Biografie Leo Vroman wist lezers steeds te verbazen met zijn speelse en virtuoze poëzie. Atte Jongstra schreef een monumentale biografie over hem: ,,Het zal wel duidelijk zijn dat ik hem ongelooflijk goed en geestig vind; hij was echt een van de allerbeste schrijvers die we hadden.”
Atte Jongstra.
Wat hij van Leo Vroman wist? Eigenlijk helemaal niets, zegt schrijver Atte Jongstra. Teksten van hem waren weleens in een boek beland waar ook werk van de dichter-bioloog in stond en hij had gedichten van Vroman in Hollands Maandblad gelezen. Goeie gedichten. Maar in veertig jaar schrijverschap had Jongstra (69) nooit een letter aan Vroman gewijd. Vandaar zijn verbazing toen hem werd gevraagd of hij diens leven te boek wilde stellen. „Ik ben naar mijn vriend [en dichter en essayist] Rob Schouten gegaan en heb hem gevraagd of hij dacht dat het wat voor mij zou zijn, die Leo Vroman. Rob dacht van wel. Dus toen heb ik het gedaan.”
Atte Jongstra: Inkt, bloed & liefde. Leo Vroman (1915-2014). De Arbeiderspers, 998 blz. € 49,90
Het was inderdaad wel wat voor hem, blijkt ruim vijf jaar verderop. Deze week verschijnt Inkt, bloed en liefde, achthonderd pagina’s Jongstra over Vroman, opgedeeld in korte hoofdstukjes – met nog tweehonderd pagina’s noten erachteraan. Atte Jongstra (in 2016 bekroond met de Constantijn Huygensprijs) schrikt nu eenmaal niet terug voor een kleine uitweiding – hij deelt een brede en snel opvlammende nieuwsgierigheid met het onderwerp van zijn boek.
Er moest bovendien bijna 99 jaar in de biografie. Vroman werd in 1915 geboren in een Joods gezin in Gouda, studeerde in Utrecht, verloofde zich met Tineke Sanders, vluchtte in mei 1940 op het allerlaatste moment voor de nazi’s, maakte zijn studie af in Nederlands-Indië, zat jaren in Japanse krijgsgevangenschap, vestigde zich na de oorlog in New York, waar hij na zeven jaar van elkaar gescheiden te zijn geweest eindelijk met Tineke kon trouwen. Hij maakte simultaan carrière als dichter en als bloedonderzoeker, ontving vrijwel alle beschikbare Nederlandse literaire prijzen en overleed uiteindelijk kort voor zijn 99-ste verjaardag in een bejaardenhuis in Fort Worth, Texas.
Al die tijd bleef Vroman zijn omgeving en zijn lezers verbazen met zijn nooit aflatende verlangen om alle elementen van de wereld om hem heen in zich op te nemen en naar buiten te brengen in zijn speelse en virtuoze teksten – dit alles vergezeld van zijn immer opgewekt beleden liefde voor Tineke.
Jongstra ontvangt het bezoek thuis in Amsterdam-West, in een huis met een uitzicht dat weliswaar minder weids is dan dat van Vroman – de interviewer is een aantal maal bij de dichter over de vloer geweest in Fort Worth – maar groen genoeg. Binnen meer boeken dan bij Vroman, maar een vergelijkbare liefde voor vaak kleine objecten en kunstwerken. Twee werktafels op stevige poten. Jongstra gaat zitten en steekt van wal. „Aan Vroman had ik nooit een gedachte gewijd, maar ik heb veel krantenstukken geschreven en daarbij ook geleerd om over dingen te schrijven waar ik geen moer vanaf weet. Dat duik je erin en dan vind je op een gegeven moment iets geks. Bij Vroman werd dat steeds leuker. Ik hoop dat dat ook een beetje uit de biografie blijkt.”
„Ik ben begonnen met het vroege werk, zoals de eerste gedichten en de novelle Tineke, die hij deels in het kamp heeft geschreven. En dan denk je: wow, wat geweldig is dit! Het allereerste dat ik heb gelezen was trouwens Hoe mooi alles, het boek dat Mirjam van Hengel schreef over de liefde van Leo en Tineke Vroman. Toen dacht ik: zo ga ik het niet doen. Zij concentreert zich op dat liefdesverhaal en is daar helemaal in awe over. Leo was het soort man dat, wanneer hij iets bijzonders zag, meteen Tineke wilde bellen om haar erover te vertellen. Die als zij de deur uit was, de linnenkast in dook om aan haar kleren te ruiken. Ik wilde daar een helderder begrip over hebben. Maar ik ben ook niet zo’n emotioneel mens; ik heb niet zo veel gevoelens.”
„Ik denk dat de kern in het leven van Vroman zijn nieuwsgierigheid was. Hij vond alles mooi, zolang hij het niet begreep. En ik denk dat hij Tineke uiteindelijk nooit helemaal heeft begrepen. Neem haar mislukte verliefdheid op de dichter Max de Jong [1917-1951] in hun studententijd. De Jong was een vreselijke man die Tineke totaal niet respecteerde, die over haar gedichten zei dat ze die beter kon verbranden, maar zij is haar hele leven met hem bezig gebleven. Ze koesterde hem als een soort spook in dat huwelijk. Dat moet Leo toch ook behoorlijk de keel zijn gaan uithangen. In een boekje dat Tineke en hij maakten, laat Leo Max de Jong hooghartig op een stuk kaas kauwen. Zelf had Leo een enorme hekel aan kaas, wat voor iemand uit Gouda toch wel weer bijzonder is. Ik ben verzot op dat soort details.”
„Dat weet ik niet. Nieuwsgierigheid is wel een levensthema, maar die richtte zich vaak op dingen die niets met mensen te maken hadden. Hij was vooral met dieren en met zijn eigen kunstzinnige dingen bezig, terwijl die anderen druk probeerden te overleven. Maar op een gekke manier is hij juist op die manier door de kampen gekomen. Hij had altijd wat te doen, onderhield op een gegeven moment een hele slangencollectie. Dan moest iedereen even wachten omdat Leo nog met zijn slangen bezig was.”
„Je krijgt de indruk dat hij totaal onverstoorbaar was, wat bij zijn kampvrienden ook wel ergernis wekte. Is er dan niets wat jij je aantrekt hier, Leo? Hij deed ook laconiek over, bijvoorbeeld ook over de mishandelingen die hij heeft ondergaan. Het leek wel alsof hij uit zijn eigen lichaam trad als hij een vuistslag kreeg. Dat vind ik verbijsterend, net als het tempo waarmee hij na zijn bevrijding meteen vanuit Manila een wetenschappelijke correspondentie met allemaal mensen begon.”
„Mijn redacteur vroeg me op een gegeven moment: is er echt niets méér over Vroman en de Holocaust te vinden? Want hij schrijft er nauwelijks over, terwijl er toch heel veel mensen die hij kende, vermoord zijn. Ik heb die vraag aan zijn dochters Peggy en Geri voorgelegd. Zij stuurden me toen een brief uit 1978 op.” Vroman schreef die (Engelstalige) brief naar aanleiding van het verzoek van een van zijn dochters om wat meer te vertellen over hun familiegeschiedenis. Jongstra nam de tekst op in de epiloog van zijn biografie. Vroman geeft er korte liefdevolle beschrijvingen in van verschillende familieleden uit zijn jeugd, zoals een alinea over tante Saartje, Tante Anna, David en Trui. Die wordt afgesloten met de zin „All of the people in this paragraph were murdered, I think.” Daarop volgt een nieuwe alinea over andere familieleden, met dezelfde afloop. Jongstra: „Dat is een waanzinnige, maar ook geweldige brief. Vroman was een monument.”
„Nou, ik ben nog steeds een bloedleek. Maar het gaat in principe over het chaotische proces dat plaatsvindt als bloed een kunstmatig oppervlak raakt. Dus van plastic of kunststof, hoe je het maar wilt noemen. Dat is ook belangrijk in verband met kunstorganen; want je wil geen stollingen krijgen. Maar heel precies weet ik het ook niet. De onvoorspelbaarheid, de chaos vind ik interessant. Zo heb ik al mijn boeken gemaakt. Als ik begon had ik nooit een flauw idee waar ik uit zou komen.”
„Het is inderdaad een lijn naar de dood. Maar in het geval van Vroman was die lijn langer dan ik had gedacht. Ik kende de jaartallen natuurlijk, maar Vroman heeft tot op het allerlaatst gedichten geschreven en hij heeft zich zelfs op zijn sterfbed nog laten interviewen door een Amerikaanse journalist. Dat geloof je toch niet? Ik ken geen enkele andere figuur die zich op zijn sterfbed heeft laten interviewen – en die dan ook nog antwoord gaf. Die man bleef me maar verrassen. Bijvoorbeeld toen hij in zijn dankwoord bij het aanvaarden van de P.C. Hooftprijs de automobilisten bedankte die hem die dag niet omver hadden gereden. God, ik heb zo veel gelachen.”
„Dat was nadat hij een aantal negatieve kritieken had gekregen. Hij had een toneelstuk gemaakt voor het Holland Festival, wat een enorme zeperd werd. En zijn uitgeverij Querido bracht kort daarna een verzamelbundel met zijn poëzie uit, waardoor je reacties kreeg als: Nou Vroman, even dimmen zeg, met dat tsunamigedrag van je.”
„Ik heb geprobeerd me voor te stellen hoe dat ging. Hij werkte tot zeven uur op het laboratorium. Dan kwam hij thuis bij het gezin, waar vaak ook nog een schoonmoeder logeerde. Er lopen alle mogelijke mensen door dat huis. Is hij dan sociaal? Praat hij met al die lui? Maar wanneer schrijft hij die gedichten dan? En waar? Ik zie hem dan op de rand van zijn bed zitten, met de slaapkamerdeur achter zich dichtgetrokken. En dan een paar uur zitten schrijven. Waarschijnlijk kon hij zich ongelooflijk goed afsluiten. Zoals hij dat ook in het kamp kon.”
„Ik denk dat hij in zekere zin altijd dat wonderlijke jongetje is gebleven, met rare eigen gewoonten, vreemde belangstelling en een eigen wereld. Ik heb geprobeerd zijn leven en werk zo goed mogelijk te beschrijven en analyseren, maar uiteindelijk is zo’n leven ook een opeenvolging van gebeurtenissen en verwikkelingen waartussen niet noodzakelijkerwijs veel verband hoeft te bestaan. Vroman heeft ook veel moeten improviseren. Je hebt je leven maar voor een klein deel in de hand. Dat heb ik ook duidelijk proberen te maken in de indeling van het boek in korte hoofdstukken. Het valt in kleine stukjes uiteen.”
„Het zal wel duidelijk zijn dat ik hem ongelooflijk goed en geestig vind; hij was echt een van de allerbeste schrijvers die we hadden. Ik ontdekte overeenkomsten met oudere Nederlandse poëzie zoals van Herman Gorter, maar hij is zo origineel. Hoe hij over schurken als Nixon en Hitler kan schrijven en die dan helemaal tot op de bloedplaatjes uit elkaar kan halen. Of het topgedicht ‘De spijsvertedering’, waarin het eerst over de spijsvertering lijkt te gaan, maar hij uiteindelijk met een twist bij de Twin Towers belandt. Geweldig! Wat een feest man, die Vroman!”