Home

Was Botis rood geweest, dan was ik nu dood geweest

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Ik ben niet bang voor spinnen. Wie zegt dat? Gelul. Gisteren nog zat er eentje op de bladzijde in mijn boek, een rode. Groot was-ie niet, maar moet dat dan? Ook dit bloedrode speldenknopje met zijn acht watervlugge pootjes verdiende een plekje onder de zon.

Hij rende zigzaggend over de witmarges, de letters meed hij, hij wilde me niet storen. Aan de randen van de bladzijde wierp hij een blik in de afgrond en maakte rechtsomkeert. Hij kon probleemloos naar de achterkant lopen en daar alvast op zijn kop gaan hangen, een van de aardige voordelen van het spin-zijn, maar hij had er geen trek in.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Te warm, denk ik. Ook spinnen zijn onderhevig aan de zwaartekracht, dat zitten op muren en plafonds kost ze extra energie, wie weet een vlieg per week. Vliegen verschalken zag ik dit spinnetje overigens niet doen. Een vlieg moest voor hem een monster zijn, een gevleugelde draak, helemaal onder de poep.

‘Maar wat vang jij dan wel, jochie? Met je kleine webje.’ Zie je, ik begon al tegen hem te praten. Zodra ik de bladzijde omsloeg, miste ik hem, en hij mij ook, want al snel kwam hij weer tevoorschijn geklommen. Iemand die bang is voor spinnen, kent deze gevoelens niet.

Daar heb je mijn vriendin Jet. Benieuwd wat ze te mekkeren heeft. Ze vindt het jammer dat ik het spinnetje geen naam heb gegeven. ‘Deed je vroeger wel. Was wel grappig.’

‘Ja? O. Maar de wereld staat in brand. De tijd om spinnetjes namen te geven is voorbij. Het is vijf voor twaalf.’

‘En als het geen oorlog was, hoe zou je hem dan noemen?’

‘Dan zou ik hem Jannikje noemen.’

Dezelfde avond ging ik bijna met mijn blote voeten op een spin staan die ik wel een naam gaf, meteen zelfs, namelijk: Botis. Kende ze die? Nee, niet Botis Redding, nee. Kon ik niet om lachen.

Ik bedoelde Botis de Grote Voorzitter en Graaf van de hel. Voerde zestig demonen aan. Kon veranderen in een mens met hoorns en slagtanden en een zwaard. Ik zou zeggen: doe maar, graag zelf, maar vooralsnog bleef Botis harig en bruin op de badkamervloer zitten, spanwijdte van 5 centimeter. Godverdomme zeg, wat haatte ik de klimaatverandering. Dit kreeg je er dus van. Het was een kwartier lente! Ging het zo’n half jaar worden?

Van mijn vriendin Jet, ook geen liefhebber, mocht ik hem ook Adolf Hitler noemen, dan waarschuwde ik in één beweging door metaforisch voor het fascisme. Maar omdat Botis bewoog, bulderde ik dat ik niet aan het waarschuwen bleef.

Hij kroop traag onder de deur door de plee in. Hadden wij weer. Dat werd kakken op de gft-bak. Ik heb niks tegen spinnen, totdat ze 75 keer zo groot zijn als de kleine Jannik, dan heb ik wel iets tegen spinnen, namelijk een fobie. Zo raar is dat niet, ik wil ook geen cavia ter grootte van een treinstation.

Oké, wat nu? Eerst mijn vriendin Jet de liefde verklaren, ik was zo blij dat we samen waren, in plaats van alleen. Durfde zij de wc in? Dan haalde ik de stofzuiger. De afstand tussen gewoon bang en fobisch is ongeveer een stofzuigerstang. Terwijl mijn vriendin Jet het vuile werk opknapte – ik kan er niet naar kijken, zo’n tegenstribbelende fascist, die floep, in die stang verdwijnt, te plastisch – ging ik alvast een handje grint uit de tuin halen. Ik had al eens gelezen dat het gespierde, harige type de stofzuiger overleeft en gewoon weer naar buiten kruipt.

Daar moesten wat rotsblokken achteraan. Erna zoog ik ook nog even de hele woonkamer – goed afdekken. Ten slotte mocht de stofzuiger een nachtje kamperen in de tuin.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next