Home

Strengere controle om het vluchtelingenverdrag te redden

Vluchtelingen Europa verloor de controle over migratie, en dat heeft grote gevolgen, ook politieke. Europa kan die controle terugwinnen zonder zijn menselijkheid op te geven, zeggen John Dalhuisen en Gerald Knaus.

Een groep migranten wacht op het bootje dat ze van Noord-Frankrijk naar het VK moet brengen, op 26 mei 2026.

Door de jaren heen zijn de beelden vertrouwd geworden: gammele rubberboten op de Middellandse Zee, overvolle opvangcentra op Lesbos of Lampedusa, geïmproviseerde tentenkampen aan Europese grenzen. Maar minstens zo bepalend voor het Europese migratiedebat zijn de minder zichtbare beelden: regeringen die hun eigen beleid niet meer lijken te beheersen, asielprocedures die jarenlang duren, en burgers die het vertrouwen verliezen dat staten nog kunnen bepalen wie binnenkomt en wie mag blijven.

John Dalhuisen werkt bij de denktank European Stability Initiative.

Gerald Knaus werkt bij de denktank European Stability Initiative, waarvan hij mede-oprichter is. Knaus wordt beschouwd als de architect van de EU-Turkije deal.

Het is precies dát verlies van controle dat de Europese politiek de afgelopen tien jaar fundamenteel heeft veranderd. Niet alleen radicaal-rechtse partijen groeiden dankzij migratie; ook traditionele middenpartijen begonnen steeds harder te spreken over grenzen, terugkeer en afschrikking. Waar asiel ooit vooral een mensenrechtenkwestie was, werd het gaandeweg een crisis van bestuurlijke legitimiteit.

Toch is de tegenstelling die het debat tegenwoordig beheerst – óf open grenzen, óf het einde van het asielrecht – misleidend. Europa staat voor een andere, meer wezenlijkere vraag: hoe kan het de controle over de buitengrenzen herstellen zonder het morele en juridische fundament van het Vluchtelingenverdrag op te geven?

Het huidige asielsysteem vindt zijn oorsprong in 1951, toen het Vluchtelingenverdrag van Genève werd aangenomen. Het verdrag ontstond in de schaduw van de Tweede Wereldoorlog, met één centraal en eenvoudig beginsel: Niemand mag worden teruggestuurd naar een land waar hij gevaar loopt. Dat principe van non-refoulement vormt nog altijd het hart van het internationale vluchtelingenrecht.

Daaruit volgde dat mensen die aan een grens asiel aanvragen niet zomaar mogen worden geweigerd. Zij moeten toegang krijgen tot een procedure waarin hun verzoek wordt beoordeeld. Maar het verdrag bepaalde níét dat vluchtelingen bescherming mogen eisen in het land van hun keuze. Evenmin schreef het voor dat asiel noodzakelijk moet worden aangevraagd in het eerste veilige land van aankomst.

De breuk van 2015

Decennialang bleef het systeem relatief overzichtelijk. Toen het verdrag in 1967 werd uitgebreid naar vluchtelingen wereldwijd, leidde dat niet onmiddellijk tot grote migratiestromen richting Europa. In Nederland werden in de jaren zeventig jaarlijks slechts enkele duizenden asielaanvragen geregistreerd. De Middellandse Zee speelde nauwelijks een rol in het politieke debat.

Intussen ontwikkelden Europese landen hun asielstelsels steeds verder. Procedures werden toenemend gejuridiseerd. Rechten voor erkende vluchtelingen werden uitgebreid, zodat zij sneller konden integreren en toegang kregen tot onderwijs, gezondheidszorg en sociale zekerheid. De manier van aankomst maakte niet uit: iedereen kreeg toegang tot uitgebreide rechtsbescherming.

Wat nauwelijks werd ontwikkeld, waren veilige routes voor mensen die bescherming nodig hadden.

In de periode voor 2015 was er binnen de Europese Unie een impliciete consensus ontstaan: bescherming bleef ruimhartig en procedures zorgvuldig. Tegelijk waren de grenscontroles relatief poreus. Dat systeem functioneerde zolang de aantallen beheersbaar bleven. Maar in 2015 bezweek het systeem onder zijn eigen spanning.

Binnen enkele maanden bereikten meer dan een miljoen mensen Europa via irreguliere routes. De beelden van grote groepen vluchtelingen op de Balkanroute veranderden de Europese politiek ingrijpend. Niet alleen vanwege de aantallen, maar vooral vanwege de indruk dat staten geen controle meer hadden. Die perceptie bleek politiek explosief. Leiders als de Hongaarse premier Viktor Orbán voorspelden dat het Europese mensenrechtenstelsel uiteindelijk zou instorten onder de druk van massamigratie. Dat gebeurde niet. Maar vrijwel elk onderdeel van de oude consensus kwam sindsdien onder vuur te liggen.

In veel Europese landen werd migratie een van de belangrijkste electorale thema’s. Kiezers maakten zich zorgen over opvangcapaciteit, integratie, veiligheid en sociale cohesie. Maar bovenal ontstond het gevoel dat regeringen niet langer konden bepalen wie mocht blijven. En dat gevoel bleef bestaan, ook toen de aantallen later daalden.

Tussen 2014 en 2016 staken ruim anderhalf miljoen mensen irregulier de Middellandse Zee over. Tussen 2022 en 2024 waren dat er opnieuw bijna 700.000, uit landen als Syrië en Afghanistan. In beide periodes registreerde de EU bijna drie miljoen asielaanvragen.

Van bescherming naar controle

Historisch gezien zijn dat uitzonderlijk hoge aantallen. Maar de politieke impact wordt niet alleen door cijfers verklaard. Veel Europeanen ervaren de huidige situatie als een voortdurende uitzonderingstoestand: een systeem waarin procedures eindeloos duren, terugkeer nauwelijks plaatsvindt en uitzettingen vaak mislukken.

Daardoor is het debat verschoven van bescherming van vluchtelingen naar controle.

In veel Europese hoofdsteden klinkt tegenwoordig dezelfde boodschap: het asielrecht moet worden beperkt om draagvlak voor migratie te behouden. Regeringen presenteren steeds strengere maatregelen als noodzakelijk compromis om radicalere alternatieven te voorkomen. Maar die strategie kent een risico. Elke concessie verschuift het politieke midden verder richting het discours van uiterst rechts, zonder noodzakelijkerwijs het gevoel van controle terug te brengen. Bovendien blijven de aantallen irreguliere aankomsten historisch hoog.

Daarmee ontstaat een fundamentele vraag: is het mogelijk om irreguliere migratie daadwerkelijk te verminderen zonder het Vluchtelingenverdrag uit te hollen?

Het antwoord is ja. Uitgangspunt is dat de huidige situatie voortkomt uit een structurele tegenstrijdigheid. Enerzijds wil Europa bescherming bieden aan mensen die vluchten voor oorlog en vervolging. Anderzijds heeft het nauwelijks effectieve mechanismen ontwikkeld om ongecontroleerde irreguliere migratie te beperken. Het gevolg is een systeem dat zowel humanitair als politiek onder druk staat.

De kern van een alternatief beleid is eenvoudig: irreguliere migratie neemt af wanneer de reis haar nut verliest. Traditioneel proberen staten dat te bereiken door fysieke grensbewaking: muren, hekken, pushbacks en maritieme blokkades. Maar zulke maatregelen botsen vaak met fundamentele mensenrechten. Wie bescherming zoekt, moet immers een grens kunnen oversteken om asiel aan te vragen.

Daarom wint een ander model terrein: mensen mogen aankomen en een verzoek indienen, maar krijgen vooraf duidelijk te horen dat zij niet automatisch in Europa zullen blijven. Dat vereist overeenkomsten met zogenoemde veilige derde landen: staten buiten de EU waar asielzoekers naartoe kunnen worden overgebracht.

Hoewel er kritiek op het voorstel is, botst het niet met het Vluchtelingenverdrag. Dat verdrag geeft immers geen recht op asiel in een specifiek land. Overdracht aan een derde staat kan rechtmatig zijn, mits die staat daadwerkelijk veilig is en effectieve bescherming biedt.

Smokkelroutes drogen op

In zo’n systeem zouden migranten die irregulier de EU binnenkomen na een vooraf aangekondigde datum niet in aanmerking komen voor een inhoudelijke behandeling van hun asielaanvraag in Europa. In plaats daarvan worden zij overgebracht naar een veilig derde land waarmee een bindende overeenkomst bestaat. Voorwaarde is wel dat in iedere zaak wordt beoordeeld of dat kan. Een land dat voor de meeste vluchtelingen veilig is, kan dat voor sommigen niet zijn. Juridische toetsing blijft daarom noodzakelijk.

De kracht van dit model zit niet in massale deportaties, maar juist in het afschrikwekkende effect. Zodra duidelijk wordt dat een gevaarlijke reis naar Europa niet leidt tot verblijf in Europa, zullen smokkelroutes snel opdrogen. Het doel is dus niet een permanent systeem van grootschalige overdracht, maar het voorkomen van nieuwe irreguliere stromen.

Het bekendste voorbeeld van zo’n aanpak is de EU-Turkijedeal uit 2016. Daarbij spraken Europese landen af dat migranten die illegaal vanuit Turkije de Griekse eilanden bereikten konden worden teruggestuurd, terwijl Europa in ruil legale hervestiging en financiële steun bood.

De deal werkte: het aantal aankomsten daalde spectaculair. Maar de overeenkomst liet ook zien hoe ingewikkeld zulke constructies zijn. Kritiek op de deal van mensenrechtenorganisaties legt een cruciale vraag bloot: wat is een veilig land? Dat gaat verder dan alleen fysieke veiligheid. Een derde land moet beschikken over een functionerend asielsysteem, rechtsbescherming en perspectief op een menswaardig bestaan. In veel potentiële partnerlanden ontbreken die voorwaarden.

Toch hoeft dat niet onoverkomelijk te zijn. Internationale organisaties zoals de UNHCR zouden kunnen helpen bij statusprocedures. Speciale tribunalen met internationale rechters zijn denkbaar.

Daarnaast bestaat er een hardnekkig Europees misverstand: alsof buiten Europa nauwelijks veilige samenlevingen bestaan. Landen als Ghana, Kenia en Senegal huisvesten al jarenlang grote groepen migranten zonder structurele vervolging of geweld. Met voldoende financiële en institutionele steun zouden deze landen asielsystemen kunnen ontwikkelen die vergelijkbaar zijn met die in Europa. In ruil daarvoor profiteren zij van meer mogelijkheden voor migratie naar Europa, investeringen en programma’s voor armoedebestrijding. Zij zouden gelijkwaardige partners zijn, met een sterke onderhandelingspositie.

Maar een toekomstbestendig asielbeleid kan niet uitsluitend draaien om afschrikking en overdracht. Uiteindelijk moet Europa ook bepalen hoe bescherming via legale routes wordt uitgebreid.

Dat is misschien wel de grootste paradox van het huidige systeem: juist degenen met geld, fysieke kracht of toegang tot smokkelnetwerken bereiken Europa het gemakkelijkst. De meest kwetsbaren blijven achter in vluchtelingenkampen. Daardoor functioneert het bestaande model feitelijk als een Darwinistische selectieprocedure.

Een morele plicht

Een alternatief zou bescherming juist toegankelijker maken voor mensen met de grootste nood, waarbij onderzoek laat zien dat de meeste mensen wel degelijk bereid zijn opvang te bieden aan mensen die vluchten voor oorlog of vervolging. Als irreguliere routes verdwijnen, ontstaat ruimte om legale hervestiging (vluchtelingen die door UNHCR zijn erkend en waarvoor een land wordt gezocht) fors uit te breiden. De aantallen hoeven daarvoor niet eens uitzonderlijk hoog te zijn.

In het afgelopen decennium bereikten slechts ongeveer 150.000 mensen Europa via legale hervestigingsprogramma’s; een fractie van het totale aantal vluchtelingen. Stel dat Europese landen jaarlijks bescherming zouden bieden aan 0,05 procent van hun bevolking. Dan zouden de EU en het Verenigd Koninkrijk samen ongeveer 250.000 vluchtelingen per jaar legaal kunnen opnemen. Voor Nederland zou dat neerkomen op ongeveer 9.000 mensen per jaar.

Dat betekent een fundamentele verschuiving: van ongecontroleerde irreguliere migratie naar georganiseerde, voorspelbare en selectieve bescherming.

De grote vraag is uiteindelijk niet hoe Europa migratie beheerst, maar wat het wil behouden van zijn naoorlogse identiteit. Het Vluchtelingenverdrag ontstond uit de overtuiging dat bescherming van vervolgden geen gunst is, maar een juridische en morele plicht. Die gedachte staat vandaag onder druk, vooral door het verlies aan vertrouwen dat staten nog in staat zijn hun grenzen te controleren.

Juist daarom is het behoud van het asielrecht paradoxaal genoeg afhankelijk van strengere vormen van grensbeheer. Niet omdat bescherming minder belangrijk is geworden, maar omdat een systeem zonder controle uiteindelijk ook zijn politieke legitimiteit verliest.

De uitdaging voor Europa is dus niet te kiezen tussen humaniteit en controle. De uitdaging is een systeem ontwerpen waarin beide opnieuw samengaan. Of dat lukt, zal bepalen of het vluchtelingenverdrag de eenentwintigste eeuw overleeft.

Dit is een voorpublicatie van het essay dat de auteurs schreven voor de Adviesraad Migratie (Vlucht naar voren. Asielvergezichten voor 2050. Van Gennep).

Migratie en vluchtelingen

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next