Heeft het kreukelkabinet-Schoof wel ooit bestaan? De verleiding is groot om de negentien regeermaanden van PVV, BBB, VVD en NSC te verdringen. Uniek om z’n politiek gewichtloze marionet-premier, platte populisme, kleurrijke en incompetente ministers en de vele aanvaringen. De opluchting na deze gênante vertoning leidde tot een slecht doordacht regeerakkoord en een ontbrekende parlementaire meerderheid. Wat zich nu uitbetaalt in onzekerheid, improviseren en kortademigheid.
Na iedere ramp is een post mortem welkom. In de eind april verschenen bundel Het experiment-Schoof hanteren vele deskundigen het scalpel. Waarbij de vraag zich opdringt: gaf ‘Schoof’ een blik op de toekomst of was dit incidentele blikschade? En is er sprake van een ‘staatsrechtelijk strafblad’ en kun je dat ook zo noemen?
In één hoofdstuk bogen negen (!) auteurs zich over de ontvangst van rechterlijke uitspraken en wetgevingsadviezen door het kabinet-Schoof. Door haar precisie is die analyse even afgewogen als dodelijk. De vaststelling luidt dat Schoof en de zijnen een ambitieuze herstelagenda voor vertrouwen in politiek en bestuur presenteerden, maar in de praktijk juist op kritisch advies en corrigerende uitspraken reageerden met „negeren, ageren en traineren”.
Zo trok het kabinet zich bij twee wetsvoorstellen niets aan van de zeldzame C en D-adviezen van de Raad van State: niet doen of alleen indienen na ingrijpende aanpassingen. Het negeerde zo grondrechten en rechtsbescherming en nam grote juridische risico’s. Macht ging hier zonder aarzeling boven recht.
In een aantal gevallen vielen ministers onwelgevallige rechterlijke uitspraken fel aan (de „zwarte dag voor Nederland” van Marjolein Faber), waarmee het gezag van de rechtspraak werd aangetast. Rechterlijke toestemming voor het verplicht publiceren van emissiegegevens op bedrijfsadres vond het kabinet bijvoorbeeld duidelijk onverteerbaar. Nogal een contrast met de staatsrechtelijk neutrale en dus gepaste reactie die een kabinet zou moeten geven bij tegenvallende uitspraken, namelijk die ‘te zullen bestuderen’.
In een rechtsstaat houdt de macht zich aan het recht, vrijwillig en liefst zonder te miepen. Dit kabinet bleek juist zelfgenoegzaam en keerde zich bot van de rechter af. Luisterde het wel, dan gebeurde dat schoorvoetend. Ministers die door de Raad van State werden bekritiseerd, hielden hun poot stijf. Bruuskeren, tegenspreken en politiseren dus.
De auteurs van het hoofdstuk concluderen met gevoel voor understatement dat het kabinet-Schoof „in hoge mate afbreuk aan de eigen rechtsstatelijke agenda” deed. Zegt u dat. Maar vooral ook aan de trias politica zelf, denk ik. De regering-Schoof nam een vechthouding aan tegenover andere constitutionele spelers, met wie ze geacht werd in evenwicht te blijven en terughoudend te communiceren. Aan die zogeheten ‘constitutionele beleefdheid’ ontbrak het.
Een les van regeren met radicaal-rechts is dan ook dat de rechtsstaat hoe dan ook schade oploopt. Uiterst rechts heeft er geen kennis, geen belangstelling en geen gevoel voor. Alle bezwerende, vooraf opgestelde ‘rechtsstaatverklaringen’ ten spijt. De ambities om de rechtsstaat juist te versterken, bleken NSC-confetti.
Hoogleraar Kutsal Yesilkagit is in zijn analyse van de relatie tussen Schoof en de ambtelijke top minstens even scherp. Ook daar opende zich een unieke kloof tussen een van oudsher loyale ambtenarij en een kabinet dat expertise opzijschoof, procedures omzeilde en incidenteel de „rechtsstatelijke ondergrens doelbewust opzocht”. Op een aantal departementen leidde dat tot confrontaties over loyaliteit en neutraliteit versus rechtsstatelijkheid.
Traineren bleek volgens Yesilkagit een „structurele bestuurspraktijk” op departementen waarin ministers „het blokkeren van onwelgevallig beleid als resultaat” presenteerden. Dat gebeurde door stukken niet te tekenen, te herschrijven, of door adviezen te negeren of te marginaliseren. Het leidde tot brandbrieven, lekken aan de pers, het vertrek van ten minste één topambtenaar en zelfs ambtelijke demonstraties op de departementale stoep. Yesilkagit vat het samen als een „erosie van sociale veiligheid en aantasting van ambtelijk vakmanschap”. Hij noemt de episode Schoof een „stresstest”, waarin de traditionele opvatting van ambtelijke neutraliteit is gaan schuiven.
De tegenspraakcultuur in de rechtsstaat bleek kwetsbaar, omdat het „rechtsstatelijk leiderschap aan de politieke top” zwak was. De correctie moest keer op keer van de ambtenaren zelf komen. Terwijl juist het bewaken van de institutionele grenzen van de rechtsstaat voor bewindspersonen een automatisme zou moeten zijn. Ambtelijk advies gedijt in een tegenspraakcultuur – vooral populistische bewindspersonen of met beperkte ervaring bleken daarvan afkerig. De schade aan de bestuurlijke verhoudingen is daarmee reëel. „Zorg dat bewindspersonen de institutionele grenzen van de rechtsstaat respecteren”, adviseert Yesilgakit onder meer. Dat is, als ik zo vrij mag zijn, makkelijker gezegd dan gedaan. Want wie houdt ze tegen?
Op langere termijn zou er dus weleens meer dan blikschade kunnen zijn. Ook omdat het past bij de vergroving van het publieke en politieke debat. De drempel voor volgende kabinetten om zich grof uit te laten tegen rechters en de Raad van State maar te laten stikken, is blijvend lager geworden. Daar kan een verkillend effect van uitgaan. Adviseurs en rechters voelen aan dat ze politiek in de wind komen en calculeren dat mogelijk van tevoren in. Dan maar een tandje minder kritiek, liever geen dwangsom of een al te duidelijk rechterlijk bevel geven?
Wie beschermt een rechtsstaatklimaat waarin tegenspraak hoort te gedijen, ook als er op ‘constitutionele beleefdheid’ niet meer gerekend kan worden? Het kabinet-Jetten heeft hier iets te repareren. Door zich juist wel bewust te zijn van de constitutionele omgangsvormen. Door zich nooit te laten verleiden rechterlijke oordelen, adviezen van de Raad van State en de eigen ambtelijke top langs de eigen politieke meetlat te leggen.