Murakami pakt een favoriete plaat, drinkt een glas whisky en schrijft op wat hem het eerste invalt, zo lijkt het.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
In de roman Ten zuiden van de grens (1992) van de Japanse schrijver Haruki Murakami speelt een elpee met het liedje South of the Border, gezongen door Nat ‘King’ Cole, een belangrijke rol. Alleen heeft Cole dat nummer misschien weleens gezongen, maar nooit opgenomen.
Was het een foutje van Murakami, toch een erkend jazzkenner die zich graag voor zijn immense platenkast met jazz-lp’s laat fotograferen? Of had hij een bepaalde bedoeling met het noemen van deze fictieve plaatopname?
Japanse Murakami-lezers kregen het antwoord al in 1997, toen de auteur zijn eerste van twee bundels Jazzportretten publiceerde. Deze en het in 2001 verschenen vervolg zijn nu vertaald en samengevoegd. Het boek bevat 55 korte portretten van jazzmuzikanten die niet door Murakami zelf geselecteerd zijn. Dat is gedaan door illustrator Makoto Wada, die grootheden uit de jazz in kleur portretteerde: van Chet Baker tot Ella Fitzgerald en van Louis Armstrong tot Ornette Coleman.
De mooi verzorgde bundel bevat ook nog zeer korte (75 tot 100 woorden), door Murakami geschreven biografietjes van de betreffende muzikanten, waarin hij ondanks de beperkte ruimte steeds tot de kern weet te komen.
In ieder stukje lijkt hij voor een andere aanpak te kiezen. Soms beschrijft hij de vaak tragische levens, dan weer kiest hij voor een enkel nummer en in het geval van Eric Dolphy blijft hij hangen bij de platenhoes van Out There (1961).
‘Ik was van plan het over Charlie Parker te hebben en uiteindelijk ging het alleen maar over Buddy Rich’, stelt hij terecht vast in een stukje waarin hij vooral over Parkers drummer schrijft.
Murakami kijkt naar een schilderij, pakt een favoriete plaat en schrijft op wat hem het eerste invalt, zo lijkt het.
Hij drinkt er graag wat bij, zo lezen we. Een glas wijn bij Cannonball Adderley Live; whisky bij Four & More van Miles Davis en bier bij Count Basie in London.
Jammer dat hij vaak vergeet de jaartallen van de door hem behandelde platen te noemen. Dat Art Pepper Meets The Rhythm Section uit 1957 komt en Maiden Voyage van Herbie Hancock uit 1965 wordt nergens vermeld. Ook niet in de discografie achter in het boek, waar nogal overbodig, wel de catalogusnummers van vaak al lang niet meer verkrijgbare platen worden weergegeven.
Toch weet Murakami steeds in niet meer dan vijfhonderd woorden toch nieuwe inzichten te geven over Duke Ellington of Billie Holiday. En nee, Nat King Cole heeft South of the Border nooit op de plaat gezet, schrijft Murakami.
Hij bekent dat hij het zich verkeerd had herinnerd, en de roman schreef ‘op basis van iets wat in werkelijkheid niet bestaat’.
Niet erg, en misschien zelfs beter zo, vervolgt hij in zijn stukje over Cole, want ‘een roman lezen is per slot van rekening een activiteit waarbij je de lucht van een wereld die nergens bestaat inademt als iets wat daar wel bestaat’.
De cursivering is van Murakami. Het is zo’n zinnetje, zoals er meer in Jazzportretten staan, dat dit boek ook voor Murakami-liefhebbers die niet zo van jazz houden de moeite waard kan maken.
Haruki Murakami (met illustraties van Makoto Wada): Jazzportretten. Uit het Japans vertaald door Luk Van Haute. Atlas Contact; 240 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant