Home

Ton Anbeek (1944-2026): verslingerd aan literatuur

De laatste bladzijde Spitsvondig, erudiet, belezen, zo herinneren vrienden en familie zich hoogleraar Nederlandse letterkunde Ton Anbeek. Bredere bekendheid verwierf hij met zijn oproep tot meer ‘straatrumoer’ in de Nederlandse roman.

Ton Anbeek in 2009.

Hij heeft – bij dezen – gelijk gekregen. In 1990 schreef hoogleraar Nederlandse letterkunde Ton Anbeek in literair tijdschrift Dietsche Warande en Belfort: „Veel mensen willen in stilte begraven worden – van mij zal men afscheid nemen met straatrumoer. Want gesteld dat er op dat moment een paar regels in de krant aan mijn verscheiden zullen worden gewijd, ongetwijfeld komt men dan weer aanzetten met dat vermaledijde straatrumoer. Het is om hoorndol van te worden!” Anbeek overleed op 6 april op 81-jarige leeftijd.

Dat ‘vermaledijde straatrumoer’ kwam uit het artikel ‘Aanval en afstandelijkheid’ dat Anbeek een kleine tien jaar eerder had gepubliceerd in De Gids. Hij maakte daarin een vergelijking tussen romans van drie op de buitenwereld gerichte Amerikaanse schrijvers (John Irving, Joseph Heller, Kurt Vonnegut) en twee vooral met de binnenwereld van hun personages begane Nederlandse auteurs (Maarten ’t Hart, Oek de Jong), oordeelde in het voordeel van de Amerikanen en besloot: „Misschien zou een beetje meer straatrumoer de Nederlandse roman geen kwaad doen.” Ondanks dat „misschien”, het „beetje” en het bescheiden „geen kwaad” sloeg Anbeeks verhaal in het literair academische wereldje in als een bom, al hing een en ander waarschijnlijk ook samen met het besluit van De Gids om direct liefst negentien (!) mensen te vragen om op Anbeeks beweringen te reageren.

Hij had geen ongelijk. Het debat over ‘straatrumoer’ in de Nederlandse literatuur zou nog verschillende malen terugkeren – mede dankzij Joost Zwagerman – en de naar binnen gekeerde blik is allang niet meer de norm in de Nederlandse roman. Toch voelde Anbeek zich als wetenschapper ten onrechte gereduceerd tot dat ene artikel, door hem bedacht toen hij een jaar doceerde op de University of California in Los Angeles. Het was in allerlei opzichten een veelbewogen jaar, schreef hij decennia later aan zijn dochter: ”Mijn (eerste) Amerikaanse geliefde verliet mij. Vlak bij mijn appartement was een High School met een groot sportterrein. Daar ging ik aan het eind van de middag heen om hard te lopen tot ik uitgeput was. Ik had een boekje gekocht dat How to Fall out of Love heette. Daar stond in dat ik in een lange brief alles wat ik tegen mijn ex had op een rij moest zetten. Dat deed ik, verstuurde de brief en ging weer hardlopen. Kwam terug, pakte het boekje en las op de volgende bladzij: ‘Verstuur de brief niet’ Tja, te laat.”

Eén college psychologie

Antonie Gerrit Hendrik Anbeek van der Meijden was in heel andere sferen opgevoed. Hij werd geboren in 1944 in Veenendaal in een streng apostolisch-christelijk gezin. Dankzij zijn leraar Nederlands – de latere hoogleraar Guus Sötemann – raakte hij verslingerd aan literatuur. Samen met zijn geliefde (en eerste echtgenote) Charlotte Mutsaers ging hij Nederlands studeren in Amsterdam, al volgde hij daar ook één college psychologie, waar hij schielijk vertrok nadat de docent waarschuwde dat studenten niet moesten verwachten dat zij er hun eigen psyche zouden leren doorgronden

De jonge Ton Anbeek.

In 1969 kreeg Anbeek in Amsterdam zijn eerste aanstelling als docent. Een van zijn studenten was de enkele jaren jongere Adriaan van Dis, die zich herinnert: „Het waren de jaren van democratisering aan de universiteit. Iedereen kreeg overal een zeven voor.” Op een dag constateerde Anbeek aan het begin van zijn college dat geen enkele student de gevraagde lesstof had gelezen. „Gaan jullie dan maar weer weg”, zei Anbeek. Van Dis: „Ik ben meteen op hem afgestapt om hem te complimenteren.”

Het was het begin van een levenslange vriendschap. De gesprekken aan de universiteit gingen naadloos over in cafégesprekken. Van Dis ging jarenlang met Anbeek en hun gezamenlijke vriend René Appel op vakantie. „Ik laafde mij aan zijn kennis en belezenheid. Ton kon niet dansen, zwemmen of koken. Zo vulden we elkaar aan. We praatten, lazen, maakten samen gedichten.”

Appel – die lange tijd met Anbeek en een groepje universiteitscollega’s voetbalde in het Amsterdamse Bos – was diep onder de indruk van de spitsvondigheid van zijn vriend. „Hij had een enorme snelheid van denken, kon bijzonder enthousiast zijn over de dingen die hij zag of las; maar ook kritisch of zelfs cynisch.”

Die snelle geest zorgde er onder meer voor dat Anbeek in 1982 werd benoemd tot hoogleraar in Leiden. Hij viel – behalve door zijn opmerking dat van alles in Leiden de trein terug naar Amsterdam hem toch het beste beviel – op door de breedte van zijn onderzoek, zegt zijn collega en opvolger als hoogleraar Jaap Goedegebuure. „Ton wilde zich niet eindeloos bezighouden met het werk van een enkele dichter, hij wilde literatuur in haar context laten zien.”

Vertoornd

Anbeek was een van de oprichters van het tijdschrift Literatuur, waarin gepoogd werd precies dat te doen. Zijn belangrijkste werk is wat Goedegebuure betreft het handboek Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, 1885-1985 uit 1990, waarmee hij generaties studenten wegwijs maakte in zijn vakgebied. Dat boek kwam hem op forse kritiek te staan, die overigens weinig van doen had met wat erin stond. Vlaamse collega’s waren vertoornd dat Anbeek zich had beperkt tot literatuur uit Nederland. „Er is een tijd geweest dat ik bijna niet naar Antwerpen durfde te gaan uit angst om in elkaar te worden geslagen”, blikte hij jaren later terug. Anbeek – die in 2005 afscheid nam van de universiteit – publiceerde zelf ook enkele romans. Inderdaad, hij werkte hard. „Ik functioneer het beste op het randje van overspannenheid”, zei hij eens tegen het Leidse universiteitsblad Mare.

Anbeek trouwde halverwege de jaren tachtig met Henriëtte de Wever. Hun dochter Emma Anbeek van der Meijden (1987) vertelt: „Mijn vader was altijd nieuwsgierig, ook naar mijn vrienden. In het verzorgingstehuis waar hij de laatste jaren woonde, was hij heel erg geliefd.” Als kind realiseerde ze zich niet dat haar vader „iemand was” in de wereld, zegt ze. „Hij was altijd druk bezig, maar ik mocht hem altijd storen. Als ik naar een boek vroeg, haalde hij altijd iets uit de kast – literatuur, maar ook boeken over mystiek of feminisme. Hij was de meest belezen persoon die ik kende, maar altijd overtuigd dat er nog iets was wat hem zou prikkelen. Ook een gedicht uit de Viva kon hij de moeite waard vinden. Hij keek nergens op neer.”

Ton Anbeek met zijn dochter.

In deze rubriek elk weekeinde een portret van iemand die recent is overleden.

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next