Handelsmaatregelen China is uitgegroeid tot grote concurrent voor Europese bedrijven, en soms hele bedrijfstakken. Brussel buigt zich over maatregelen die het gevaar moeten keren. Maar er zijn ook Europese bedrijven en landen die belang hebben bij goede banden met China. „Het is geen simpel verhaal.”
De haven van Yiwu in de Chinese provincie Zhejiang.
Handelstarieven, die waren toch verkeerd? Heel wat Brusselse diplomaten en ambtenaren hebben in korte tijd een bekering doorgemaakt. Steeds meer landen dringen openlijk aan op tariefmuren, invoerquota en ander grof geschut om de Europese industrie te beschermen.
De verklaring voor deze omslag? Feitelijk zijn het er drie – en allemaal draaien ze om één land: China.
In de EU bestaan grote zorgen dat Europese bedrijven op steeds meer terreinen de concurrentieslag van China verliezen. Daarbij klinken in toenemende mate beschuldigingen dat China zijn opmars dankt aan dumping en andere oneerlijke handelspraktijken. En er is angst dat de groeiende afhankelijkheid van China de EU economisch en politiek uiterst kwetsbaar maakt.
Om een strategie uit te stippelen, komt de voltallige top van de Europese Commissie vrijdag bijeen in Brussel. Industriecommissaris Stéphane Séjourné trok al aan de bel door te waarschuwen voor een „existentiële” dreiging voor de Europese industrie. Hij wil het tij keren door sneller quota en importheffingen te kunnen toepassen. Het onderzoek dat aan zo’n ingreep voorafgaat duurt nu lang. Zoveel tijd is er soms niet, aldus de Fransman.
Diplomaten en analisten houden er rekening mee dat de spanningen uitmonden in een Europees-Chinese handelsoorlog. In Beijing kon de hardere Europese lijn deze week al op ergernis en onbegrip rekenen. Handelsminister Wang Wentao zei woensdag dat het groeiende protectionisme in Brussel de economische band tussen China en Europa „ernstig verstoort”. Zijn ministerie dreigde met tegenmaatregelen als de EU inderdaad in actie komt.
Dat China steeds meer met Europa wedijvert, lijdt geen twijfel. Dat zie je vooral terug in Chinese export naar Europa. Vorig jaar voerde het land voor 558,8 miljard euro aan goederen uit naar de EU, ruim 54 procent meer dan in 2019. Omgekeerd importeert China steeds minder uit Europa. Het handelsoverschot is inmiddels 360 miljard euro.
Europese bedrijven voelen dit. Decennialang was China een winstgevende markt waar ze hun goederen kwijt konden. Inmiddels domineren Chinese producenten – van auto’s tot zonnepanelen – hun thuismarkt en zijn ze geduchte concurrenten in de rest van de wereld.
Volgens sommige economen staat Europa aan de vooravond van een nieuwe China Shock. Tijdens de eerste schok legden veelal laagwaardige fabrikanten in de VS het loodje. Nu lijken de paradepaardjes van de Europese economie aan de beurt: automakers, machinebouw, chemie.
Stuk voor stuk zien bedrijven in deze en andere hoogwaardige sectoren de concurrentie uit China opstomen. Sinds 2021 zouden hierdoor in Duitsland, het industriële hart van Europa, al 400.000 banen verdwenen zijn. „De tijd raakt op”, waarschuwden economen van het Centre for European Reform deze maand in een rapport dat in Berlijn veel stof deed opwaaien.
De Chinese opmars is een feit, maar over de diagnose woedt stevige discussie. In Europa geldt Chinese ‘overcapaciteit’ als verklaring. Chinese bedrijven zouden veel meer produceren dan gezond is en daarmee de Europese markt overspoelen.
Deze waarschuwingen klinken allengs luider. Nu de Amerikaanse markt door heffingen en exportrestricties minder toegankelijk is voor Chinese firma’s, zouden die hun producten in Europa dumpen. Ook „oneerlijke praktijken” als overheidssubsidies en een kunstmatig lage koers van de Chinese renminbi spelen volgens Europese critici een belangrijke rol. Daarnaast lopen Europese bedrijven risico als de Chinese overheid de toevoer van essentiële grondstoffen afknijpt, zoals vorig najaar.
Beijing is zich van geen kwaad bewust. „Als een handelsoverschot al genoeg is om het label ‘overcapaciteit’ te verdienen, zouden alle auto’s, geneesmiddelen, wijn en cosmetica die de EU exporteert dan niet ook zo genoemd moeten worden?”, sneerde een woordvoerder van het ministerie van Handel vorige week. Ook de EU exporteert immers meer dan ze importeert.
Een recente Chinese studie van denktank China Finance 40 wijst op andere oorzaken van het groeiende handelsoverschot, zoals de dure energie waarmee de Europese industrie sinds 2021 kampt. Daarnaast heeft Europa vanwege de energietransitie volop ingezet op elektrische auto’s, batterijen en zonnepanelen. Die komen vaak uit China.
Samen met chemicaliën is dit ‘groene trio’ goed voor 70 procent van de groei in de Chinese export naar Europa. Volgens econoom Guo Kai, een van de auteurs van de studie, is dan ook sprake van een „misdiagnose” aan Europese kant, en is de handelsrelatie met China structureel veranderd door Europa’s energietransitie. „Europa wil minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, en van Rusland. China is de voornaamste leverancier van de producten die daarvoor nodig zijn.”
Ook volgens Cedric Gemehl, die de economische relatie tussen China en de EU onderzoekt voor adviesbedrijf Gavekal, moeten de huidige spanningen in bredere context gezien worden. Europa importeert meer industriële goederen uit China omdat het continent eindelijk weer investeert op veel vlakken, van energietransitie tot defensie, na een decennium waarin na de eurocrisis bezuinigingen en zuinige bedrijfsvoering centraal stonden. „In zo’n fase ga je meer importeren, en veel daarvan komt nu uit China.”
Dat de Europese industrie onder druk staat door de Chinese concurrentie, staat buiten kijf. Maar dat geldt niet voor alle bedrijven. Het is vooral de import van Chinese halffabricaten geweest, van elektronische onderdelen tot chemicaliën, die zo hard is gegroeid. Daar hebben Europese concurrenten het nu moeilijk. Maar de multinationals die de Chinese tussenproducten verwerken tot eindproducten, draaien door die goedkope import meer winst en zagen hun productiviteit omhooggaan.
Zelfs in de Europese autoindustrie, zwaar onder vuur van innovatieve Chinese branchegenoten, zie je dit symbiotische effect. In de afgelopen paar jaar bleef het aantal elektrische auto’s dat Europa zelf exporteert ook groeien – veel ervan hebben Chinese batterijen.
Gemehl: „Het is geen simpel verhaal. Er zijn ook veel Europese bedrijven die de afgelopen jaren hebben geprofiteerd.”
Dit dilemma wordt alleen maar urgenter voor de Europese industrie. Dat verklaart waarom de roep om actie toeneemt, in Brussel en diverse grote landen. De vraag is inmiddels niet of de EU meer maatregelen neemt, maar hoe ver die gaan.
Nu al heeft de Europese Commissie een arsenaal aan defensieve maatregelen opgebouwd. In 2024 legde Brussel importheffingen op elektrische auto’s die subsidie uit Beijing hadden gekregen. Vorig jaar kondigde de Commissie torenhoge heffingen aan op Chinees staal. En met gericht onderzoek kan Brussel al reageren op dumping of andere oneerlijke praktijken.
Eurocommissaris Séjourné wil die aanpak versnellen en breder toepassen. Als tweede troefkaart wil hij via wetgeving Europese bedrijven beschermen; buitenlandse investeerders worden hiermee gedwongen meer Europees personeel aan te nemen en kennis over te dragen. Deze Industrial Accelerator Act is ook bedoeld om bedrijven te kunnen uitsluiten van subsidies en overheidscontracten als ze hun productie niet in de EU en een select groepje partnerlanden concentreren.
China wordt weliswaar niet bij naam genoemd, maar het is voor iedereen duidelijk dat het niet op de lijst van partnerlanden zal belanden. Beijing heeft al met tegenmaatregelen gedreigd.
Zo is China voortdurend de olifant in de kamer. De Franse president Emmanuel Macron pleitte afgelopen week voor een vaste heffingsgrond waarmee de Europese Unie op oneerlijke marktpraktijken kan reageren. Hij wees daarbij naar Sectie 301 uit het Amerikaanse handelsrecht, waarop zowel president Trump als diens voorganger Joe Biden de voorbije jaren heel wat importheffingen tegen (onder meer) China stoelden.
Dat de discussie ook in Europa gevoelig ligt, bleek toen deze week een document uitlekte, ondertekend door Nederland, Frankrijk, Italië, Spanje en Litouwen. De vijf schaarden zich achter de inzet van tarieven en quota. Ook vroegen ze om een nieuw handelsinstrument waarmee de Commissie kan ingrijpen als de Europese afhankelijkheid van één leverancier te groot wordt.
Amper circuleerde de tekst onder diplomaten en journalisten, of Madrid maakte terugtrekkende bewegingen. Tegen het einde van de week had de regering zijn handen er formeel van afgetrokken.
Al even veelzeggend was dat Duitsland niet meedeed. Berlijn verkeert in een spagaat als het gaat om China en is bevreesd voor een handelsoorlog. Meer dan in andere Europese landen heeft het Duitse bedrijfsleven te maken met alle kanten van het verhaal: het heeft grote economische belangen in China die het nog altijd uitbreidt, maar ook een midden- en kleinbedrijf dat zwaar lijdt onder de Chinese concurrentie.
Maar de zwakte van Europa is ook een kracht. Dat Chinese bedrijven op Europese bodem zo’n groot marktaandeel hebben verworven, betekent ook dat China niet zonder Europa kan, zeggen betrokkenen. „We moeten tegen China kunnen zeggen: we willen open zijn en met jullie handelen, maar dan moeten we herbalanceren. Dit is niet houdbaar”, aldus een EU-functionaris.
„Angst voor Chinese vergelding is begrijpelijk”, zegt Sander Tordoir van het Centre for European Reform. „Maar China heeft Europa ook hard nodig.”
Ook Gemehl denkt dat er een handelsconflict aankomt, ondanks de vrees voor tegenmaatregelen die zullen volgen vanuit China. „Maar je ziet nu dat meer Europese landen bereid zijn wat van die pijn te accepteren. De richting is duidelijk.”
Guo hoopt nog dat het niet zo ver komt. Maar, zegt hij „als ik eerlijk ben, lijkt het wel waarschijnlijk”. Hij denkt dat de handelsoorlog waarin China en de Verenigde Staten vorig jaar verzeild raakten, laat zien dat China in zo’n scenario relatief sterk staat. „Het is lastig om te zien hoe de EU op korte termijn alternatieve bronnen zou vinden voor de dingen die het uit China haalt.”