Onderwijs De basisschool van NRC-redacteur Denise Retera kreeg van de inspectie het label ‘zeer zwak’ toen zij in groep zeven zat. Een paar jaar later presteerde de school weer goed. Wat was er gedaan om dat te bereiken?
Glassplinters vielen als een stortbui over mijn klasgenootje heen. Hij zat te spelen met K’Nex aan zijn tafeltje bij het raam. De voetbal die door de ruit was gevlogen, stuiterde door het lokaal. In mijn herinnering bleef mijn klasgenoot doodstil zitten, alsof hij zo de schade kon beperken. Hij boog alleen een beetje zijn hoofd. De felgekleurde plastic K’Nex-stukken had hij nog in zijn handen.
Het was een middag in het voorjaar van 2006 op basisschool Rapenland in Eindhoven. Ik was tien en zat in groep 7c. Een deel van de klas was aan het voetballen op het veld achter de school. Daar mochten we vaak spelen buiten de pauzes om.
Kinderen aan beide kanten van het raam staarden geschrokken naar mijn klasgenoot, omringd door fonkelende glasstukjes. Onze meester snelde toe; op een schrammetje na bleek hij oké.
Hoe het verder ging weet ik niet meer precies, maar het kan heel goed dat de buitenspelende kinderen met veel rumoer via de overige ramen naar binnen kwamen. Langs die weg mochten we van de meester vaak naar binnen en naar buiten klauteren. Het scheelde slechts seconden, maar wat voelde het stoer om het raam te verkiezen boven de deur.
Net als de jongen bij het raam had ik een tafeltje apart. In mijn schoolrapport van 15 november 2005 staat: „Het gaat een stuk beter met het werktempo en de concentratie op Denise haar rustige plek.” Ik zat met mijn gezicht naar de lichtblauwe muur en een fotocanvas van kiezelstenen. Het lokaal had recent een metamorfose gekregen: overal stonden planten, er was een comfortabele witte bank en aan een andere muur hingen ingelijste zwart-witfoto’s van handen en babyvoetjes. Het had wat weg van een yogastudio; een laatste poging om de kinderen rustig te krijgen.
Nog vier andere kinderen, allemaal jongens, hadden een plekje alleen in de klas. We zaten apart om verschillende redenen, maar het kwam erop neer dat we snel afgeleid waren. Zes drukke hoofden. Onze klas had negentien leerlingen, dus bijna een derde zat apart. Tussen drie jongens waren houten, donkerblauw geverfde schotten geplaatst.
Dit artikel gaat over de Eindhovense basisschool Rapenland in de periode 1999-2008. Om de ontwikkeling van de school in deze periode te reconstrueren, sprak NRC met oud-directeuren, -leraren en -leerlingen, alsook met onderwijsinspecteurs, de toenmalige wijkagent en verschillende ouders van oud-leerlingen. Daarnaast maakte NRC gebruik van foto’s, video’s en documenten uit die tijd, zoals verslagen van de Onderwijsinspectie, schoolrapporten en notulen van vergaderingen.
De beelden bij dit artikel (met uitzondering van de pasfoto) zijn afkomstig uit een video gemaakt door docent Rudy Dassen in schooljaar 2005/2006.
De onrust dat schooljaar had deels te maken met het feit dat onze juffrouw (eerder dan verwacht) met zwangerschapsverlof ging en haar LIO (Leraar In Opleiding) fulltime alleen voor de klas kwam te staan. Officieel mocht dat, omdat het zijn afstudeerstage was. We waren dol op hem, maar het ging niet goed.
Mijn vriendinnen en ik herinneren ons dat we de schoollaptops vaak mochten gebruiken voor leuke dingen. Dan gingen we naar Clipjes.nl voor de videoclips van Hips Don’t Lie van Shakira en Beep van The Pussycat Dolls. En als je snel klaar was met je reken- of taalwerk mocht je op de witte bank zitten met de Game Boy of een stripboek. Iedereen wilde natuurlijk op de Game Boy om Super Mario Land te spelen, maar er was er maar één in de klas. Sommige kinderen raffelden daarom hun werk af. Ook bij mij kroop de onrust in mijn vingers, maar ik was te perfectionistisch om mijn werk te overhaasten.
Er werd niet alleen lol getrapt. Op een dinsdag met een herfstzonnetje in oktober 2005 moesten we een taaltoets maken en dan een rekentoets, zo lees ik in een notitie die mijn moeder destijds maakte. Tijdens de taaltoets werd ik de hele tijd lastiggevallen door een van de jongens die tussen twee schotten zat. „Ik wil niet zo dichtbij Denise zitten! Denise staat op mijn stomme-meidenlijst!” Het duurde even voordat de leraar hem op de gang zette.
Tijdens de rekentoets was de jongen weer terug in de klas en begon hij weer naar me te roepen. Ik deed mijn handen over mijn oren in een poging me toch te concentreren op de toets. Op een ander moment die dag zei hij: „Jouw broertje is een mongool, maar dat kan ook niet anders met zo’n slet van een zus. Ik krijg jouw broertje nog wel!” Mijn broertje Robert zat toen in groep 4 van basisschool Rapenland. Hij was een zachtaardige, sociale zevenjarige en kende mijn klasgenoot nauwelijks.
Aan het eind van dat schooljaar, in de lente van 2006, kwam de Onderwijsinspectie langs en beoordeelde de school als „zeer zwak”. Rapenland werd onder „geïntensiveerd toezicht” gesteld, zoals de Inspectie dat destijds noemde. In het schooljaar 2006-2007 was 1,7 procent van de basisscholen in Nederland zeer zwak. Nu is dat zo’n 2 procent.
Als onderwijsredacteur kreeg ik weleens inspectierapporten onder ogen over die zeer zwakke scholen. Die staan bol van termen als „kwaliteitscultuur”, „risicobeheersings- en controlesysteem” en „doorverwijzingspercentages”. Ik vroeg me af wat er gebeurt nadat een school zo’n negatief oordeel heeft gekregen. Hoe doe je dat: een school uit het slop trekken?
Toen bedacht ik me dat ik het zelf heb meegemaakt. Ik kan me nog goed herinneren hoe het was toen Rapenland begon af te glijden. Na een paar jaar kreeg de school weer een goede beoordeling. Ik besloot aan de hand van mijn eigen basisschool te onderzoeken wat er allemaal gebeurt tussen een onvoldoende en een voldoende van de Onderwijsinspectie.
Het is een verhaal dat niet op zichzelf staat, ook twintig jaar later niet. Toen ik de casus van Rapenland voorlegde aan twee inspecteurs van de Onderwijsinspectie keken ze elkaar veelbetekenend aan. Dezelfde onderliggende problemen zien ze op veel zeer zwakke scholen van nu. En hoewel elke school haar eigen weg naar boven kent, zijn de bepalende factoren hetzelfde gebleven.
In het voorjaar van 1999 moesten mijn ouders een basisschool uitkiezen, want op 1 september zou ik vier worden. De dichtstbijzijnde basisschool was twee straten van ons huis. Die stond officieel in de Generalenbuurt, waar wij woonden, maar was vernoemd naar de aangrenzende buurt: Rapenland. In beide buurten staan sociale huurwoningen, waarvan een groot deel destijds urgentiewoningen waren. In de Generalenbuurt staat een klein woonwagenkamp en daarnaast zijn er ook koophuizen, doorzonwoningen uit de jaren zestig. In één daarvan woonde ik met mijn ouders en broertje.
De twee buurten scoorden destijds ongeveer hetzelfde op de ‘Buurtthermometer’ van de gemeente Eindhoven, een instrument om de leefbaarheid te meten aan de hand van factoren als inkomen, criminaliteit, gezondheid. Op een schaal van 1 tot 5 was 1 de slechtste score. In 2005 scoorde zowel de Generalenbuurt als Rapenland een 2 op sociaaleconomische status en een 3 op problematiek.
Dat betekende niet dat de buurt onveilig of ongezellig was. Er waren altijd veel buitenspelende kinderen en buurtfeesten. De wijkagent uit die tijd, Frans Meeuwsen, was vooral druk met burenruzies en rondhangende tienerjongens, vertelt hij. „Rotjes afsteken, een brommer in brand steken, diefstal van een fiets, cocaïne dealen. Op heel kleine schaal hoor, niet georganiseerd.”
Het was een andere tijd, zeggen mijn ouders nu over de schoolkeuze. Er was nog geen website waarop je alle inspectierapporten kon raadplegen. Er was ook nog geen cultuur van ‘voorkeursscholen’ kiezen voor je kind. In ieder geval niet in Eindhoven. Je ging gewoon naar de buurtschool, tenzij daar iets gruwelijk mis mee was. Dat was bij basisschool Rapenland niet het geval, begrepen mijn ouders na een rondvraag. Ouders van buurjongens en -meisjes waren heel tevreden. Er was toen ook nog niet zoveel aan de hand; het eerste écht zorgelijke inspectierapport zou pas in 2004 verschijnen.
De klassen waren verdeeld over twee locaties. De groepen 1 tot en met 4 zaten op de hoofdlocatie twee straten van ons huis en 5 tot en met 8 in een dependance een paar straten verderop. Ik begon dus op de hoofdlocatie: een L-vormig gebouw met twee verdiepingen en een plat dak. Het had een jaren-zestiguitstraling; lichtbruine bakstenen en twee stroken grote ramen met witte kozijnen en gehaakte gordijntjes aan de onderkant. „Kath. Basisschool Rapenland” stond in donkerrode letters op de gevel. Op de gangen rook het naar vers geslepen potloden.
Het was een gewone (van oudsher katholieke) school: kinderen van dezelfde leeftijd zaten bij elkaar in de klas en kregen dezelfde stof aangeboden met het ‘directe-instructiemodel’.
In mijn eerste schooljaren schommelde het leerlingenaantal rond de vierhonderd. Voor ongeveer een derde van de leerlingen kreeg de school extra geld van de overheid vanwege „hun achtergrond”, staat in een rapport van de Onderwijsinspectie uit 2004. Dat was bedoeld om hun meer ondersteuning te bieden. Met „achtergrond” werd bijvoorbeeld afkomst bedoeld, opleidingsniveau van de ouders of sociaaleconomische situatie.
De populatie was in al die opzichten heel divers. Zo had in mijn groep 7 bijna de helft van de leerlingen een of twee ouders met een niet-Nederlandse achtergrond: Turks, Surinaams, Afghaans, Bulgaars, Indiaas, Bosnisch.
Je moest je mannetje kunnen staan; veel kinderen hadden een grote mond. Maar mijn eerste jaren op Rapenland verliepen vrij normaal. Er was rust in de klas en een doorlopende leerlijn: de lesstof van een schooljaar sloot logisch aan op het vorige en volgende schooljaar.
Dat veranderde in groep 5. Ik zat voor het eerst op de dependance. In dat schooljaar, 2003-2004, stonden verschillende leraren voor onze klas, ik herinner me er minstens drie. Er was meer rumoer en gepest in de klas dan ik gewend was van voorgaande jaren.
En er kwam een knakje in de doorlopende leerlijn. Ik herinner me nog goed dat een van de juffen in groep 5 op een dag opeens sommen op het krijtbord begon uit te rekenen aan de hand van staartdelingen. Tot dan toe hadden we deelsommen altijd uitgerekend met de ‘hapjesmethode’, waarbij je meestal in een of twee stappen tot je uitkomst komt. Nu schreef de juf met verschillende kleurtjes krijt vele rijen aan getallen onder de som, die een soort staart vormden. Ik zag alleen maar een onnavolgbare vervlechting van getallen. Een knoop. En toch kwam de lerares op het juiste antwoord uit. Ik voelde me zenuwachtig worden.
In groep 5 daalde mijn rapportcijfer voor rekenen van een 8 naar een 7. Mijn andere cijfers daalden niet. Aan het begin van groep 6 kreeg ik een 5 voor rekenen. Ik had het geluk dat mijn (universitair geschoolde) vader me in de weekenden bijles ging geven, waardoor ik aan het eind van groep 6 weer een 8 stond. Maar veel kinderen hadden ouders die dat niet konden of niet deden, of allebei.
Op Rapenland had in die tijd elke leraar zijn eigen aanpak en regels. „Je wist nooit echt wat een collega in de klas deed”, zegt Kitty van Woensel (68), samen met Thea Koot (76) mijn juffrouw in groep 4. Koot vertelt over een „heel goede leraar” van de parallelklas, die gewoon „niet gewend” was om informatie uit te wisselen. „Dan maakte ze voor haar klas een extra werkblad voor klokkijken en daar wisten wij dan niks van. Zo deden we regelmatig dingen dubbel.”
Er stond nauwelijks iets op papier, zegt een andere leerkracht uit die tijd, die niet met naam in NRC wil. „Je begon aan een schooljaar en dan wist je bijna niets van die klas.” Veel leraren hadden lage verwachtingen van kinderen, was haar indruk, zo van: daar komt toch niets van terecht. Maar, weet ze, als je lage verwachtingen van je klas hebt, zakken die kinderen alleen maar verder weg. Zeker kinderen met een instabiele thuissituatie, voor wie duidelijkheid en stabiliteit op school extra belangrijk is, qua onderwijs én gedragsregels. Als ze ruimte voelen, gaan ze die pakken.
Het gebrek aan duidelijkheid was ook lastig voor Rudy Dassen (42), die als LIO voor mijn groep 7 stond. „Ik denk dat het wel klopt dat jullie dat jaar weinig geleerd hebben. Het was echt onrustig in de klas”, zegt hij. „Er waren ook best wat leerlingen met een behoorlijk grote gebruiksaanwijzing. Ik denk ook dat ik niet helemaal geschikt was als leraar. Elke dag ging ik met lichte tegenzin naar school en hoopte ik dat het schooljaar snel voorbij zou zijn.”
Hij vond het opmerkelijk dat leerlingen met concentratieproblemen apart werden gezet tussen schotten. „Ik had daar andere ideeën over, maar durfde het ook niet anders te doen want ik wilde graag afstuderen dat jaar.” Marianne van Breemen (49), de juffrouw die met zwangerschapsverlof was, had die werkwijze weer overgenomen van andere leraren. Zij had ook haar twijfels: „Voor sommige kinderen werkte het heel goed, maar ze waren wel helemaal losgezongen van de rest van de klas.” Ze zegt dat ze toen nog een onervaren leerkracht was en dat ze het nu anders zou hebben gedaan.
Rudy Dassen is nu manager bij een garagebedrijf, waar hij na zijn schooljaar op Rapenland gelijk is gaan werken.
In het voorjaar van 2004 kwam de Onderwijsinspectie langs voor haar vierjaarlijkse onderzoek. In haar rapport concludeerde ze dat het onderwijs op Rapenland „van onvoldoende kwaliteit” was. De „opbrengsten” waren onvoldoende, zoals de gemiddelden van de Cito-toets. Er was „geen lijn” in de school en sommige leraren vertoonden „minder respectabel” gedrag naar leerlingen. In het rapport staat geen toelichting, maar uit interviews voor dit artikel blijkt bijvoorbeeld dat sommige leraren leerlingen niet aanspraken op hun gedrag maar op hun karakter.
De Inspectie schreef ook dat de onderlinge relaties tussen leraren slecht waren: „Enkele leraren committeren zich weinig aan teamafspraken en stellen zich autonoom op. Er is een eilandencultuur.” Ook schortte het aan de begeleiding van kinderen met „specifieke onderwijsbehoeften”.
Voor dit verhaal praatte ik ook met oud-klasgenoten die nu nog steeds mijn vriendinnen zijn. Ook zij zagen de school vanaf groep 5 afbrokkelen. „Mijn moeder vertelde dat als je je zorgen uitte, daar niets mee gedaan werd”, zegt Alida Lugonja (31). „Bijvoorbeeld toen ze naar een leraar stapte omdat mijn broer had gezegd dat hij school haatte.”
Jhalak Gupta (31) bleef wat achter met lezen en schrijven, ook doordat thuis geen Nederlands werd gesproken. „De leraar zei dat ik gewoon meer moest lezen, maar gaf mijn ouders verder geen handvatten. Terwijl mijn moeder zich afvroeg wat voor soort boeken en hoe ze dat dan moest aanpakken.”
„Ik denk wel,” zegt Lotte Spanjers (31), „dat je het de docenten misschien niet zo kwalijk kan nemen. Ze zaten nu eenmaal in een systeem dat niet werkte.”
Mijn vriendinnen en ik bleven op Rapenland, maar voor sommige ouders van klasgenoten in groep 5 was de maat al vol. Ik herinner me dat de juffrouw op een dag aankondigde dat drie leerlingen naar een andere basisschool in Eindhoven zouden gaan.
Mijn ouders vroegen aan mij en mijn broertje of we ook naar een andere school wilden, maar we wilden bij onze vriendjes en vriendinnetjes blijven. Dat vonden mijn ouders oké, want hoewel mijn rekencijfer dalende was, waren onze rapporten goed genoeg. Maar, namen ze zich voor, als ze zouden merken dat ik en mijn broertje met tegenzin naar school gingen of onze rapporten heel slecht werden, zouden ze de beslissing heroverwegen. En ik kreeg dus bijles van mijn vader.
In 2005, na wederom stevige kritiek van de Onderwijsinspectie, trad een nieuwe directeur aan: Frans Verberne. Hij moest Rapenland samen met zijn mededirecteur Louwien Eising, die een jaar eerder was begonnen, weer overeind helpen.
Verberne (nu 73) had ruim twintig jaar ervaring als directeur van twee andere Eindhovense basisscholen die onder hetzelfde schoolbestuur vielen: SKPO. Hij wilde iets nieuws en had altijd tegen het bestuur gezegd dat hij wel van een uitdaging hield. Voor Rapenland fietste hij graag elke dag zeven kilometer heen en zeven kilometer terug.
Verberne is een geboren Brabander en een zachtaardige, geduldige man. Louwien Eising (53) was begin dertig toen ze van het bedrijfsleven overstapte naar Rapenland. Ze is een goedlachse vrouw met wortels in het noorden van het land, recht voor z’n raap.
Het eerste wat Eising opviel was de eilandcultuur waar de Onderwijsinspectie ook al over schreef. „Het waren allemaal teampjes in een team. De autonomie van de leraar is belangrijk, maar sommigen wilden echt heel ver gaan.” Zo had één groepje leraren een heel eigen onderwijsvisie, volgens Eising, waarbij ze kinderen individueler benaderden en meer zelfstandigheid gaven.
Een ander eiland, zegt Eising, deelde niet zozeer een onderwijsvisie, maar wel een grote afkeer van (het beleid) van de nieuwe directeuren. Het waren leraren die al lang op Rapenland werkten en erg gewend waren om hun eigen ding te doen.
Toen Eising begon stond ze erop dat het kopieerhok op de dependance haar kantoor zou worden. Het was piepklein, maar gaf uitzicht op het schoolplein. Dat zou haar veel kunnen vertellen, wist ze, over de leerlingen, hun ouders en hoe het met de school ging.
Al snel viel haar op dat er elke dag ruim na schooltijd nog leerlingen op het schoolplein hingen. Die waren dan wel even naar huis geweest, maar alleen om een blikje cola en zakje chips te halen. Als kinderen structureel na vijf uur nog op school zijn, wist Eising, dan is het niet goed. Regelmatig liep ze het schoolplein op om erachter te komen wat de thuissituatie van deze kinderen was, maar dan kreeg ze „stoer gedrag”, geen antwoorden.
Met sommige ouders waren er incidenten. Op een dag stond opeens een vader in het kantoortje van Eising, herinnert ze zich, die op dwingende toon zei dat hij met haar wilde praten. Ze bleef rustig, ook al voelde het kantoor opeens nog kleiner dan het al was. „Dat kan nu even niet,” zei ze, „want ik heb een andere afspraak”. Ze stelde voor om een gesprek in te plannen, waarop de man een zakmes tevoorschijn haalde en op haar keel zette. Hij zei, in haar herinnering, dat er maar een paar mensen waren voor wie hij respect had, namelijk die hadden gestudeerd en doctor of doctorandus waren, dáár diende je als ouder een afspraak mee te maken! Eising verstijfde. „Meneer,” zei ze, „dat mes kunt u rustig wegdoen, want ik ben doctorandus.” De man haalde het mes weg en zei monter dat ze dan wel gewoon een afspraak konden maken.
„Daarna dacht ik natuurlijk: wat is er in godsnaam gebeurd?”, vertelt Eising. „Maar ik heb er gelukkig maar één nacht slecht van geslapen.” Ze deed geen aangifte, maar maakte er wel melding van bij de politie. De man bleek al een strafblad te hebben.
Verberne en Eising maakten een verbeteringsplan. Allereerst moesten de leraren zich voortaan nauwgezet aan de lesmethodes houden en dus niet opeens traditioneel rekenen (denk: staartdelen) toepassen, terwijl de lesboeken op Rapenland waren gebaseerd op realistisch rekenen (denk: de hapjesmethode). Ook was het belangrijk dat de regels in elke klas hetzelfde zouden worden.
Er kwam één instructievorm voor alle klassen: de leraar legde iets klassikaal uit; als het merendeel van de klas aangaf genoeg uitleg te hebben gehad, werden de kinderen zelfstandig aan het werk gezet; leerlingen die aangaven meer uitleg nodig te hebben kregen in een groepje extra begeleiding van de leerkracht, aan de ‘instructietafel’.
Dat was „best een klus”, herinnert Thea Koot zich, mijn juffrouw in groep 4. „Voorheen liep ik gewoon door de klas om vragen te beantwoorden. Nu moest je een klein groepje intensief begeleiden, terwijl de grote groep zelfstandig en stil moest doorwerken. Dat werkte niet altijd.”
Eising en Verberne vonden het ook een goed idee om de leraren dagschema’s te laten maken, waar in stond welk vak ze hoe laat zouden geven, en wat mondeling en wat schriftelijk zou worden gedaan. Verberne: „Omdat het voor jezelf belangrijk is dat je je lessen goed voorbereidt. En omdat er dan een programma voor je vervanger klaarligt als jij om acht uur ’s ochtends belt dat je ziek bent.” Zeker op Rapenland was dat handig, verschillende inspectierapporten wezen op het hoge ziekteverzuim.
Op donderdagmiddag 22 september 2005 was er zoals elke week een lerarenvergadering in de kleine aula van de dependance. Moskleurig zeil op de grond, een met grijs tapijt bekleed podium. Hier aten de leerlingen hun boterhammen, vierden carnaval en Sinterklaas, dansten tijdens fuifjes en playbackshows.
Nu zaten zo’n 25 leraren aan een grote tafel, met Verberne en Eising aan het hoofd. Rapenland had structuur nodig, zei Verberne, wilde de school weer een goed oordeel van de Onderwijsinspectie krijgen. Hij deelde kopietjes met lege dagschema’s uit. Sommige docenten zaten onderuitgezakt op hun stoel, de armen over elkaar. Hij zag sceptische blikken over de kopietjes glijden.
Ze moesten voortaan een nauwkeurige dagplanning maken, zei Verberne. Drie dagen vooruit. Hij legde uit waarom.
Verontwaardiging alom.
„Wie ben jij om dat te bepalen?!”
„Dat gaan we echt niet doen!”
Verberne had zulke reacties wel verwacht. Hij was al wat meer rechtop gaan zitten, klaar om wat harder te gaan praten. „We gaan niet met elkaar praten over óf we het gaan doen, maar hóé we het gaan doen.” Wie daar een probleem mee had, kon dat ná de vergadering komen melden.
Verandering roept weerstand op, merkten Verberne en Eising in die eerste periode. Overigens niet alleen bij leraren; een ouder noemde Verberne eens „Hitler”. Dat was nadat hij een rode lijn op het schoolplein had laten verven, waar ouders achter moesten blijven als ze hun kind kwamen brengen of halen. Verberne vond dat sommige ouders zich te veel bemoeiden met conflicten tussen de kinderen. „Dat had ik natuurlijk anders moeten aanpakken”, zegt hij nu. „Die lijn werkte als een rode lap op een stier.”
De directeuren voerden functioneringsgesprekken in – die bestonden eerst niet op Rapenland – waarin ze sommige leraren aanspraken op hun manier van lesgeven of hun gebrek aan inzet. In die tijd ging Verberne eens gebak halen om uit te delen, bij de bakker om de hoek. Die vertelde dat elke dag dezelfde paar leerkrachten zaten te lunchen in de bakkerij en dat Verberne eens moest weten wat er dan over hem gezegd werd. Echt, ze kunnen je wel wat aandoen, vertrouwde de bakker hem volgens Verberne toe.
Achteraf bleek het om een van de eilandjes te gaan, het groepje met een aversie tegen de nieuwe directeuren. Twee werden later op verzoek van Verberne door het schoolbestuur overgeplaatst naar een andere basisschool. Niet alleen door het verhaal van de bakker, zegt Verberne, er was een opeenstapeling van incidenten.
In 2006 kwam de Inspectie opnieuw langs op Rapenland. Dit keer kreeg de school het slechtst mogelijke oordeel, „zeer zwak”, en werd onder geïntensiveerd toezicht geplaatst. Voor Verberne en Eising, een jaar eerder als duo begonnen, kwam het niet onverwacht: ze hadden niet genoeg tijd gehad om dit af te wenden.
Op dinsdagavond 3 oktober 2006 belegden ze een ouderavond in een zaaltje in een verpleeghuis dichtbij de school. Er waren bijna 140 ouders, een hoge opkomst naar Rapenlandse maatstaven. En bijna alle leraren waren er. Verberne en Eising waren gespannen. Het was de eerste keer dat ze voor zo’n grote groep Rapenland-ouders moesten staan en dan ook nog eens omdat de school onder toezicht was geplaatst.
Verberne vertelde wat er allemaal moest gebeuren volgens de Onderwijsinspectie: één visie, betere ondersteuning voor zorgleerlingen, professionaliseren. Gaandeweg voelde hij dat de spanning die in de lucht hing verdween. In de reacties en vragen van de ouders proefde hij vooral verbazing. Over de ontstane situatie, maar ook over het feit dat hij er zo open over vertelde; dat waardeerden ze.
Omdat het zo lastig was om de leraren op één lijn te krijgen, besloten Verberne en Eising daarvoor een coach in te huren. Een van de sessies met die coach herinneren ze zich nog goed. Het was in november 2006, in de aula van de dependance, met op de ramen nog geknutselde pompoenen van Halloween. De leraren zaten op stoelen in een kring, gekleed in spijkerjasjes en midi-rokken – zo is op een foto te zien. Verberne droeg een paarse blouse met verticale strepen.
Tegen het eind van de sessie kwam de coach met de vraag wie mee wilde met de nieuwe koers. Terwijl de meerderheid van de ongeveer dertig docenten naar de ‘ja-kant’ van de aula liep, bleven anderen twijfelend staan. Een klein groepje liep boos weg, maar moest terugkomen van de coach. Uiteindelijk stonden er zo’n zes mensen aan de ‘nee-kant’. Ze sloegen de armen om elkaars schouders. Het ging onder andere om het eilandje van de bakkerij en het eilandje met de eigen onderwijsvisie.
Verberne vond het moeilijk om te zien. Confronterend. De onderstroom die hij al die tijd al had gevoeld, verplaatste zich naar de oppervlakte. Een deel van de leraren aan de nee-kant besloot niet lang daarna om Rapenland te verruilen voor een andere school.
Ik zat inmiddels in groep 8. Aan het begin van het schooljaar had mijn moeder tegen mijn nieuwe juffrouw Erna gezegd dat ik in groep 7 een tafeltje apart had. Bij mij zit niemand apart, had de juf geantwoord. Dat vond ik in eerste instantie spannend. Zou ik me wel voldoende kunnen concentreren in een groepje? Maar dat ging vergeleken met groep 7 oké; het was rustiger in de klas.
Ik herinner me dat ze in ieder geval een aantal punten uit het plan van Verberne en Eising implementeerde in de klas. Zo stond er elke dag een dagplanning op het krijtbord en soms werden kinderen apart genomen voor extra instructie. Aan het begin van het schooljaar zaten er „grote gaten” in de kennis van de leerlingen, herinnert Erna de Jong (69) zich. Ze maakte zich zorgen over de Cito-toets aan het einde van het jaar.
Hoewel er meer orde in de klas was, werd er in groep 8 nog steeds veel gepest. Mijn vriendinnengroep en ik herinneren ons dat in dat jaar zeker drie klasgenoten daar regelmatig slachtoffer van waren. Vaak probeerde de juffrouw de problemen klassikaal uit te praten, maar dat maakte ze meestal erger. Soms zette het pesten zich in de klas voort. Een klasgenootje stormde eens woedend af op een ander kind, kantelde haar tafeltje en gaf het een duw, waardoor het hard tegen haar aan kwam.
De Jong zegt dat dit een aanpak was die aansloot bij de populaire pedagogische visie van toen: dat het bestrijden van pesten een „groepsgebeuren” moest zijn. „Het idee was dat je zo meer cohesie in de groep creëerde en zorgde voor een stukje sociale controle door de rest van de klas.” De Jong merkte ook dat het niet werkte, dat je eigenlijk beter de pester en gepeste apart kunt nemen. Ze zegt dat de school toen nog werkte aan een nieuw pestprotocol.
In groep 8 had ik geen rekenbijles meer nodig van mijn vader en aan het eind van het schooljaar mocht ik naar het gymnasium. Zo’n twee derde van de klas kreeg vmbo-t-advies of lager, inclusief enkelen die vmbo-t/havo-advies kregen. Sommige van hen hebben later alsnog een hbo-studie of universitaire studie gevolgd. Landelijk krijgt gemiddeld ongeveer de helft van de kinderen in groep 8 een vmbo-t/havo-advies of lager.
Ondertussen had de school extra geld gekregen van het schoolbestuur. Daarvan kon ze extra leraren aannemen waardoor grote klassen kleiner konden worden gemaakt, en twee fulltime intern begeleiders (IB’ers). IB’ers zijn er voor de zorg en begeleiding voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben en kunnen de leraren strategieën en feedback geven als het gaat om orde houden in de klas.
De IB’ers zorgden ook voor meer zicht op zorgleerlingen. Het strakke leerlingvolgsysteem dat Verberne introduceerde, hielp daar volgens hem ook bij. „Leraren moesten elk halfjaar methoderesultaten en Cito-resultaten inleveren bij mij. Gesprek erover. Plan van aanpak op de resultaten van het eerste halfjaar om ervoor te zorgen dat het ’t tweede halfjaar beter gaat. En eind van het jaar nog ’n keer.”
Voor de vertrokken docenten kwamen andere in de plaats, die achter het nieuwe beleid van de school stonden. Daarmee zat het team weer op één lijn.
In het schooljaar 2003-2004 had Rapenland ruim 400 leerlingen. Vanaf dat jaar – toen ik in groep 5 zat en verschillende klasgenoten naar een andere school gingen – daalde het leerlingaantal elk jaar een beetje. Met als dieptepunt het schooljaar 2008-2009, toen er nog maar zo’n 280 kinderen op Rapenland zaten. Ik zat toen al in de tweede klas van de middelbare school.
Donderdag 2 oktober 2008 zaten de leraren in de aula van de dependance klaar om aan een studiedag te beginnen. In plaats daarvan bleken ze die dag naar de Efteling te gaan, er was iets te vieren: Rapenland was onder het toezicht uit en had weer een goede beoordeling gekregen van de inspectie.
Verberne mocht erover vertellen in de 3FM Ochtendshow van radio-dj Giel Beelen, er kwam een groot feest voor de ouders en alle leerlingen gingen een dagje naar het Belgische pretpark Bobbejaanland. De kinderen schreven erover in de Infora van 13 november, het wekelijkse informatiebulletin van Rapenland. Daily uit groep 4 schreef: „We waaren op schoolrijsje. Ik was met Ivana en met Jiena en Luna in de hangachtbaan geweest.”
Als kind neem je de dingen zoals ze zijn. Pas tijdens het maken van dit verhaal ging ik nadenken over de beslissing van mijn ouders om me niet naar een andere school te sturen toen mijn basisschool afgleed. Ik begrijp die beslissing. Ik denk dat ik minder had gefloreerd als ik het gevoel had gehad dat mijn ouders maximale controle wilden uitoefenen over mijn schoolloopbaan. Misschien is het voor sommige ouders goed om te weten dat je kind niet automatisch slechter af is als je wat meer durft los te laten.
Dat neemt niet weg dat elk kind en elke situatie anders is. Dat je hetzelfde hebt gemist, betekent niet dat je hetzelfde gemis hebt. Ik moet denken aan de klasgenoten die in groep 8 wellicht hoger hadden gescoord als het beter was gegaan met de school. En aan leerlingen die misschien onnodig onzeker zijn geworden omdat ze werden aangesproken op hun persoonlijkheid in plaats van hun gedrag.
Maar voor kinderen zijn soms andere dingen belangrijk dan voor volwassenen. En tegengestelde zaken kunnen tegelijkertijd waar zijn. Ik weet bijvoorbeeld zeker dat de meeste van mijn klasgenoten voornamelijk goede herinneringen hebben aan hun schooltijd, ondanks het slechte oordeel van de Onderwijsinspectie. De ene onvoldoende is de andere niet.