Rashid Novaire Wie zichzelf daadwerkelijk durft te onderzoeken kan niet ontsnappen aan de indruk dat een identiteit uit een eindeloze reeks variaties bestaat en dat je nooit volledig bij een groep kunt horen. Dat laat Rashid Novaire subtiel zien in zijn fraaie nieuwe roman.
Wie komt daar op ons af lopen, op de cover van Achtentwintig letters? Is het een man? Of toch een vrouw? En wat houdt die persoon daar in zijn/haar handen, een baby misschien? En waar zijn we? In een woestijn? Je zou het op basis van de kleding en de kaalheid van het landschap gaan denken. Maar dan is het er wel erg bewolkt. Hollands bewolkt, bijna. Toch is het, ondanks al die vaagheid, onmiskenbaar een emotioneel beeld. De persoon loopt met een gekromde rug en spant zich duidelijk in om iets te beschermen dat hij tegen zijn borst gedrukt houdt. Maar waartegen? Je komt niet verder dan raden.
Rashid Novaire: Achtentwintig letters. Ambo Anthos, 206 blz. € 22,99
Zelden een passender cover gezien dan deze, want ook binnen in de nieuwe roman van Rashid Novaire (1979) barst het van de meerduidigheid. Zo heeft Jibril van der Woude, de vertellende jongeman, een Nederlandse moeder en een Marokkaanse vader, voelt hij zich aangetrokken tot zowel mannen als vrouwen en is hij herstellende van een psychose – waardoor je er als lezer nooit helemaal zeker van bent of wat hij zegt voortkomt uit een zuivere waarneming of dat hij zich iets in zijn hoofd heeft gehaald.
Het zijn sowieso wankele tijden voor Jibril. Hij krijgt te horen dat hij niet meer hoeft terug te keren op zijn werk bij de reclassering, weet niet zeker of zijn relatie met Kenza wel voort zal blijven bestaan en dan is ook nog eens zijn vader, die lang in Nederland woonde maar nu weer in Marokko is, spoorloos verdwenen. Betrekkelijk lang twijfelt Jibril of hij naar Afrika moet afreizen om de man te zoeken. Er lijkt schuldgevoel mee te spelen in zijn beslissing om het uiteindelijk tóch te doen: Jibril gaf zijn vader destijds het benodigde geld voor een vliegticket.
Het is één van de verhaalelementen die je zuiver dramatisch kunt lezen, maar die eveneens iets lijken te willen zeggen over de status en toestand van de Marokkanen die zich sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in Nederland vestigden. De Nederlandse jaren van vader Marouan laten zich een beetje vergelijken met vuurwerk: even indrukwekkend en daarna plotsklaps niks meer. Vol goede moed arriveerde hij er, ontwikkelde zich tot een acteur, maar hij eindigde toch een beetje treurig: nooit volledig geaccepteerd, vroegtijdig terugblikkend, verslingerd aan de drank en terugverlangend naar zijn thuisland.
Maar kan dat wel zo helder worden gezegd? Want als Achtentwintig letters iets niet is, dan is het een verhaal met klip-en-klare verhoudingen en uitgekristalliseerde karakters. De identiteit van Jibril is uiterst divers, maar die van Marouan eigenlijk ook al: Novaire besteedt de nodige aandacht aan de complexe samenstelling van de Marokkaanse bevolking, waarin je ook niet iedereen over één kam kunt scheren. Zo behoort Marouan tot de zwarte(re) Marokkanen en stamt hij af van mensen die nog niet zo heel lang geleden de tot slaaf gemaakten van het land waren.
De roman is teder geschreven en heeft even tijd nodig om zijn kracht te tonen, maar het centrale idee erachter is tamelijk ontvlambaar: je kunt wel willen streven naar individuele identitaire eenheid, maar dan moet je wel ophouden met denken en, in het geval van deze roman, zoeken. Wie daadwerkelijk geïnteresseerd is in wie hij is en waar hij vandaan komt, die ontkomt niet aan de indruk dat een identiteit uit een eindeloze reeks variaties bestaat en je dus ook niet volledig bij een groep kunt horen.
Novaire schrijft veel te subtiel en broos om zo’n boude stelling zelf uit te serveren, maar je gaat het er als lezer vanzelf bij bedenken. „Ik”, denkt Jibril, „stamde af van generaties die verplaatst waren, niet zelf hadden gekozen waar hun leven plaats zou vinden, maar zich toch hadden gehecht aan een streek, een vuurplaats, de kleur van de lucht bij zonsondergang. Wij zwarte Marokkanen, dacht ik opeens, wij moesten wel bezig zijn met onze voorouders, alsof we ze in ons hoofd nog steeds naar huis moesten brengen omdat ze droomden van een imaginair land of, eerder nog, zich poogden te verzoenen met het land dat hen was opgedrongen.”