres over haar missie: de ontwikkeling stroomlijnen van geneesmiddelen tegen zeldzame ziekten. Er zijn zevenduizend erfelijke ziekten die jaarlijks miljoenen kinderen treffen en veel van die aandoeningen hebben vergelijkbare oorzaken. Zo kan onderzoek naar de ene ziekte veel betekenen voor de oplossing van een aanverwante ziekte. En dan zijn er opeens wel genoeg patiënten om het voor de farma-industrie interessant te maken.

Na afloop van haar lezing vertelt ze hoe ze erin slaagde om de miljoenen bijeen te brengen voor haar dochters gentherapie. ‘Ik heb brieven geschreven aan iedereen die ik kon bedenken en voor ouders had ik steeds dezelfde boodschap: ik heb de genetische loterij verloren, jij hebt gewonnen, want je hebt een gezond kind. Ik speelde in op hun schuldgevoel.’

Het verhaal over Sietse grijpt haar aan, zegt ze, omdat het zo op dat van haar dochter lijkt. ‘Lange tijd konden we niets voor deze kinderen doen, maar dat is veranderd. De wetenschap is hard vooruitgegaan, er zijn zoveel geweldige artsen die kunnen helpen. Het enige wat tussen dit jongetje en een mooi leven in staat, is geld.’

In Utrecht hebben Lammert en Simone gebarentaal geleerd. Praten is lastig voor Sietse, maar hij begrijpt nog wel wat zijn ouders zeggen en de dieren uit de boekjes kan hij met zijn handen een naam geven. Onlangs heeft hij zijn eerste stapjes gezet, ‘een fantastische mijlpaal’, zegt zijn moeder Simone. Toch staat in de gang van hun huis alvast een loophulp.

Hoe snel hun zoon achteruit zal gaan, weten ze niet, of hij de volwassen leeftijd zal bereiken en hoe het hem dan zal vergaan, is onduidelijk. De ziekte is pas vijftien jaar geleden ontdekt, de kinderen van voor die tijd hebben vaak geen diagnose gekregen. De weinige beelden die Simone tegenkomt in de internationale appgroep stemmen haar verdrietig: ‘Dan zie ik een volwassen vrouw op een schommel, met het verstand van een klein kind.’

De maandenlange sponsoractie heeft veel van ze gevraagd. Er moest een stichting komen en een website, een actiecomité, een pr-strategie, een betalingssysteem. Toch willen ze nog een nieuwe poging wagen. 4 miljoen euro, dat komt neer op een miljoen keer 4 euro, de prijs van een kop koffie buitenshuis. ‘Als een miljoen mensen één keer een kop koffie minder kopen, dan zijn we er’, zegt Lammert. ‘Koekjes en limonade’, noemt Julia Vitarello die strategie: geld bij elkaar sprokkelen.

Opnieuw moet Sietse het boegbeeld worden van hun actie, een vrolijk jongetje aan wie je niets kunt zien. Dat maakt het extra ingewikkeld, zegt zijn moeder: ‘Bij kinderen met kanker is de ziekte meteen zó zichtbaar. Dat Sietse achteruit zal gaan, is niet in beeld te brengen.’

‘Tijd is onze vijand’, zegt ze. ‘Elke dag met Sietse voelt als een avontuur. Gaat hij nog vooruit? Blijft hij stabiel? Heeft hij misschien een slechte dag?’ Ze vreest voor het moment waarop ze zich zal realiseren dat wat ze ziet geen slechte dag is, maar dat de achteruitgang is begonnen.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next