Home

Twee boeken die op indringende wijze laten zien wat het betekent om je niet thuis te voelen in je lichaam

Transgenders Vaak wordt het transgenderdebat óver en niet mét transgenders gevoerd. Daar nemen de auteurs van twee vernieuwende, urgente boeken terecht geen genoegen mee.

Der Steinach-Film is in 1923 een hit in Duitse bioscopen. Het is dan ook niet niks wat de Weense dokter Eugen Steinach belooft: verjonging en meer libido. Te zien zijn beelden van dieren die typisch mannelijk en vrouwelijk gedrag vertonen. En dan: potten vol dode ratten op sterk water, opengesneden, zodat je de inwendige geslachtsdelen kunt zien.

Luca Mattía Duyvendak: Het is misschien wennen (maar je kunt me niet ontkennen). Thomas Rap, 240 blz. € 23,99

Op twee manieren dacht Steinach mannen meer kracht en potentie te kunnen geven, schrijft Alex Bakker (1968) in Transgender pioniers. De eerste was het implanteren van een donortestikel van een jonge, viriele man in de buikwand van een oudere, minder viriele man. De tweede was het doorsnijden van een van de zaadleiders van een man. Het idee was dat er zo minder energie zou gaan naar de productie van sperma, en meer naar de productie van de „afscheiding” die verantwoordelijk was voor mannelijk gedrag.

Alex Bakker: Transgender pioniers. Dora, Gerd en dokter Hirschfeld in het roerige Berlijn 1919-1933. Nieuw Amsterdam, 304 blz. € 26,99

Jaren eerder publiceerde Steinach er al over: het wederzijds transplanteren van inwendige geslachtsorganen van ratten en cavia’s. Mannetjesdieren kregen vrouwelijke organen, en vice versa. De theorie was dat testikels en eierstokken een afscheiding afgaven die verantwoordelijk was voor mannelijk en vrouwelijk gedrag. Mannelijk betekende dan kracht, vitaliteit en potentie. Nota bene: de geslachtshormonen oestrogeen en testosteron zouden pas in de jaren dertig worden geïdentificeerd.

‘Je laten steinachen’ heette de ingreep waarbij één van de zaadleiders werd doorgesneden, en het waren niet de minsten die daarmee hoopten op verjonging: bijvoorbeeld Sigmund Freud, William Butler Yeats, allebei al achter in de zestig. Hun enthousiasme bleek later te berusten op een placebo-effect.

Maar de film had wel een blijvende impact, schrijft Alex Bakker. „Door de hype brak de biologische benadering van seksualiteit definitief door, zowel bij het publiek als bij de onderzoekers.” Wat was het dat een man een man maakte, en een vrouw een vrouw?

Het boek van Bakker is één van twee recent verschenen titels die op indringende wijze laten zien wat het betekent om je niet thuis te voelen in het lichaam waarin je geboren bent. Over het andere boek, Het is misschien wennen (maar je kunt me niet ontkennen) van Luca Mattía Duyvendak, straks meer. Wat ze gemeen hebben: het zijn relevante en urgente boeken. Nadat genderdysforie lange tijd iets was wat zich afspeelde in de persoonlijke en medische sfeer, zijn transgender personen de afgelopen jaren volop onderwerp van politiek debat. Vaak is dat een debat óver en niet mét. En daar nemen deze auteurs, terecht, geen genoegen meer mee.

Joods en homoseksueel

Dora Richter zag Der Steinach-film ook en daardoor plantte zich een gedachte in haar hoofd. Als je het geslacht van dieren kon veranderen, zou dat dan ook bij mensen kunnen, vroeg zij zich af. De gedachte liet haar niet meer los.

Richter had het lichaam van een man. Op jonge leeftijd verliet ze haar geboorteplaats Seifen, zo’n 300 kilometer zuidelijk van Berlijn, om elders anoniem als vrouw te kunnen leven. Ze werkte onder meer als bakkersknecht en in de bediening van een herberg, waar ze tot haar vreugde een dienstersuniform mocht dragen.

Nadat ze de film van Steinach had gezien, meldde ze zich bij het Institut für Sexualwissenschaft in Berlijn. Daar werkte Magnus Hirschfeld, net als Dora één van de hoofdpersonen van Transgender pioniers. Hirschfeld was een bevlogen arts en activist. De nazi’s hadden volop redenen om hem te haten want hij was Joods, socialistisch én homoseksueel. Maar in de jaren twintig van de vorige eeuw was Berlijn nog een vrijplaats voor alles wat we tegenwoordig queer zouden noemen. Op het hoogtepunt waren er 130 homo-etablissementen, er werden monoclefeesten gehouden voor vrouwen die op vrouwen vielen (de monocle was „een van de parafernalia van de masculiene look”), en de reisgids Cooks prees travestieten aan als één van de attracties van de stad.

In een villa aan de rand van Tiergarten had Hirschfeld zijn instituut geopend onder het motto per scientiam ad justitiam – door wetenschap tot rechtvaardigheid. Hij geloofde niet dat homoseksualiteit een stoornis was, dus zocht hij naar biologische verklaringen. Die rechtvaardigheid uitte zich in activisme. Al in 1897 was Hirschfeld oprichter van de eerste homo-organisatie ter wereld. Hij zette zich in voor afschaffing van het wetsartikel dat gelijkgeslachtelijke liefde verbood. En in het Berlijn van na de Eerste Wereldoorlog vond hij gehoor.

Magnus Hirschfeld (1868 – 1935)

Hirschfeld en zijn collega’s gaven doktersverklaringen af waarmee mensen bij de politie een pasje konden aanvragen, dat als bewijs diende dat ze kleding van het andere geslacht mochten dragen. Sommigen lukte het zelfs om vervolgens hun naam te laten veranderen.

Het Institut für Sexualwissenschaft was een centrum voor onderzoek, onderwijs, zorg én toevlucht. Er werd ook gefeest. Homoseksualiteit of transgender zijn was immers niet te genezen, zag Hirschfeld. Wie gay of trans was, moest leren dat te accepteren. En dat ging het beste met gelijkgestemden. „Samen zijn omdat het moest, feesten op therapeutische gronden!”

Een te zwaar geval

Dora Richter vond onderdak in het instituut, ze werkte er als huishoudster. De artsen konden haar dus jarenlang van dichtbij volgen. Eerst kwamen ze tot de conclusie dat haar travestiedrang, zoals ze het noemden, niet te genezen was door bijvoorbeeld psychoanalyse. Daarvoor was zij een te zwaar geval. Langzaam stelden ze zich open voor de gedachte dat niet de geest moest worden aangepast aan het lichaam, maar andersom. Ze besloten tot een castratie, het verwijderen van de testikels. Als de aanmaak van de mannelijke afscheiding werd gestopt, redeneerden ze, zou dat leiden tot meer welbevinden van de patiënt.

Maar Dora Richter bleef volhouden. Ze wilde van haar penis af, ze wilde een vagina. En uiteindelijk stemden de artsen toe. Een ‘noodoperatie’ noemden ze het, omdat Richter al eens had geprobeerd zelf haar geslacht te verwijderen met een touwtje.

En zo ging Dora Richter de geschiedenis in als de eerste trans vrouw die door een chirurgische ingreep een vagina kreeg. Dat is tenminste wat je leest als je haar naam intikt op internet. Alex Bakker laat zien dat dat niet helemaal klopt, ten minste één andere trans vrouw ging haar voor. Maar Richter was wel bijzonder omdat haar transitie gedetailleerd gedocumenteerd is.

Alex Bakker voegt nog een extra laag toe aan het verhaal omdat hij, zelf trans man, weet met welke emoties een transitie gepaard gaat. Soms gaat het om iets heel wezenlijks, wat een cis auteur niet zou kunnen of durven schrijven. Zo vraagt hij zich af of Dora Richter, die nogal mannelijke gezichtskenmerken had, jaloers was op Lola Scharlach, een trans vrouw die vrouwelijker oogde en als receptioniste het „visitekaartje” van het instituut was. Bakker merkt op dat „trans personen onderling elkaars scherpste waarnemers en hardste critici [zijn]. Ze zeggen het niet, maar denken het wel. Je kijkt naar de ander als een valse spiegel van je eigen verschijning. Je voelt afgunst als iemand meer ‘geslaagd’, meer passabel is als vrouw of man dan jij.”

Het is een beetje jammer dat Bakker in sommige passages gebruikmaakt van wat hij noemt „gefictionaliseerde stilering”. Weliswaar belooft hij in zijn voorwoord daarbij „de grenzen van het historisch toelaatbare zorgvuldig in acht [te nemen]”, maar dat overtuigt niet helemaal. Als lezer weet je in de betreffende passages, die soms vol dialogen staan, niet goed meer wat feit is en wat invulling van de auteur. Dat had anders gekund.

Apache-helikopter

Dan Het is misschien wennen van Luca Mattía Duyvendak (1997). Je zou het een memoir kunnen noemen, maar diens – de auteur is trans en non-binair – boek is veel meer dan dat. Duyvendak fileert één voor één alle vooroordelen over trans personen („Het is hype”, „Het is modern, westers gedoe”, „Dan identificeer ik me als een Apache-helikopter”). Dat is interessant, zeker voor een niet-trans publiek, tot wie Duyvendak zich nadrukkelijk richt. Maar interessant is vooral wat die tussendoor ook doet: rauw en openhartig het verhaal van diens eigen transitie vertellen.

Het gaat over het onbestemde gevoel dat al begint in de kleutertijd als andere kinderen in de zandbak vragen: „Ben jij een jongen of een meisje?” Duyvendak is geboren als meisje. Maar als die tijdens de eindmusical door een ouder wordt aangezien voor een jongen voelt die blijdschap. Als puber worden de twijfels groter. Er klopt iets niet, maar wat? In een poging normaal te zijn stelt Duyendak zich ten doel uiterlijk op diens zeventiende met een jongen te zoenen. Dat lukt. „Na de zomer word ik achttien en vanaf dan zal ik voor de rest van mijn leven op mijn zeventiende voor het eerst gezoend hebben. Ik hoef de komende jaren niet meer aan zoenen te denken, want dit vinkje heb ik behaald.”

„Zolang een jongen mij wil, mij aantrekkelijk vindt, ben ik oké, toch?” Luca Mattía Duyvendak spreekt zichzelf moed in. Past lingerie in een winkel van Victoria’s Secret. „Het ziet er belachelijk uit. Niemand die dit gelooft, toch?” Niettemin worden even later een dieppaarse push-up-bh en vijf kanten strings afgerekend aan de kassa.

De kracht van dit boek is dat de auteur je als lezer meeneemt in diens denkproces, inclusief alle twijfels – en dat zijn er veel. En dus geloof je het als Duyvendak uiteindelijk schrijft: „Ik weet het niet zeker. Maar ik weet het wel zeker genoeg.” Het boek laat zien wat Hirschfeld en zijn collega’s ook zagen bij Dora Richter: genderdysforie bestaat, het is geen bevlieging, en het is niet te genezen met therapie. Het is niet iets waar je voor kiest omdat het modieus is of omdat je aandacht wilt. Er zijn echt makkelijker manieren om hip te zijn of om aandacht te krijgen.

Madeliefjes

Duyvendak schrijft ook nog eens goed. Soms putten auteurs die een gevoel willen beschrijven zich uit in als-vergelijkingen die net niet helemaal kloppen. Maar die van Duyvendak blijven hangen. Na een opsomming van talloze varianten die er in niet-westerse culturen zijn op het binaire ‘man’ en ‘vrouw’, merkt die op dat deze uitzonderingen zijn als „madeliefjes in een grasveld”. „We noemen het een grasveld, maar het is eigenlijk ook een madeliefjesveld”. Het is een beeld dat beklijft.

Net als de vergelijking die Duyvendak maakt wanneer die betoogt dat de angsten waar de antigenderbeweging op inspeelt reëel zijn, maar eigenlijk over iets anders gaan. „[…] dat je je onzeker voelt over je inkomen en of je kinderen wel een huis zullen hebben, dat de bushalte in je dorp is wegbezuinigd, dat iedereen met Engelse termen strooit en dat je een gevoel van gemeenschap mist, is geen reden om een groep mensen het leven ondraaglijk te maken. Het is alsof je bang bent voor een storm, en ingaat op de suggestie van iemand om de regenboog te verbieden.”

Transgenders waren de afgelopen jaren vaak een mikpunt van populistische politici, die fulmineerden tegen „genderideologie” en „gendergekte”. Een gemakkelijk mikpunt, want het gaat om een kleine groep. Veel mensen hebben nog nooit écht gesproken met iemand die trans is.

Wie niet trans is, kan zich waarschijnlijk nooit helemaal inleven in iemand die dat wel is. Net zoals iemand die zelf niet ziek is zich niet volledig kan inleven in iemand die dat wel is. Die vergelijking zou ik – cis hetero recensent – niet snel hardop durven maken. Maar Duyvendak, die ook kampt met de gevolgen van een ernstige hersenschudding, doet precies dat. „Je lichaam stelt je in staat de wereld om je heen te ervaren, maar bij pijn of ziekte eist je lichaam zélf de aandacht op, het kan een obstakel in je ervaringen worden. Dit geldt denk ik ook voor gender: veel cisgender mensen ervaren hun lichaam als vanzelfsprekend, terwijl trans mensen vaak een extreem aanwezig en in de weg staand lichaamsbesef hebben, omdat je lichaam dan niet overeenkomt met je ervaren identiteit.”

Met die vergelijking maakt Duyvendak invoelbaar hoe het is om trans te zijn. En dat is knap.

Gender

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next