In het tweede deel van de graphic novel van Umberto Eco’s bestseller heeft tekenaar Milo Manara zich bepaald niet ingehouden met de verbeelding van alle visioenen, demonen, hekserij, blinde zieners en godsdienstwaanzin.
schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.
Je hebt de oorspronkelijke roman uit 1980, de film uit 1986 met Sean Connery, en nu is daar (eindelijk) het tweede deel van de verstripping door Milo Manara. Dan hebben we het over De naam van de roos, de historische roman van Umberto Eco, die daarmee de wegbereider werd voor vele navolgers en imitatoren, onder wie, hoe kan het ook anders, Dan Brown.
Weliswaar verschijnt de stripversie – deel 1 kwam in vertaling uit in 2023 – een paar jaar na zijn dood, je mag wel aannemen dat Umberto Eco (1932-2016) er meer dan content mee zou zijn geweest.
De schrijver, filosoof en semioticus haalde zijn neus nooit op voor strips, integendeel. Voor hem waren strips gewoon ‘een andere vorm van communicatie’.
Dat hoor je niet zo heel vaak in noordelijke academische kringen, de waardering voor het beeldverhaal begint in Europa eigenlijk pas in Vlaanderen en zakt via Frankrijk af richting Spanje en Italië. De onlangs overleden Nederlandse tekenaar Dick Matena mopperde daar ook dikwijls over.
In Rome, en vaker nog in zijn tweede huisje op het platteland, boog Milo Manara (1945) zich over het manuscript van Eco en kwam weer naar buiten met 144 pagina’s aan nieuw materiaal. De tekenaar die sinds het begin van de jaren zeventig zijn wortels heeft in de Italiaanse versie van popart en binnen zijn eigen veld een reputatie kent die niet onderdoet voor Eco’s literaire statuur, heeft zich bij de verstripping bepaald niet ingehouden.
Het verhaal vol visioenen, demonen, hekserij, blinde zieners en godsdienstwaanzin is dan ook geknipt voor een graphic novel. Sfeervolle totalen van buitenaf presenteert hij, soms bijna alsof ze zijn gezien vanuit een drone. Hij wisselt die beelden af met intrigerend clair-obscur in een labyrint vol verlaten gangen, verborgen deuren, geheime kamers en een mysterieuze bibliotheek op de zolderetage van de (naamloze) benedictijner abdij in Noord-Italië, boven op een berg.
En voor je het weet ligt er op de volgende pagina weer een lijk van een bebaarde monnik aan de voet ervan. Of ze eindigen in het badhuis ondersteboven in een ton, dat kan ook; het gaat om vijf slachtoffers in totaal.
Aan broeder William Baskerville en zijn hulpje Adson van Melk de taak om die misdrijven op te lossen. Op verzoek van de Duitse keizer Lodewijk van Beieren zijn ze eind 1327 over de Alpen getrokken om te bemiddelen in een langdurig theologisch conflict over vermeende ketterij tussen franciscanen en benedictijnen, maar nu ze er toch zijn wil de abt dat Baskerville in de moorden duikt.
Geen gekke vraag, want het is alom bekend dat deze scherpzinnige Britse speurneus – een soort Sherlock Holmes, zoals zijn achternaam naar de Holmes-roman The Hound of the Baskervilles verwijst – zijn methoden van ondervraging en deductie in zijn vroegere dagen heeft opgedaan als inquisiteur. Van het barmhartiger soort, dat wel.
Mila Manara verliet de lezer in deel 1 met de scène waarin leerling Adson ’s avonds in de keuken een boerenmeisje uit de buurt betrapt terwijl ze voedsel aan het stelen is. Bij de opening van deel 2 wordt die draad weer opgepakt. Om te voorkomen dat hij alarm slaat weet ze hem ter plekke te verleiden, waarmee hij zondigt tegen al zijn geloften als novice.
Zodra hij alles opbiecht aan William, komt het hem op een ferme pats! te staan: ‘Te jouwer verontschuldiging… je bent in een situatie terechtgekomen waarin zelfs een woestijnvader in zonde zou zijn gevallen. Ik heb je absolutie gegeven, maar vraag de Heer voor de verzekering om bevestiging.’
Het amoureuze avontuurtje van de jonge Adson is maar een van de subplots uit het verhaal, dat wordt verteld door de ogen van dezelfde Adson, maar dan als hij oud en grijs is. Zijn memoires stuwen richting de oplossing van het moordcomplot, een stoet aan verdachten trekt voorbij, noem het een soort middeleeuws Cluedo.
De sleutel ligt uiteindelijk bij een verboden boek in een geheim deel van de bibliotheek, en de blinde ziener Jorge heeft daar alles mee te maken.
Maar de grap is: eigenlijk gaat het helemaal niet om dat boek. Dat boek is in de termen van suspensemeester Alfred Hitchcock een McGuffin, een verder vrij onbenullig item om een verhaal op gang te houden. Daar had hij zelf vaak een handje van.
Beroemd voorbeeld: de verdwenen microfilmpjes uit North by Northwest, die verder nauwelijks ter zake doen.
Waar het Umberto Eco om ging was de deconstructie van het thrillergenre. Alle bijbehorende wetten die hij kende heeft hij in De naam van de roos gestopt. Inclusief een mysterieuze titel, want in het verhaal komt geen roos voor. En het is met dezelfde knipoog, die in de tijd van Eco nog ‘postmodern’ werd genoemd, dat Milo Manara zijn schetsen maakt. Met veel oog voor detail en een milde vorm van humor, zonder dat het spot wordt.
Manara maakt ook hedendaags werk, regelmatig licht erotisch, maar met name historische onderwerpen kun je goed aan hem overlaten. Fameus is zijn tweeluik Caravaggio (2015-2019), waaruit de rebelse kunstenaar naar voren komt als een soort rockster met een leven vol seks, drugs en rock-’n-roll, plus een flinke portie narcisme.
In de atelierscènes leerde je veel over zijn werkwijze, en in de totalen spetteren de doeken van Caravaggio net zo van de pagina’s af als wanneer je er in Rome oog in oog mee staat. Dat hoge niveau haalt hij in De naam van de roos wederom, en zo is deze graphic novel na de roman en de film een kunstwerk op zich.
Umberto Eco, Milo Manara: De naam van de roos (2). Uit het Italiaans vertaald door Pietha de Voogd. Prometheus; 72 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant