Even overtuigend als briljant beargumenteren Beatrice de Graaf en Niels Drost dat het Westen Poetins imperiale dromen serieus moet nemen – dat doet hij zelf immers ook. Zijn ‘heilige missie’ in Oekraïne is daarvan het bewijs.
Vanuit mijn vaste eettentje in de wijk Cihangir had ik het live op televisie zien gebeuren. Een verblindende lichtflits, daarna paniek. Er waren 48 doden en meer dan 160 gewonden, het merendeel politieagenten.
De aanslag, nabij het stadion van de voetbalclub Beşiktaş in Istanbul, werd opgeëist door het Koerdisch verzet.
In de televisie- en krantencommentaren die volgden weerklonk een term die mijn oren deed spitsen: üst akıl. Het betekende zoveel als ‘meesterbrein’ en verwees naar vermeende buitenlandse machten die Turkije probeerden te ondermijnen – en vrijwel altijd naar het Westen.
Het was eind 2016, ik had het eerste jaar van mijn korte carrière als Midden-Oostencorrespondent achter me; standplaats Istanbul. Die zomer had een staatsgreeppoging de macht van president Recep Tayyip Erdogan vervaarlijk doen wankelen. In buurland Syrië woedde de strijd tegen terreurgroep Islamitische Staat. Turkije herbergde ruim drie miljoen vluchtelingen en was al langer het toneel van bloedige aanslagen, door IS maar ook door militante Koerdische groepen. Journalisten, academici en oppositionele politici werden vervolgd. Ook was er een heksenjacht gaande tegen de Gülenbeweging, een islamitische broederschap die volgens Erdogan achter de staatsgreep zat.
Als ik even terug in Nederland was, sliep ik de klok rond.
Het antiwesterse sentiment dat zich uitte in complottheorieën als die over ‘het meesterbrein’ had zijn wortels in de ‘moeilijke jaren’, leerde ik in Ankara, waar ik een gesprek had met Nurhanettin Duran, destijds directeur van een denktank dicht bij de regering en tegenwoordig onderminister van Buitenlandse Zaken.
Duran verwees naar de ontbinding van het Ottomaanse Rijk, zoals die na de Eerste Wereldoorlog haar beslag kreeg in het Verdrag van Sèvres (1920). Sindsdien werden complottheorieën waarin naar het Westen werd gewezen door het Turkse establishment van tijd tot tijd ingezet.
Erdogan was de term gaan gebruiken na de zogenoemde Gezi-protesten van 2013. ‘Hierachter gaat een meesterbrein schuil’, zei hij dan. ‘En jullie weten best wel wat dat is.’
Het was de tijd dat Erdogan en zijn islamitische AK-partij inzetten op een herleving van het Ottomaanse Rijk. In elk geval in de verbeelding, met kundig gemaakte televisieseries, festivals en themaparken. De presidentiële garde verscheen in folkloristische kostuums, de Hagia Sophia moest weer een moskee worden en er werden plannen gesmeed voor kolossale infrastructurele projecten, waaronder een megalomaan presidentieel paleis in Ankara.
Toen in het hart van Istanbul een park moest wijken voor een op een Ottomaanse kazerne geïnspireerd winkelcentrum, stuitte dat op onverwacht fel protest. Waar het er een tijdlang op had geleken dat Erdogan zijn land richting de liberale democratie zou leiden, markeerden de protesten, en vooral het neerslaan ervan, een omslag. Vanaf dat moment ging het land richting een autocratie, met sultan Erdogan aan het hoofd.
Maar dus niet zonder mythologie, zonder een groter idee van de plaats van Turkije in de wereld. Toen ik Duran vroeg of hij de inzet van complottheorieën als die van ‘het meesterbrein’ wel verantwoord vond, zei hij iets dat ik nooit meer ben vergeten.
‘Ja’, antwoordde hij. ‘Het is de politiek van de waakzame toestand.’
Het was bedoeld om de traditionele AKP-kiezer – soennitisch en nationalistisch – te mobiliseren. Het was heel bewust. Het bood het begin van een antwoord op een vraag die ik regelmatig vanuit Nederland kreeg, namelijk of zo’n Erdogan dat nu allemaal echt meende: die Ottomaanse sprookjes, die tirades tegen ‘het Westen’.
‘Ja en nee’, zei ik dan steeds.
Erdogans kunst was dat hij zulke verhalen overtuigend kon vertellen, maar ervan kon afwijken indien de omstandigheden dat vereisten. Hoe dan ook moest je het serieus nemen.
Toen ik vanaf 2020 regelmatig in het Hongarije van Viktor Orbán begon te komen, waren de overeenkomsten met Turkije niet te missen. Ook daar werd een gevoel van historische verongelijktheid aangewakkerd over een lang geleden verdwenen rijk dat door buitenlandse machten was onttakeld.
In dit geval het Hongaarse rijk, dat via het Verdrag van Trianon (1920) met tweederde was ingeperkt. Net als ‘Sèvres’ kwam dit verdrag tot stand in de marge van de beraadslagingen rond het grotere verdrag van Versailles, dat het einde van de Eerste Wereldoorlog markeerde.
Marijn Kruk is de auteur van Opstand – De populistische revolte en de strijd om de ziel van het Westen.
Orbán schermde ermee en wees net als Erdogan naar een decadent en seculier Westen. Daar zette hij het ideaal van een Hongaarse eenheidsstaat tegenover: wit, christelijk, en waar geen plaats was voor moslimmigranten en lhbti’ers zich gedeisd dienden te houden. De duizend jaar oude Stefanskroon werd naar het parlement verplaatst.
Dreiging was er steeds te over: vanuit ‘Brussel’, van George Soros, ‘genderideologie’ en meest recent, van Volodymyr Zelensky. In aanloop naar de (roemloos verloren) verkiezingen eerder dit voorjaar had Orbáns campagneteam een bizar verhaal opgetuigd waarin de Oekraïense president figureerde als kwade genius die Hongarije de oorlog in wilde trekken.
Meende Orbán dit nu allemaal werkelijk? Was die nationalistische opsmuk, die opzichtige poging tot herbezieling van een door liberale moderniteit ontzielde orde, dan niet gewoon een schaamlap voor machtsmisbruik en corruptie?
Nee, dacht ik. Want meerdere dingen kunnen tegelijk waar zijn. Het kan zowel gemeend zijn als strategisch – tot zelfs cynisch. De complottheorieën over een ‘meesterbrein’, of het afbeelden van president Zelensky als schurk, zijn daarvan ultieme voorbeelden.
Nog bonter maakte Vladimir Poetin het op dit gebied. Niet alleen manifesteerde Poetin zich de afgelopen decennia steeds meer als tsaar, ook winkelde hij naar believen in de Russische geschiedenis. Het resultaat was een heilsleer waarin Rusland een grotere missie in de wereld kreeg toebedeeld: die van bedwinger van het Kwaad (lees: het decadente, goddeloze Westen) en leider van de christelijke wereld.
In Poetins tsaristische droom schetsen historicus Beatrice de Graaf en Clingendael-onderzoeker Niels Drost even overtuigend als briljant hoe de Russische president geleidelijk radicaliseerde. Let op, zeggen de auteurs in hun inleiding: radicalisering kent verschillende vormen. Mensen kunnen radicaliseren met een boek in de bibliotheek of voor een beeldscherm op een zolderkamer. Maar evengoed wanneer ze zelf al de macht hebben. Dat is volgens hen het geval bij Poetin, zo concluderen ze na bestudering van duizenden toespraken en optredens.
Tegelijk maken zij een groter punt dat ook voor Erdogan en Orbán had kunnen gelden: neem Poetins historische narratieven en imperiale dromen serieus, hoe verongelijkt en onwaarachtig die ons misschien ook voorkomen.
Neem ze serieus omdat dit soort leiders deze ideeën zélf serieus nemen, en er soms ook naar handelen. De inval in Oekraïne is daarvan het meest duidelijke en verwoestende voorbeeld. In een essay van ruim vijfduizend woorden, dat Poetin publiceerde in de zomer voorafgaand aan de inval in Oekraïne, zette hij uiteen hoe diep Rusland en Oekraïne met elkaar verbonden waren. Het stelde hem in staat om de inval als een defensieve operatie voor te stellen.
Zoals Poetin het schetste dreigde Oekraïne in handen te vallen van het ontzielde en gefeminiseerde Westen, uitgehold door verderfelijke zaken als homohuwelijk en ‘genderideologie’. Wat Poetin met zijn invasie deed, was niet meer dan het Oekraïense broedervolk behoeden voor deze misstap.
In de twintig jaar die daaraan voorafging, was in en rond het Kremlin druk gesleuteld aan een nieuw historisch verhaal voor Rusland, inclusief uitvoerige demonologie. Hierin speelden het tsaristische verleden en de orthodoxe kerk een voorname rol. In die lijn werd ook het idee dat Rusland het ‘Derde Rome’ is nieuw leven ingeblazen.
Deze notie vindt zijn oorsprong in de 16de eeuw, toen Russisch-orthodoxe geestelijken begonnen te beweren dat, nu Constantinopel door de Ottomanen was veroverd, Moskou de ware erfgenaam was van het christelijke rijk.
Russische monniken stelden: ‘Twee Romes zijn gevallen, het derde staat, en een vierde zal er niet zijn.’ Daarmee kreeg Rusland een bijna messianistische rol als beschermer van het orthodoxe christendom en van de traditionele orde.
Hoewel Poetin het zelf niet altijd expliciet zo noemde, greep hij wel vaak terug op dezelfde symbolen: Rusland als unieke beschaving, bedreigd door een moreel zwak en individualistisch Westen. In zijn toespraken benadrukt hij conservatieve waarden, nationale eenheid en historische continuïteit tussen het tsarenrijk, de Sovjet-Unie en het huidige Rusland.
Door tegelijk te verwijzen naar historische eenheid, orthodoxe tradities en het herstel van Russische grootmacht werd het ‘Derde Rome’ een ideologisch middel om nationale eenheid, conservatisme en geopolitieke ambities te legitimeren – en dan met name de inval in Oekraïne.
Binnen deze religieus getinte geopolitieke eschatologie gelden het leiderschap van Oekraïne, de Verenigde Staten en de westerse bondgenoten inmiddels niet langer als gewone vijanden, maar als een vorm van ‘geperverteerde religie’, zelfs van ‘serieel satanisme’.
Daarom was het van belang dat Rusland zich opwierp als de katechon, een vroegchristelijk concept dat in de late jaren negentig van de ideeënplank was gehaald en afgestoft door de Russische neofascistische filosoof Alexander Dugin. Het betekent zoiets als ‘degene die tegenhoudt’ of ‘de bedwinger’.
Binnen de ideologische make-over van Poetins Rusland kreeg dit begrip een steeds belangrijkere plaats. De Graaf en Drost citeren de aartspriester Oleg Trofimov, die in 2023 stelde dat Rusland in de oorlog tegen Oekraïne optrad ‘als vertegenwoordiger van de beschaving van Jezus Christus, het heilige Roes (…) Welke oorlogen het ook te verduren krijgt, Rusland voltrekt de wereldwijde missie van de katechon.’
Dit zegt veel over wat er wat Poetin betreft op het spel staat. Er is sprake van niet minder dan een heilige missie. Terecht maken De Graaf en Drost de kanttekening dat dit niet het enige grote verhaal is dat in Rusland wordt verteld, en ook dat Poetin het zich deels laat aanleunen. Hij maakt er gebruik van waar het hem uitkomt, terwijl het tegelijk overlapt met zijn zelfbeeld en diep gevoelde overtuigingen.
Dat brengt ons weer terug bij de vraag in hoeverre leiders als Erdogan, tot zeer recent Orbán en dus ook Poetin werkelijk geloven van wat zij hun bevolkingen aan historische mythes en religieus geïnspireerde vergezichten voorspiegelen.
Een eenduidig antwoord is daarop niet te geven. Maar zoals De Graaf en Drost duidelijk maken, is er voldoende aanleiding het uiterst serieus te nemen. ‘In veel landen bestaat wel degelijk een verlangen naar geschiedenis als heilsgeschiedenis die de eigen groep een gevoel van superioriteit en verheffing biedt’.
De auteurs van Poetins tsaristische droom pleiten daarom, terecht, voor ‘geo-ideologische geletterdheid’. Met name westerse liberale elites gaven afgelopen decennia blijk van ideologisch analfabetisme. Waarom ook niet? De wereld leek lange tijd immers richting een liberaal eindstation te bewegen. Maar in de wereld waarin we momenteel leven is dat niet langer vol te houden. Met Erdogan en Poetin aan de grens met de Europese Unie, en met radicaal-rechts binnen de poorten.
Want Orbán mag verdwenen zijn, de illiberale contrarevolutie waarvan hij de vaandeldrager was, is dat zeker niet. In ons land getuigen de bijna vijftig Kamerzetels rechts van de VVD daarvan. Dat op het conto van ‘de boze burger’ schuiven is niet langer vol te houden. Daarachter schuilt een wereldbeeld, een zeer serieus te nemen wereldbeeld.
Beatrice de Graaf en Niels Drost: Poetins tsaristische droom – Geschiedenis als wapen in de Russische politiek. Prometheus; 224 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant