Zingeving De geseculariseerde burger denkt dat God zoiets is als paard en wagen, iets voor het museum, ziet Arnon Grunberg. Maar de (christelijke) theologie is diep doorgedrongen in alle instituten waar het leven om draait: de politiek, het recht, de staat.
De Bergrede (1598) van Jan Brueghel de Oude
Het is flauw om te beweren dat God bezig is aan een comeback, want de monotheïstische God – die van de joden, de christenen en de moslims – is zo ongeveer al Zijn hele leven bezig terug te keren. Hij verdwijnt, wat in Zijn geval betekent, hij valt stil, wordt doodverklaard, en duikt vervolgens op waar je Hem niet snel zou verwachten. Nu schijnen Gen-Z’ers ontdekt te hebben dat de kerk eigenlijk best sexy is – al is het altijd de vraag hoe betrouwbaar dergelijke mededelingen zijn. Laten we zeggen dat op de schier eindeloze zingevingsmarkt het product ‘monotheïstische God’ nog lang niet uit de schappen is gehaald.
Arnon Grunberg is schrijver.
De christenen waren zo slim deze God een zoon te geven die moest sterven om de zonden van de mensheid op zich te nemen, een zoon die vervolgens aan wederopstanding deed. Niet alleen het jodendom dus, ook het christendom is wachten op de Messias, in dit specifieke geval op Jezus. En dat wachten op Jezus is ook altijd wachten op de eindtijd, want die gaat aan de terugkeer van de Mensenzoon vooraf.
Sommige christenen vinden dit wachten een te passieve bezigheid. Zo zijn er Amerikaanse evangelisten die Donald Trump niet ondanks maar dankzij zijn zondigheid hebben omarmd, in de misschien niet geheel onjuiste veronderstelling dat hij de eindtijd, en daarmee ook de terugkeer van Jezus, een paar stappen dichterbij zal brengen.
Trump heeft ze op de een of andere manier tot die opvatting kunnen verleiden. Verlossing is altijd een kwestie van verleiding, en geen verleiding zonder esthetisering. Wel komt elke verleider met zijn eigen esthetiek. Wie het Nieuwe Testament leest, al is het maar slordig, zal zien dat Jezus en zijn apostelen gevoelig waren voor de schoonheid van taal. We zouden Jezus kunnen beschouwen als een handelaar in eigen poëzie en geneeskracht. Dat hij als profeet c.q. verlosser nog steeds harten weet te veroveren, al is het maar cultureel, mag als bewijs gelden dat we te maken hebben met een uitzonderlijke handelaar.
Het overleven van Jezus is ook te danken aan een van zijn belangrijkste uitvindingen, te weten die van het universalisme. Ten opzichte van het jodendom voerden de christenen twee belangrijke wijzigingen door. Allereerst is daar de afschaffing van de spijswetten en de jongensbesnijdenis. Die verdwenen omdat Jezus een handelaar in eigen poëzie en geneeskracht voor alle mensen, ja zelfs voor de gehele mensheid, moest zijn. Elke ziel was er een die gered moest worden, en iedereen kon gered worden uit de eigen zondigheid, wat in de praktijk vaak de eigen lichamelijkheid betekende. Dat lichaam moest hoe dan ook worden afgestoten door middel van de dood, waarna – mits men goed geleefd had in dit zondige ondermaanse – de ware rechtvaardigheid zou beginnen. De plek waar de laatsten de eersten zullen zijn situeert het christendom in al zijn wijsheid na de dood.
De Joden, uit wie de christenen voortkwamen, hadden nog geen last van zulk universalisme. Zij wilden graag onder elkaar blijven met hun God. In de Joodse mythologie ging God alle volkeren ter wereld af en vroeg: ‘Willen jullie mijn volk worden?’ Wijselijk zeiden alle volkeren: ‘Nee dank je.’ Tot de Joden antwoordden: ‘Wij doen het wel.’
Wij doen het wel. Geen erg romantisch begin van het huwelijk en goed kan het huwelijk ook niet worden genoemd. God is voortdurend ontevreden over Zijn volk, en de Joden zijn voortdurend teleurgesteld in hun God. Dat ze het zolang met elkaar hebben uitgehouden en nog steeds uithouden, is een raadsel. Misschien zijn ze verslaafd aan elkaars ongeluk en die verslaving kan als bekend een bijzonder stevig fundament zijn onder elk huwelijk.
Jezus echter deed geen moeite de verschillende volken af te gaan. Hij zei, in mijn parafrase: ‘De hele mensheid is mijn volk. Kom erbij. Ook al ben je onooglijk en gebocheld. Sterker nog, hoe meer bochels hoe beter. Ik genees ze wel.’
Een bijzonder aanlokkelijk aanbod, wie voelt zich niet bij tijd en wijle gebocheld?
Hier stuiten we op een belangrijke ontdekking van het christendom, dat christendom dat het universalisme uitvond en het lijden ontdekte, ja omarmde. Veel, ja misschien wel alles is schaars op deze wereld, behalve het lijden. Wie het lijden als grondstof neemt heeft zijn perpetuum mobile te pakken. Jezus hoefde het alleen maar in werking te zetten door te zeggen: ‘Ieder die hongert naar rechtvaardigheid zal worden verzadigd.’
Deze eenzame handelaar in eigen poëzie die door het heilige land struinde – de Engelse filosoof George Steiner noemde hem een ‘epileptische rabbi’ – werd zo’n succes dat hij het instituut van het christendom met bijbehorende priesterklasse baarde. Jezus had zich nog tegen de joodse priesterklasse gekeerd omdat hij meende dat het beroepsmatig bestuderen van de wet (de Thora) was uitgelopen op een competitie in kwinkslagen. Hij zei heel eenvoudig, wederom in mijn parafrase: ‘De wet is liefde.’ Misschien niet van het lichamelijke soort, maar toch, voor de eenzame is het troostrijk als zijn zieltje lepeltje lepeltje mag liggen met een ander zieltje.
Elke priesterklasse ontaardt vroeg of laat – machtsmisbruik, perversie, schijnheiligheid in het kwadraat – zo ook de christelijke. Afscheidingen volgden, vervolgens kwam de moderniteit de geschiedenis binnengelopen, het onvermijdelijke proces van secularisering.
Op een gegeven moment hongerden de Europeanen, de christenen, nog wel naar rechtvaardigheid maar waren ze het wachten beu. Ze wilden zich niet meer laten verzadigen door de handelaar in eigen poëzie en zijn vader, ook gezien de toestand van de christelijke priesterklasse hadden ze hun vertrouwen in die twee een beetje verloren,het ongeduld is als gezegd vooral een evangelische neiging. Ze besloten zichzelf te verzadigen. Of het nu gaat om de Russische Revolutie, de Franse Revolutie, of zelfs de Verlichtingsidealen an sich, in wezen draait het om hetzelfde: de mensen hongeren naar rechtvaardigheid, maar ze moeten zichzelf verzadigen bij gebrek aan God – volgens Friedrich Nietzsche was die aan zijn medelijden met de mensen gestorven.
God is dood, zeker, maar het lijk blijft maar warm. Het koelt maar niet af. Ook het progressieve vooruitgangsgeloof zelf, het geloof dat de wereld neigt naar steeds meer rechtvaardigheid, is een uiterst christelijke gedachte. De oude Grieken meenden nog dat de goden met ons speelden zoals een stel verveelde kinderen met hun speelgoed.
De idealen die realiteit zouden en moesten worden zijn net als die van Jezus nog altijd universeel. Vrijheid, gelijkheid, broederschap; internationale solidariteit onder de arbeiders; mensenrechten, waar je ook woonde of geboren was.
Het universalisme bleek ook in geseculariseerde vorm een al te zware opgave voor de mensen. Heb je vijanden lief, had Jezus gezegd, maar nu hoefde het niet meer omdat Jezus het zei maar omdat de redelijkheid het de mensen opdroeg, omdat elk mens een doel an sich was en geen middel tot een ander doel. De demonstranten die menen dat de ondergang begint als een asielzoeker zijn tent opslaat binnen hun gemeentegrenzen kunnen zich nog wel cultuurchristen noemen – paashaasje hier, kerstboompje daar – maar in het universalisme hebben zij de vijand der vijanden herkend. Bevrijd worden betekent voor hen: heiden worden. De idealen, zoals die ooit door Jezus zijn geformuleerd en die dankzij de verlichtingsfilosofen wat doorwrochter en minder poëtisch zijn aangekleed, drukken gewoon te zwaar op de christen en post-christen, op de jood en post-jood, op de moslim en post-moslim. De zoon van de monotheïstische God had de mensen overschat.
Universele rechten die niet in een hiernamaals maar in het hier en nu zijn gesitueerd, zijn alleen dan doorslaggevend als ze kunnen worden afgedwongen. Ontbreekt een instituut dat die afdwingende taak op zich zou kunnen nemen, dan blijven de rechten veelal een vroom gebed. Natuurlijk kun je zeggen, en daar zit ook iets in, beter een vroom dan helemaal geen gebed, beter hypocrisie dan eerlijke bruutheid.
Verlichtingsfilosofen als Immanuel Kant, of een hedendaagse Kantiaan als Omri Boehm, hebben geworsteld met de vraag welke bodem je onder het universalisme kunt leggen zonder God. Boehm denkt dat je het zonder profeet niet redt. De Amerikaanse politicoloog Bonnie Honig meent dat je elke dag een wonder nodig hebt om iets van het vooruitgangsgeloof in praktijk te brengen.
Een wonder, een profeet, de woorden zijn veelzeggend.
De geseculariseerde burger mag denken dat God zoiets is als paard en wagen, iets voor het museum, maar de (christelijke) theologie is diep doorgedrongen in alle instituten waar zijn leven om draait: de politiek, het recht, de staat. Ja, ook de staat, die God eigenlijk is komen vervangen en die zich nu moet bekommeren om het zielenheil van de burgers en die taken heeft overgenomen die nog niet zo lang geleden werden verricht door dominee of pastoor. Ooit moest de kansenongelijkheid in het hiernamaals worden bestreden, nu is dat een taak van de staat. Al maakt geen Nederlander zich erg druk om wat er ten zuiden van Maastricht gebeurt, niet alleen qua kansenongelijkheid.
En wanneer is de honger gestild? Wanneer is het gebed verhoord?
Jezus sprak, hij was niet voor niets een handelaar, ook de taal van het consumentisme. U hongert, ik verzadig u. Maar zoals al door diverse mensen is opgemerkt, van de Franse socioloog Eva Illouz tot de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, zit er een addertje onder het gras van de honger, want die is fundamenteel onverzadigbaar. En daarmee maakt de teleurstelling integraal deel uit van de belofte van verzadiging, en al helemaal van die van verlossing.
Secularisatie is het ten einde gedachte christendom waarvan het humanisme (christendom zonder Jezus) slechts het voorspel is. Contradicties en fundamentele behoeftes zijn daarmee natuurlijk niet verdwenen. God moet de problemen oplossen. Of de mensen zelf moeten dat doen. En als ze dat zelf gaan doen, gaan ze vroeg of laat voor God spelen.
In 2005 formuleerde de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace het in een toespraak voor studenten zo: „In de dagelijkse loopgraven van het volwassen leven bestaat er eigenlijk niet zoiets als atheïsme. Er bestaat niet zoiets als niet vereren. Iedereen vereert.” Hij voegt eraan toe dat het hooguit de vraag is wat je vereert en dat die keuze consequenties heeft: „De dwingende reden om misschien te kiezen voor een of andere god of iets spiritueels om te vereren – of dat nu JC of Allah is, of JHWH of de Wicca Moedergodin, of de Vier Edele Waarheden, of een onaantastbare set ethische principes – is dat vrijwel alles wat je verder vereert je zal verslinden.”
Ja, als je geld vereert heb je nooit genoeg, als je je eigen lichaam, je sexy uitstraling vereert zul je je altijd lelijk en onsexy voelen. En daarnaast kun je natuurlijk je mooie billen vereren, maar vroeg of laat komt de behoefte aan zingeving je toch storen en slechts weinig mensen zullen zeggen: ‘De zin van het leven is mijn kont.’ (Hoewel het ook wel een verfrissend uitgangspunt is.)
De post-christen (en dat geldt ook voor de post-jood en de post-moslim) mag dan denken dat hij zich van zijn God bevrijd heeft, de stakker, maar de behoefte aan verlossing en verlossers is niet verdwenen. En dat is altijd ook de behoefte je te onderwerpen, te knielen voor afgoden, al was het maar omdat de dood van God in praktijk betekent dat God uiteen is gevallen in honderden kleine godjes.
David Foster Wallace komt aan het eind van zijn speech tot deze conclusie: „De echt belangrijke vorm van vrijheid vereist aandacht, bewustzijn en discipline, en het vermogen om oprecht om andere mensen te geven en jezelf keer op keer voor hen op te offeren op talloze kleine en niet zo sexy manieren, elke dag opnieuw.”
Jezus anders geformuleerd. Niet per se beter.
Als je bereid bent te erkennen dat de mondigheid waarover Immanuel Kant zo inzichtelijk sprak je telkens weer ontglipt, als je bereid bent te erkennen dat het misschien onmogelijk is dag en nacht redelijk te zijn, en je de waarheid dus niet in pacht hebt, al was het maar omdat je woont in een lichaam dat zo weinig van redelijkheid wil weten (laten we het dualisme nog even na-echoën) dan is de wezenlijke vraag niet: wil je verslonden worden?
Wat je vereert immers zal je verslinden, want ook God verslindt. En gaat het zonder verering?
De vraag moet dus zijn: door wie of wat wil je verslonden worden? Hoe word je op de juiste manier verslonden? En in navolging daarvan: hoe verslind je op de juiste manier?
Arnon Grunberg schreef dit stuk naar aanleiding van zijn nieuwe boek Mogen we nog een beetje leven?, dat deze week is verschenen.