De 21-jarige Rob krijgt in 1975 de kans Andy Warhol te interviewen. Maar hij is niet zo onder de indruk van de wereldberoemde kunstenaar. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Rob Malasch (79, theatermaker en galeriehouder):
Op mijn 21ste was ik een mooie, slanke Indo met lang zwart haar. Ik had net mijn opleiding aan de theaterschool afgerond en werkte als modern danser. De wereld lag aan mijn voeten, en daar wist ik handig gebruik van te maken. Op feestjes en partijen was ik een graag geziene gast en ik werd overal voor uitgenodigd. Zo kwam ik op een bepaald moment terecht op een receptie van de toenmalige krant De Tijd. De redactie huisde op de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Het was een heel gezellige borrel en ik raakte in gesprek met de chef kunst.
Hij vroeg me wat ik daar deed en ik antwoordde dat ik gewoon was uitgenodigd. Omdat ik me realiseerde dat er voornamelijk journalisten rondliepen, blufte ik dat het me leuk leek om een keer een interview voor De Tijd te schrijven. De chef kunst vond dat interessant en vroeg of ik iemand in gedachten had die ik wilde interviewen. Ik dacht een flits van een seconde na en zei: ‘Het lijkt me leuk om Andy Warhol te spreken.’ De chef keek geamuseerd en antwoordde: ‘Als het jou lukt om Warhol te pakken te krijgen, dan zijn wij natuurlijk heel erg geïnteresseerd.’ Het was 1975 en Warhol, toen al een wereldberoemd kunstenaar, was nog nooit geïnterviewd door een Nederlandse journalist.
Als danser had ik allerlei internationale connecties en toevallig was ik vlak daarvoor in Parijs een voormalig assistent van Andy tegengekomen. Die jongen, Bill Burke heette hij, was zelf ook kunstenaar en had een tijdje als medewerker in The Factory gewerkt, het grote atelier van Andy. Ik belde Bill om te vertellen dat ik van een belangrijke krant in Nederland de opdracht had gekregen om Warhol te interviewen. Ik vertaalde De Tijd snel in Time, dat klonk gewichtiger. Hij bood aan om Andy een brief te schrijven met mijn verzoek. Binnen een week belde Bill me dat ik hartstikke welkom was: ‘Ga maar naar New York, dan maakt Andy Warhol tijd voor je vrij. Je krijgt vijftien minuten om hem te interviewen.’
Ook vertelde hij me dat als Andy mij leuk vond en hij tevreden zou zijn over het interview, hij me dan hoogstwaarschijnlijk een zeefdruk uit zijn studio zou laten uitkiezen. Warhol stond erom bekend dat hij zijn werk in enorme oplages verspreidde. Dat was ook het geniale van hem, dat hij de kunst democratiseerde zodat iedereen zijn werk kon kopen voor een schappelijke prijs. Hoewel ik een groot fan van hem was, vroeg ik me af wat ik dan van hem zou willen hebben. Ik had eigenlijk niet zo’n zin in zo’n multiple, iets wat iedereen heeft. Ik wilde iets origineels. En zo kwam ik op het idee om een vel tekenpapier en kleurpotloden in mijn koffer te stoppen.
Ik kocht om te beginnen een cassetterecorder van Sony, een klein zilverkleurig apparaatje om het gesprek mee op te nemen. Daarna schafte ik een polaroidcamera aan, zodat ik eventueel zelf ook foto’s kon maken. Toen ik aan mijn vrienden vertelde dat ik naar New York ging om Andy Warhol te interviewen, geloofde niemand mij. Maar ze wilden wel allemaal mee. Zo stapte ik niet lang daarna met mijn kleine entourage, onder wie een galeriehouder, een regisseur en een bevriende kunstenares, in het vliegtuig. We meldden ons bij The Factory op de hoek van Union Square en Broadway.
Het was een heel chique, kantoorachtige ruimte. In de hal stond een enorm grote Deense dog. Ik schrok me dood, maar hij bleek opgezet te zijn. We werden ontboden door zijn manager, die Fred Hughes heette. Hij vond het heel interessant, mensen uit Europa. We waren allemaal jong en zagen er mooi, artistiek en ludiek uit, dat vonden die Amerikanen prachtig. We werden ontvangen in een ruimte waar een hele grote eland stond. Ook opgezet. Het was een zaal met allemaal pilaren en ons werd verzocht even te gaan zitten. Terwijl ik om me heen keek, zag ik een vreemde man achter een pilaar staan kijken naar ons. Echt gluren. Dat bleek Andy Warhol te zijn.
Toen hij zag dat we naar hem keken, kwam hij tevoorschijn en liep naar ons toe. Hij gaf me het allerslapste handje dat ik ooit heb gevoeld, echt een nest dooie muizen, terwijl hij met een heel zacht stemmetje ‘hello’ zei. Hij zag er slecht uit, vond ik. Een huid vol pukkels, op z’n neus een grote rode puist. Hij had een soort mottig pruikje op. Ik had me een heel andere voorstelling gemaakt van mijn idool. Op de foto’s van hem die ik in de bladen had gezien, was hij veel mooier. Ik vond hem ook zo oud. Hij was eind veertig en dat vond ik toen natuurlijk al bejaard. Maar, dat moet gezegd, hij was echt reuzeaardig. Hij was ook heel geïnteresseerd in mijn vrienden, vooral in de regisseur. Op een gegeven moment vroeg hij mij alleen mee te gaan naar zijn studio.
In het atelier lagen allemaal zeefdrukken van werk waar hij toen mee bezig was, van Farah Diba en van de sjah van Perzië. Daarin was ik totaal niet geïnteresseerd. Zo nu en dan liep er een assistent uit die Factory-clan binnen, die naar het toilet moest. Dan zei Warhol tegen diegene: ‘You can do it in the corner.’ Ik dacht dat ik het niet goed verstond en vroeg wat er in de ‘corner’ was. Andy legde uit dat hij bezig was met een collectie abstracte werken. Hij had allemaal doeken, canvassen, door zijn assistenten laten insmeren met kopersulfaat. Zijn medewerkers mochten op die doeken plassen waardoor de abstracte urinevlekken na een tijdje oxideerden en helemaal groen gingen uitslaan. Dan noemde hij zijn serie piss paintings. Ik vond het geen fris idee.
Het gesprek verliep in het begin heel stroef. Op elke vraag die ik stelde gaf hij als antwoord ‘wonderful!’, ‘fantastic!’ of ‘wow!’ Net toen ik me zorgen begon te maken over het interview, ik had het tenslotte nog nooit gedaan, ontdooide hij. In plaats van het toegezegde kwartiertje duurde ons gesprek anderhalf uur.
Na het interview bood hij me ook nog royaal de gelegenheid om foto’s van hem te maken met mijn polaroidcamera, waaruit ik kon opmaken dat hij me wel leuk vond. En toen kwam de cruciale vraag. Andy vroeg me om een piss painting uit te zoeken. Ik zei zonder blikken of blozen: ‘Ik zou heel graag een portretje van mezelf willen hebben dat jij nu voor mij tekent.’ Terwijl ik in mijn tas graaide vervolgde ik: ‘en heel toevallig heb ik een vel tekenpapier en kleurpotloden bij me.’
Hij keek me eerst met een doordringende blik aan, en begon toen te lachen: ‘Maar Rob, ik kan helemaal niet tekenen!’ Schaakmat. Natuurlijk kon hij heel goed tekenen, maar hij wilde zo’n brutale rekel als ik op z’n plaats zetten. Ik droop af zonder werk van Warhol mee te nemen, want daar durfde ik niet meer om vragen. Daarvoor voelde ik mezelf te sophisticated.
Jaren later werd ik door een vriend opgebeld: ‘Heb je het gehoord? Die piss painting van Warhol waar jij je toen te goed voor voelde, is voor 8,6 miljoen geveild.’ Ik kon mezelf wel voor de kop slaan van de spijt. Waarom had ik niet gewoon zo’n piss painting opgerold en onder mijn arm meegenomen? Het is eeuwig zonde, want zo’n kans krijg je natuurlijk in je hele leven nooit meer. Het is sowieso zeldzaam dat kunstenaars zo genereus zijn. Onbegrijpelijk dat ik mijn neus ervoor ophaalde. Ik ben later galeriehouder geworden en ik heb een heel goed leven gehad, dus dit is een luxeprobleem, daarvan ben ik me terdege bewust. Het is een kleine spijt, maar wel eentje die ik nóóit zal vergeten.
Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant