AI is dé technologische doorbraak van de jaren twintig van deze eeuw, maar de theorie erachter is veel ouder. Al in 1988 ging de studie kunstmatige intelligentie aan de Universiteit Utrecht van start. Wie waren de studenten van die eerste lichting? Hebben zij wat gehad aan hun voorsprong? En hoe bezien zij de latere doorbraak?
Het is een typische Hollandse zomerdag, begin september 1988. Op de Uithof in Utrecht, het huidige Utrecht Science Park, is het half bewolkt, ongeveer 19 graden. Nederland heeft net het EK voetbal gewonnen, de Britse soulgroep The Pasadenas staan bovenin de top 40 met het nummer Tribute en het gebouw van de faculteit wijsbegeerte van de toenmalige Rijksuniversiteit te Utrecht ontvangt een nieuwe groep studenten: die van Cognitieve Kunstmatige Intelligentie (CKI), een studie waaraan de Hogeschool voor de Kunsten (HKU) ook meedoet.
In de zomer, voorafgaand aan de start van de opleiding, heeft de universiteit geadverteerd in de Volkskrant en NRC. ‘Specialist in de behandeling van kennis binnen intelligente computersystemen’ kun je worden als je CKI hebt gestudeerd, staat er. Het belooft een combinatie te zijn van kennisleer, informatica, logica, taalkunde en psychologie. Dat zagen 69 pioniers wel zitten. Vrijwel allemaal studenten die al een opleiding hebben afgerond, of deze nieuwe studie erbij doen.
Esther Zijlmans (nu 60) is een van de weinige vrouwen op dag één. ‘Maar heus niet de enige hoor, we waren zelfs met drie Esthers’, zegt ze terugblikkend. Voor ze op haar 22ste aan CKI begint, heeft Zijlmans al een heel studentenleven achter zich: na het behalen van de havo wil ze zo snel mogelijk haar ouderlijk huis in het Brabantse Willemstad verlaten. Ze vertrekt naar Den Haag voor een opleiding informatica, maar houdt het niet lang vol. ‘Te veel wiskunde’. Ze gooit het over een andere boeg en gaat jeugdhulpverlening studeren. Wanneer ze daarmee klaar is, komt het besef dat ze dat werk niet tot haar pensioen wil doen. Bovendien is Zijlmans nog niet uitgestudeerd, vindt ze.
Ze ontdekt dat er aan de universiteit in Utrecht met een nieuwe studierichting wordt begonnen. ‘Ik wist niets van kunstmatige intelligentie, maar de studie kwam op mij over als een mooie combinatie van techniek én mensen, precies wat ik wilde’, zegt ze. ‘Dat was ook wel bijzonder, er bestonden destijds nog niet zoveel brede opleidingen.’
‘CKI was de eerste van wat we nu ‘brede bachelors’ noemen’, zegt Bas Haring (58), die later dankzij populairwetenschappelijke boeken en tv-programma’s een bekende wetenschapper zou worden. ‘Ik was het type student dat vandaag de dag naar een universitycollege zou gaan, denk ik. In plaats daarvan begon ik aan natuurkunde.’
Die studie blijkt hem toch niet te liggen. Er zijn wel een aantal grote vraagstukken in dat wetenschapsgebied, maar je moet ongelooflijk competitief zijn wil je je daarin verdiepen, zegt hij terugkijkend. Het gros van de mensen gaat na die studie kleine kruimeldingetjes doen en dat vindt Haring niet interessant. Hij schrijft zich in bij de kunstacademie, wordt toegelaten, maar komt er na een paar maanden achter dat studeren toch wel leuk is.
‘Een huisgenoot wees me toen op de advertentie in de Volkskrant. Kunstmatige intelligentie, daar lagen de grote vragen nog open. En de HKU deed ook mee, briljant. Dit klinkt nu trouwens alsof ik een heel duidelijk beeld had van kunstmatige intelligentie, maar dat viel best mee. Mijn medestudenten en ik waren vooral breed geïnteresseerd.’
Wie op dat moment wél een beeld heeft, is Ronald Lemmen (61), die zich op het laatste moment heeft ingeschreven. Voor hij naar Utrecht komt, studeert Lemmen natuurkunde in Enschede. ‘Daar had ik geleerd over de wereld buiten ons. CKI vond ik interessant om meer te leren over mensen.’
Dat hij daarvoor bij kunstmatige intelligentie moet zijn, leert hij uit het boek Gödel, Escher, Bach van de Amerikaanse cognitiewetenschapper Douglas Hofstadter. Een dikke pil van bijna negenhonderd pagina’s. Zelf zegt de auteur dat slechts 0,1 procent van de mensen die het in de kast hebben staan, de inhoud ervan werkelijk begrijpt. Lemmen moet tot dat zeer selectieve gezelschap behoren. Hij verslindt het boek en het wekt bij hem de interesse voor filosofie, psychologie en kunstmatige intelligentie. ‘Zonder dat boek had mijn leven er heel anders uitgezien.’
Dat de opleiding CKI er kwam, is voor een groot deel te danken aan Jan Bergstra (74). De inmiddels emeritus hoogleraar toegepaste logica werkt eind jaren tachtig één dag in de week bij de faculteit wijsbegeerte, die op dat moment kampt met een tekort aan studenten. Bergstra is van huis uit informaticus en was in de jaren tachtig van de vorige eeuw al bekend met AI. Informatica-opleidingen in Nederland zien dan nog geen ruimte om te experimenteren met een nieuwe, universitaire opleiding kunstmatige intelligentie. Ze zijn zelf nog nieuw en verwikkeld in een strijd om erkenning van andere exacte wetenschappers. ‘Bij wiskunde zeiden ze bijvoorbeeld: een informaticus is een wiskundige die overdag ook tv kijkt’, blikt Bergstra terug. ‘Omdat je achter een computerscherm zat. Zij zagen informatici als mensen die het bij wiskunde niet gered hadden en dat vonden informatici enorm frustrerend.’
Bergstra omzeilt de exacte wetenschappers en neemt het idee voor de nieuwe opleiding mee naar de faculteit wijsbegeerte, waar wel alle ruimte is voor experimenten en bovendien een nieuwe aanwas studenten goed van pas komt. Op een symposium in september 1987 geeft Bergstra het startschot, samen met medestander Gerard Renardel de Lavalette (72). Bergstra, door oud-studenten omschreven als ‘ADHD-ideeënkanon’, weet genoeg vakgebieden te enthousiasmeren om mee te doen. Daaronder ook de HKU, die computers heeft staan in het nieuw opgerichte Centrum voor Kennistechnologie. In principe zijn die bedoeld voor grafische kunst en elektronische muziek, maar je kunt er ook prima op programmeren.
Kort na de start laat een flink deel van de studenten de nieuwe opleiding alweer achter zich. Ze hoopten zich te hebben ingeschreven voor een meeslepende studie met weidse wetenschappelijke vergezichten, maar de eerste vakken die ze moeten volgen zijn syntaxis en morfologie. ‘Ingewikkelde taalkundevakken, waarbij je op wiskundige wijze de grammaticale structuur van taal moet ontleden’, zegt Haring. ‘Hoe stom kun je zijn dat je ons daarmee laat beginnen?’
Liever had hij meteen iets geleerd over de turingtest. Kunstmatige intelligentie bestond al ver voor de jaren tachtig als theorie, ergens op het snijvlak van wiskunde en filosofie; in 1936 bedacht de Engelse wiskundige Alan Turing zijn beroemde test. De oud-studenten kennen ’m allemaal: een machine is als intelligent te beschouwen als je in een chatgesprek na vijf minuten nog niet doorhebt dat het een machine is.
‘Er kwamen geen nieuwe vakken voor onze studie, we deden mee met andere studies’, zegt Esther Zijlmans. ‘Je hebt syntaxis nodig als je een taalsysteem wilt maken, dus leerden we syntaxis. Met psychologiestudenten volgden we vakken over de werking van het menselijk brein. Alles wat we wisten over intelligentie was immers gebaseerd op menselijke intelligentie.’
De studenten moeten het curriculum grotendeels zelf samenstellen. ‘Een groepje studenten had zich daar in vastgebeten’, zegt Zijlmans. ‘Zij bladerden studiegidsen door en fietsten de hele Uithof over om met docenten af te spreken dat wij aan hun colleges mochten meedoen. Als je verwachtte een studie te doen waar alles kant en klaar lag, was dit wel chaos.’
Daarbij gebeurde het weleens dat de studenten CKI werden vergeten in de communicatie. Eén oud-student vertelt dat hij het verkeerde boek had besteld voor een psychologievak, omdat alleen de studenten psychologie was verteld dat er een nieuw boek nodig was. ‘Dat heb ik toen alsnog gelezen, ik had er immers veel geld voor betaald.’
Het lastige programma en de chaotische structuur zijn er de oorzaak van dat op 1 december nog maar 40 van de oorspronkelijke 69 studenten CKI over zijn, blijkt uit het jaarverslag van de universiteit. 10 van hen halen in 1989 hun propedeuse.
In aanloop naar het derde jaar, waarin de studenten een afstudeerrichting moeten kiezen, bestaat er nog geen afstudeerprogramma voor neurale netwerken. Dit tot grote ergernis van student Lemmen, die vanuit filosofisch oogpunt juist daarin is geïnteresseerd, en ook denkt dat er veel te halen valt.
‘Hij had een heel duidelijk beeld van wat hij wilde met CKI en hoe het eruit moest zien. Althans, zo kwam het over’, herinnert mede-student Haring zich.
Lemmen kaart het aan bij de staf. Zijn kritiek leidt er uiteindelijk toe dat hij zélf een afstudeerrichting mag opzetten en vakken mag geven aan zijn medestudenten. ‘Ik kreeg te horen: prima als die er komt, maar we hebben niemand die dat kan geven, doe jij het maar.’
Lemmen: ‘Als ik er nu aan terugdenk, vraag ik me af waarom ik dat niet spannend vond. Ik deed het gewoon. Er was ook ruimte voor, juist omdat de opleiding nieuw was.’
‘Kennelijk kon dat toen’, is de reactie van Bergstra op de vraag waarom een student een afstudeerrichting mocht opzetten en zijn jaargenoten college mocht geven. ‘Ik denk wel dat het systeem zoiets tegenwoordig niet meer zou toestaan.’
Binnen AI zijn er grofweg twee fundamentele benaderingen: regelgebaseerde systemen, oftewel symbolisme, en neurale netwerken, oftewel connectionisme. Deze stromingen verschillen in hoe ze intelligentie benaderen. Symbolisme volgt expliciete, door mensen geschreven regels en logica: als X, dan Y. Connectionisme gaat uit van zelflerende algoritmes die getraind zijn op grote datasets, een aanpak die geïnspireerd is op de werking van biologische hersenen.
De meesten mensen die zich eind jaren tachtig bezighouden met AI, geloven dat regelgebaseerde systemen de toekomst hebben. Regelgebaseerde expertsystemen zijn in die periode op hun hoogtepunt bij commerciële toepassingen en genieten ook in de academische wereld het meeste prestige.
Maar het is nauwelijks een spoiler te noemen dat het juist de neurale netwerken zijn die op dit moment de race om de kunstmatige intelligentie hebben gewonnen.
Vier jaar na het begin van de opleiding, zijn Johan Caljé (61) en René Westenberg (61) de eersten die afstuderen. Haring, Zijlmans en Lemmen volgen later. Het AD schrijft een feestelijk artikel over de eerste doctorandussen kunstmatige intelligentie van Nederland. AI bevindt zich als wetenschap ‘nog in het middeleeuwse stadium’, citeert de krant een van hen.
Caljé blikt met veel plezier terug op zijn studie: ‘Ik kwam van het hbo. Dat is heel praktisch, daar moet je iets doen. Op de universiteit draait het meer om het stellen van vragen. Als je het hebt over intelligentie, bijvoorbeeld. Wat ís intelligentie eigenlijk? Ga het maar eens proberen te beschrijven, het klopt nooit. Dat vond ik superleuk.’
Helaas voor Caljé en zijn jaargenoten blijkt 1992 geen ideaal moment om af te studeren van een opleiding kunstmatige intelligentie. Begin jaren negentig zakt de interesse in AI namelijk grotendeels weg. De ontwikkelingen stagneren, praktische toepassingen zijn er eigenlijk niet en dus haken geldschieters af. Het diploma CKI van de faculteit wijsbegeerte lijkt nagenoeg waardeloos.
In het onderzoek naar kunstmatige intelligentie wordt er gesproken van zomers en winters; momenten waarop er veel interesse is, en dus geld (zomer), en momenten waarop de hype afzwakt en er minder geld beschikbaar is (winter). Lemmen: ‘AI-onderzoekers hebben nogal eens de neiging van alles te beloven. Dat blijkt altijd schromelijk overdreven te zijn en daar komen financiers na enige tijd ook achter.’
Begin jaren negentig vangt er een winter aan. Johan Caljé komt niet te werken in de kunstmatige intelligentie. ‘Er was niet zoveel werk. Omdat ik ook een pabo-diploma had, ben ik na mijn studietijd beide opleidingen als het ware gaan combineren, door trainingen te geven op het gebied van informatica.’
Ook Esther Zijlmans gaat lesgeven. Ze begint bij het Centrum voor Kennistechnologie, waar ze lesgeeft aan jaargangen CKI na haar. ‘Dat heb ik drieënhalf jaar gedaan. Daarna ging ik het bedrijfsleven in, maar niet in de AI. Die banen waren er simpelweg niet. Het kwam pas weer jaren later op mijn pad toen IBM in 2011 met de Watson [een computersysteem dat in staat is om in spreektaal gestelde vragen te beantwoorden, red.] de Amerikaanse spelshow Jeopardy! won van menselijke deelnemers. De Belastingdienst ging dat systeem gebruiken om aktes te verwerken. Ik ben daar gedetacheerd om de server voor hen in te richten.’
Bas Haring gaat na zijn afstuderen als promovendus verder met onderzoek in Utrecht, waar hij neurale netwerken traint voor beeldherkenning, bedoeld om artsen te helpen met het opsporen van tumoren. ‘Een klassieke toepassing van AI, ik kon er als promovendus vier jaar lang mee bezig. Dat was prachtig, een van de mooiste periodes uit mijn leven.’
Hij blijft in de academische wereld hangen en zet zichzelf in de markt als ‘professor in de snapkunde’. In 2025 laat hij een van zijn studenten aan de Universiteit Leiden voor haar masterscriptie volledig begeleiden door AI. ‘Zij is de allereerste student die volledig is begeleid door computers’, claimt Haring.
Voor Ronald Lemmen, die als student al colleges gaf, neemt het einde van zijn studie – en daarmee het begin van zijn carrière – een andere wending. De wil om de menselijke geest te begrijpen, blijft hem bezighouden als hij na CKI promotieonderzoek gaat doen aan de universiteit van Sussex, in Engeland. ‘Ik kwam daar aan met een onderzoeksvoorstel dat was gericht op het connectionisme. Maar een jaar later had ik dat idee volledig losgelaten.’
Waar hij in Twente geïnspireerd raakte door Gödel, Escher, Bach, zo krijgt Lemmen in Engeland een ingeving door het werk van de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961). ‘Bij hem draait het om lichamelijkheid: als we een geest hebben of zijn, dan is die intrinsiek en onherroepelijk verbonden met ons lichaam. Voor mij is dat cruciaal geworden. Het is ook de reden waarom ChatGPT volgens mij geen echte intelligentie heeft en nooit zal hebben: het heeft geen lichaam.’
Hoewel Lemmen met behulp van Merleau-Ponty ‘het licht zag’, bracht dit hem wel in problemen voor zijn onderzoek naar neurale netwerken in kunstmatige intelligentie: hij geloofde er niet meer in. ‘Ik ben mijzelf nóg een keer gaan omscholen, maar daardoor verloor ik behoorlijk wat tijd. Tijd waarin ik had moeten publiceren en beurzen had moeten binnenslepen. In 1998 moest ik concluderen dat ik geen academisch werk ging vinden. Er moest brood op de plank komen. Ik werkte parttime bij een vertaalbureau, dat ben ik fulltime gaan doen en dat doe ik nog. Als ik erop terugkijk, ben ik nog steeds wel verdrietig over hoe dat is gelopen. Ik ben mezelf altijd blijven zien als academicus in spe.’
Eind april, 2026. In het centrum van Utrecht is het helder weer, ongeveer 20 graden. Een groot deel van Nederland moet de ramen en deuren gesloten houden vanwege een enorme natuurbrand op de Veluwe; de top 40 wordt aangevoerd door Alex Warren met Fever Dream; de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht, waar wijsbegeerte in is opgegaan, ontvangt in een van haar gebouwen de eerste lichting studenten en docenten CKI voor een reünie.
Voor de meesten is het een weerzien na lange tijd. Er wordt, uiteraard, gesproken over vroeger, maar ook over de grote ontwikkeling die een aantal jaar geleden de wereld waarin zij afstudeerden op zijn kop zette.
Op 30 november 2022 wordt ChatGPT – een neuraal netwerk – gepresenteerd en maakt het grote publiek kennis met kunstmatige intelligentie. Wat lange tijd een experimenteel randje van de informatica was, is opeens voor iedereen te gebruiken en begrijpen. De CKI-studenten van het eerste uur, die meer dan dertig jaar lang hebben moeten uitleggen wat ze nou eigenlijk gestudeerd hebben, zien ineens iedereen praten over hun niche.
‘Als je het mij vraagt, is de komst van generatieve AI, zoals ChatGPT, een net zo grote doorbraak als de komst van het internet’, zegt Zijlmans. ‘Natuurlijk dacht ik terug aan 1988, aan CKI. Ik weet niet hoe die opleiding nu in elkaar zit, maar je moet hele andere dingen leren, vermoed ik.’
‘Ik dacht terug aan de turingtest toen ik ChatGPT voor het eerst gebruikte’, zegt Haring. ‘Ik heb altijd geleerd dat wij niet gingen meemaken dat een apparaat daarvoor zou slagen en ineens is daar ChatGPT en die doet dat gewoon honderd procent. Dat is wel heel cool.’
‘Maar toch’, vervolgt hij, ‘het is niet echt intelligentie. ChatGPT doet maar één ding en dat is iedere keer het volgende woord voorspellen. Dat is een compleet eenvoudig ding, technisch eigenlijk heel simpel.’
‘Ik sta versteld van wat ChatGPT kan, het is prachtig’, zegt Bergstra. ‘Vooral dat het vanuit de neurale netwerken komt, dat had ik in de jaren tachtig niet voorzien. Het is de beschikbaarheid van brute rekenkracht, die we vroeger niet hadden, die deze technologie mogelijk maakt. Je hoort weleens dat AI de mens gaat vervangen, maar dat kan nog niet. Wat daarvoor nodig is, is nog volkomen onbekend terrein.’
De rekenkracht waar Bergstra het over heeft kost energie, veel energie. De servers waar AI-programma’s op draaien hebben veel stroom nodig, en omdat ze heet worden, moeten ze ook nog eens flink gekoeld worden. Door de bank genomen kost één ‘traditionele’ Google-zoekopdracht 25 keer minder energie dan een prompt in een AI-model. Die klimaatimpact baart Zijlmans zorgen. ‘Ik vind het heel irritant dat mensen nutteloos AI gebruiken. Ik zie weleens dingen voorbij komen op Facebook... nou ja, goed.’
‘Ik probeer het nuttig te gebruiken en mijn kennis maatschappelijk verantwoord in te zetten, zoals toen bij de Belastingdienst. Ik ga niet bij een commerciële bank werken die daardoor meer geld verdient. Maar dat is best lastig. Soms denk ik: misschien moet ik er wel uit stappen, iets heel anders gaan doen.’
De eerste afgestudeerde CKI’er worstelt dermate met AI, dat hij het zo min mogelijk probeert te gebruiken. Johan Caljé: ‘Ik vind dat wij mensen te perfect willen zijn. Het wezenlijke van mens-zijn is juist imperfectie. Begrijp me niet verkeerd: ik heb ooit kanker gehad en ik zou superblij zijn geweest als ze dat eerder zouden hebben ontdekt. Dus ik ben niet tegen AI. Maar wat ik wel zie is de eenheidsworst die erdoor ontstaat. Jouw stukje creativiteit, wie jij bent als mens, hoe jij iets constateert in jouw hoofd met jouw imperfecties... dat verdwijnt. Wie ben jij dan dadelijk nog?’
Zo ziet Bas Haring het niet. ‘Er is om te beginnen sowieso niets wezenlijks aan mens-zijn.’
‘Je bent toch nog existentialist geworden’, reageert Lemmen.
Haring lacht, en gaat verder: ‘In teksten hoef je inderdaad geen imperfectie meer te zoeken, die zijn perfect geworden. Maar je kunt het wel zoeken in andere dingen, in de gesprekken die je hebt met mensen, bijvoorbeeld.’
De reünie wordt afgesloten bij De Florin, een Utrechtse kroeg die oud-studenten en - docenten zich herinneren als ‘Zeezicht’. Terwijl de glazen worden gevuld, vervagen de discussies over neurale netwerken en brute rekenkracht. Lemmen zegt het rustiger aan te willen gaan doen. ‘Misschien drie dagen in de week freelancen. Maar ik wacht nog even wat de ontwikkelingen in de AI doen, zodat ik niet het risico loop dat ik straks zonder werk zit.’
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant