Terwijl duurzaamheid in Brussel steeds vaker plaatsmaakt voor het woord ‘competitiviteit’, pleit Werner Schouten (27) met zijn Impact Economy Foundation voor een economie waarin brede welvaart zwaarder weegt dan winstcijfers. ‘Dit werk is onderdeel van wie ik in de wereld wil zijn.’
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Bedrijven en bestuurders die ik tegenkom, nemen nogal eens de positie in dat zij de verantwoordelijkheid en het handelingsvermogen van anderen hoger aanslaan dan die van henzelf. Ze mijden risico in plaats van zich af te vragen: wat is de maximale verantwoordelijkheid die ik kan nemen? Die houding is problematisch voor de transitie naar een duurzame economie. Daarachter schuilt een gebrek aan bezielde betrokkenheid, aan het er ’s nachts wakker van liggen. De overheersende gedachte is: het systeem lost het wel op. Dat klopt niet. Als dat waar zou zijn, hadden we nu geen probleem.’
Aan bezielde betrokkenheid ontbreekt het Werner Schouten zelf allerminst. Hij is de 27-jarige directeur van Impact Economy Foundation (IEF), een in omvang bescheiden Amsterdamse denktank met een zware adviesraad waarvan onder meer oud-premier Jan Peter Balkenende, oud-Rabo-topman Herman Wijffels en oud-SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan deel uitmaken.
De ambities van Schouten zijn niet gering. Hij wil ‘duurzaamheid en mensenrechten in de spelregels van de economie verankeren’ door bij de productie van goederen en diensten rekening te houden met ‘maatschappelijke kosten’. Na aftrek daarvan boekten de twintig grootste bedrijven van Europa in 2024 geen winst van 209 miljard euro, zoals hun jaarverslagen suggereren, maar een verlies van 19 miljard, stelt een berekening van het IEF: ‘We moeten leren op een andere manier naar winst te kijken. Winst is geen gegeven, maar een sociale constructie.’
Die andere benadering kan op een welwillende houding rekenen bij diverse bedrijven. De netwerkbedrijven Gasunie, Alliander, Enexis en Vitens werken vanaf 2024 vier jaar lang onder begeleiding van IEF aan financiële verslaglegging waarin ‘brede welvaart’ centraal staat. Doel is een ‘duurzamer en socialer’ verloop van de energietransitie.
Ook bepleit IEF met een aantal duurzame koplopers (onder meer Fairphone, Triodos en Vegetarische Slager) verandering in Den Haag en Brussel via hun True Profit Alliance: ‘We willen dat de maatschappelijk meest impactvolle bedrijven ook als de meest winstgevende bedrijven worden aangemerkt.’
In de ogen van Schouten is het bestaande economisch systeem ‘bizar’ en ‘knettergek’, omdat ‘het ingaat tegen ons mens zijn’ en verslaafd maakt aan ‘ondermijnende zaken als vet, suiker, gokken en sociale media’. De ‘grote misconceptie’ ervan is dat ‘het dit soort consumptief genot aan geluk en vrijheid gelijkstelt’, terwijl het systeem tegelijkertijd verantwoordelijk is voor ‘tientallen miljoenen mensen die zich onder meer in de ketens van koffie en cacao in moderne slavernij bevinden.’
Schouten groeide op in het Noord-Hollandse Grootebroek, als jongste van een gezin met drie kinderen. Zorgzaamheid voor anderen was een kernwaarde in zijn opvoeding. ‘Mijn ouders werkten allebei in het ziekenhuis’. Kenmerkende eigenschappen in zijn jeugd zijn zijn verlegenheid (‘Ik vond mijn verjaardag de moeilijkste dag van het jaar’) en zijn gedrevenheid. Veelzeggend is zijn wens als 10-jarige om minister van Financiën te worden, op het moment dat in 2008 de kredietcrisis uitbreekt: ‘Als ik iets belangrijk vind, wil ik er ook echt bij betrokken zijn.’
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Daardoor valt hem, ondanks zijn verlegenheid, geregeld de rol van leider toe: in zijn jeugd wordt hij aanvoerder van het voetbalteam en als 19-jarige voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging. Aan de TU Twente studeert hij Advanced Technology. Die studie voltooit hij wel, maar gaandeweg voelt hij de afstand tot zijn medestudenten en docenten groeien.
Waardoor kwam dat?
‘In het tweede jaar kregen we tien weken om een nieuwe stofzuiger te ontwerpen. Hoe is het mogelijk dat we met zoveel knappe koppen aan zoiets maatschappelijk onzinnigs onze tijd besteden, vroeg ik me af. Die vraag stelde ik aan andere studenten en docenten, maar een fatsoenlijk antwoord kreeg ik niet, het werd weggelachen. Voor mij was dat een teken dat er iets fundamenteel verkeerd zat. Om daarover na te denken, ben ik een maand ethiek en filosofie in Seoul gaan studeren.
‘Mijn belangrijkste ervaring daar vond buiten de universiteit plaats. Naast de universiteit, die uit prachtige, moderne gebouwen bestond, lag een arme wijk. Elke ochtend wanneer ik naar de collegezaal liep, zag ik dezelfde oude vrouw in de weer met een steekwagentje waarop ze karton verzamelde om wat geld te verdienen. Ze droeg altijd dezelfde kleren en geen mondkapje, terwijl dat door de luchtvervuiling in Seoul vaak wel nodig was. Als studenten maakten we ons druk over zoiets banaals als de koffieprijs bij Starbucks, terwijl even verderop mensen levensjaren verloren aan luchtvervuiling die ze zelf niet hadden veroorzaakt.
‘Sterker nog: met mijn retourvlucht naar Seoul was ik voor meer vervuiling verantwoordelijk dan die vrouw in haar hele leven. De rijkste 10 procent van de mensen op deze aardbol neemt de helft van alle uitstoot en vervuiling voor hun rekening, terwijl de armste helft daarvoor de rekening betaalt. We vinden dat maar normaal, zoals we het ook gewoon vinden dat we de jackpot hebben gewonnen met onze geboorte in Nederland. Daarmee zijn we de grootste geluksvogels die je je kunt bedenken, Europa is een paradijs in vergelijking met andere werelddelen. We moeten niet doen alsof die jackpot ons toekomt, maar inzien dat we een plicht en verantwoordelijkheid hebben terug te geven. Anderen zouden hetzelfde niveau van welzijn moeten kunnen ervaren.’
Hoe was het terug te keren in Nederland?
‘Ik voelde me ontheemd, de afstand tot mijn docenten en medestudenten was nog verder toegenomen. Ik stond ook direct in de actiemodus en ben een bedrijf begonnen waarmee ik de maatschappelijke kosten van producten wilde berekenen. Het was 2019 en duurzaamheid had momentum: Greta Thunberg stond volop in de belangstelling, tienduizenden jongeren trokken naar het Malieveld en op Europees niveau had je de Green Deal van Frans Timmermans. Die presenteerde hij in december van dat jaar, enkele maanden eerder was ik voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging geworden, ook al had ik eerlijk gezegd mijn strepen op het vlak van duurzaamheid nog niet verdiend. Die beweging vertegenwoordigde een half miljoen studenten en jonge professionals.’
Tijdens de coronacrisis nam u in die rol deel aan overleg in het Catshuis, met premier Rutte en minister Wiebes. Wat leerde u dat over de wijze waarop de macht wordt uitgeoefend?
‘De intellectuele armoede en het gebrek aan verbeeldingskracht vielen me vooral op. De leiders van ons land beknotten eigenhandig de speelruimte waarbinnen ze maatregelen konden bedenken, waardoor de fundamentele transitie van de economie buiten beeld bleef. Terwijl wij bij de Jonge Klimaatbeweging nadachten over de vraag: hoe willen we in 2050 werken, wonen en reizen, en welke stappen moeten we vandaag zetten om op dat punt uit te komen, hanteerden zij een tijdshorizon van één, hooguit twee jaar. Alleen maatregelen die bijdragen aan het optimaliseren van het bestaande systeem kregen hun aandacht, veel werd taboe verklaard. Een voorbeeld: het ministerie van Economische Zaken en Klimaat bedacht voor burgers de ‘Iedereen doet wat’-campagne, maar daarin mocht niets over vlees worden gezegd. Als je jezelf zo beperkt, komt die fundamentele transformatie natuurlijk nooit van de grond.’
Het momentum dat duurzaamheid in 2019 had, is verdwenen. Wat zijn de gevolgen?
‘In 2019 zag je een groep twijfelende bedrijven opportunistisch op de rijdende trein springen, maar die vallen er nu weer af omdat ze zich niet echt met het onderwerp hebben verbonden. Zij erkennen nog wel dat er een probleem is, maar iedere kostprijsverhogende duurzaamheidsmaatregel wijzen ze af. Ze zien wel dat het klimaatprobleem steeds kostbaarder gaat worden, maar zoeken niet naar een oplossing. Hun hoop is gevestigd op een technologie die hen afhoudt van zelfmoord, van het ten onder gaan aan klimaatverandering, maar de businesscase daarvoor hebben ze niet.
‘Het liefst willen ze het er helemaal niet meer over hebben. Dat maakt het contrast scherper met de bedrijven die wel echt betrokken zijn, ervan wakker liggen en actief naar een uitweg zoeken. Die is er in mijn ogen ook. Kijk maar naar China, waar cleantechactiviteiten inmiddels goed zijn voor twee derde van de economische groei en 11 procent van de gehele economie. Een florerende, duurzame economie opbouwen is mogelijk, als je maar de verbeeldingskracht ervoor hebt.’
Ondertussen gaat het in Europa nauwelijks meer over duurzaamheid, maar vooral over onze competitiviteit in verhouding tot de VS en China.
‘Het is bizar dat je in Brussel niet langer woorden als duurzaamheid en klimaat in de mond kunt nemen en alleen nog maar over veerkracht, weerbaarheid en competitiviteit van de Europese economie mag praten. Onder dat mom wordt nu regelgeving ten gunste van duurzaamheid ongedaan gemaakt. Het gevaar is groot dat we ons in een race naar beneden begeven, waarbij we ecologische en sociale standaarden overboord zetten om te concurreren met de VS en China.
‘Ik zou zeggen: ja, we moeten competitief zijn, maar richt het speelveld dan zo in dat we concurreren op het creëren van een zo groot mogelijke positieve impact op de maatschappij. Innovatiekracht is prachtig, maar laten we die niet richten op zaken als crypto, fatbikes en flitsbezorging, die financieel lucratief zijn, maar waar we geen fluit aan hebben. Laten we ruim baan geven aan zaken die de wereld mooier maken, zoals Noorwegen heeft gedaan met de elektrische auto; de brandstofauto is daar vrijwel weggevaagd. Laten we innoveren met plannen die de liefde voor het leven en deze planeet dienen.’
Betaalt u ook een prijs voor uw idealisme?
‘Ik had waarschijnlijk een veel beter betaalde baan kunnen hebben, bijvoorbeeld als consultant. Maar zodra ik dit zeg, besef ik ook: ik had geen keuze. Opkomen voor mijn ideaal is een staat van zijn, de vraag was alleen: hoe breng ik mijn ideaal tot uiting? Het is een roeping, niet iets dat ik zomaar kan afschudden om consultant te worden.
‘Bij de prijs hoort ook alle weerstand die mijn ideaal oproept bij mensen die de status quo verdedigen. Zij kunnen leunen op bekende argumenten, op vijftig jaar economische theorie ten gunste van het neoliberalisme bijvoorbeeld. Daar moet ik met mijn verhaal tegenin. Soms vind ik het vermoeiend om op bijeenkomsten die rol te moeten vervullen. Ook heb ik te maken met oud-studiegenoten en vrienden die niet willen geloven dat het systeem anders kan, ik zie ze denken: droom jij maar lekker verder.
‘Maar de prijs die ik betaal, vind ik goed te overzien. Ik krijg vaak de vraag: waar put je hoop uit? Dat heb ik helemaal niet nodig. Dit werk is onderdeel van wie ik in de wereld wil zijn. Mij spreekt de spreuk van Willem van Oranje aan: ‘Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen, noch te slagen om te volharden’. Zo voel ik het. Mijn opa zei altijd: ‘Blik op oneindig en doorgaan’. Dat hou ik mezelf voor. Er is genoeg te doen.’
Boektip: Siddhartha van Herman Hesse
‘Dit boek is het poëtisch geschreven verhaal van een jongen die op zoek gaat naar verlichting, maar pijnlijk met zijn eigen feilbaarheid wordt geconfronteerd.
‘Hesse verwoordt in mijn ogen de essentie van wat ons te doen staat: het voelen van lotsverbondenheid en het laten smelten van angst, haat en jaloezie.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant