Een grote bek hebben, concurreren met je leeftijdsgenoten, je aanpassen aan de normen van de kleedkamer: het hoort er allemaal bij, als je meedoet aan de jeugdopleiding van een topclub. Met Jonas geven Jacobine de Brauw en Bart Vriends een inkijkje in die wereld.
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Hoe gaat het er nou echt aan toe in de jeugdopleiding van een topclub? In hun boek Jonas trekken de auteurs, journalist en voetbalmoeder Jacobine de Brauw en profvoetballer en podcastmaker Bart Vriends, een nietsontziende, gespannen, door en door sarcastische, soms ronduit wrede wereld op waarin 15-jarige jongens zichzelf moeten zien te redden.
Soms is er vrolijkheid, avontuur, hier en daar wordt er een reddingsboei toegeworpen door een zorgzame ploeggenoot, trainer of verzorger. Maar bovenal is het een wereld waar het recht van de beste en de luidste geldt. Waar fouten verboden zijn en je niet uit de pas mag lopen. Waar oplaaiende kameraadschap telkens doodslaat op de extreme prestatiecultuur die moet leiden tot het einddoel: spelen in dat grote stadion, roem en een fraai contract.
Vriends, die de jeugdopleiding van FC Utrecht doorliep, daarna prof werd bij Go Ahead Eagles en Sparta en thans voor het Australische Adelaide United speelt, noemt de profjeugdwereld desondanks ‘ook echt wel mooi’. ‘Maar mij is het uiteindelijk gelukt om prof te worden, daarom kijk ik er misschien milder op terug. Het gros lukt dat niet.
‘Het is tweeledig: je maakt toffe dingen mee, maar het is tegelijkertijd een pittige afvalrace. Met ‘succesjongens’ die al snel een contract krijgen bij een groot kledingmerk, jeugdinternational worden en een zaakwaarnemer hebben. En met jongens die dat ook willen, maar het niet voor elkaar krijgen.
‘Het zijn een hoop brutale pubers bij elkaar. Is je neus te groot, je stem te hoog of heb je een verkeerd shirt aan, dan krijg je dat te horen. Ik ben ook lang meegegaan met de heersende normen van zo’n kleedkamer qua taalgebruik, muziek, kleding. Wie het anders doet, wordt in het beste geval bespot en in het slechtste buitengesloten.’
Ex-politiek-verslaggever en copywriter De Brauw heeft een zoon die acht jaar in de jeugdopleiding van Ajax zat en later nog in die van FC Volendam, hij is recent gestopt. ‘Mijn zoon zegt: het was een leuke tijd, ik mis het soms. Maar ik weet niet of hij er al met afstand naar kan kijken.’
Zelf was ze ‘opgelucht’ toen het klaar was. ‘Het is een wereld waarin geen pedagogen rondlopen, terwijl er alleen maar met kinderen gewerkt wordt. Als je onder de slagboom van het jeugdcomplex van Ajax doorgaat, let iedereen op zijn tellen, ook de ouders. Ik vond het vrij heftig. Met zogenaamde ‘stoplichtgesprekken’ ieder halfjaar. Groen is dat je kind door mag, oranje is twijfel, rood is wegwezen. Op die leeftijd koppel je dat toch erg aan waardering. Ik vraag me af of dit systeem past bij de leeftijd.’
In het boek, geschreven voor pubers, ‘maar ook voor ouders en zeker voor opleiders’, doet hoofdpersonage Bram (15) er alles aan om door te breken bij een topclub. Maar dan komt de excentrieke, totaal onaangepaste Jonas bij zijn team. Ze worden vrienden, maar Jonas plaatst hem ook voor een dilemma. Blijft hij monomaan, gedisciplineerd en in de pas voor zijn doel gaan? Of laat hij de ingesleten routines, verhoudingen en dromen die horen bij een profopleiding wat meer los, zoals de avontuurlijke en rechtschapen Jonas dat doet?
Het idee voor het boek kwam van De Brauw toen ze als voetbalouder bij Ajax rondliep. ‘Er gebeuren daar zoveel aparte dingen, er zijn zoveel mooie, intrigerende verhalen te vertellen.’
Ze benaderde Vriends, die ze kende van de door hem gepresenteerde Cor Potcast, waarvoor ze tijdelijk redactiewerk deed. De Brauw: ‘Hoewel Bart zelf profvoetballer is, kan hij heel beschouwend naar de voetbalwereld kijken. Ik wist dat hij goed kan schrijven.’
Vriends was in Australië een wijnproeverij aan het doen toen De Brauw hem benaderde. ‘Ze had al een synopsis – een woord dat ik voor dit avontuur nog niet kende – geschreven en personages bedacht. Ik was enthousiast, heb veel dingen uit mijn eigen jeugd teruggehaald en veel gesproken met andere voetballers. Toen zijn we veel gaan bellen, appen, en al snel pingpongden we hoofdstukken naar elkaar toe.’
De Brauw: ‘Bart weet veel meer van wat er gebeurt in kleedkamers, hoe er daar gepraat wordt, en schrijft dat ook zó goed op.’
Vriends: ‘Ik hang nog met één arm aan de jonge generatie van nu, kijk ook graag films zoals De Libi, waarin ze slang gebruiken.’
De Brauw: ‘Mijn tienerzonen lazen ook mee.’
Juist door het taalgebruik van de 15-jarige voetbaltalenten is het een geloofwaardig, toegankelijk boek zonder al te overdreven scènes. Misschien zou alleen het non-conformistische personage Jonas in werkelijkheid niet bestaan.
Vriends: ‘Twee oud-ploeggenoten van me, Kenny Teijsse en Édouard Duplan, komen enigszins bij Jonas in de buurt. Maar verder zijn er amper voetbaltalenten die volledig authentiek blijven. Zelfs op mijn 35ste zoek ik nog naar een mix van wat ik zelf wil en wat de rest van de kleedkamer van mij verlangt.
‘Jonas is een aansporing. Hij toont dat het oké is en boeiend kan zijn om anders te zijn dan anderen, je eigen ding te doen, je niet te laten meetrekken door de massa, je niet blind te staren op die profvoetbaldroom, die in praktijk voor bijna niemand is weggelegd.’
Wat verder opvalt: de grootste talenten op het veld zijn ook daarbuiten een soort van superelite.
Vriends: ‘De hiërarchie wordt bepaald door hoe goed je bent als speler. Afkomst, intelligentie, kleur of religie doen niet ter zake. Alleen als je een hele grote bek hebt, kom je bij de topspelers aan tafel.’
Voor sociale types blijkt ook niet echt plaats, moet Vriends bekennen. ‘Die vinden ze vaak maar rare snuiters.’
Lachend: ‘Maar hé, het zijn niet allemaal aso’s, hoor.’
De Brauw: ‘Net als in een voetbalopleiding, heb je ook in een schoolklas een hiërarchie en pestkoppen, en wordt er beoordeeld of je door mag naar de volgende klas. Maar een kleedkamer is een gesloten systeem. Daar is geen machtscontrole en kun je echt Lord of the Flies-achtige situaties krijgen.’
Vriends: ‘Op scholen zijn er denk ik meer subculturen waarbij je je kunt aansluiten. In het voetbal is er maar één klasse: de brutalen. Als je mee wilt in het geheel, ga je jezelf wat meer overschreeuwen. De concurrentiestrijd staat pure vriendschap in de weg. Ik wilde altijd sociaal zijn tegen iedereen, maar je moest niet aan mijn plek komen. Dan kwam er toch iets lelijks in me naar boven.’
Hij merkt dat er tegenwoordig ook trainers en opleiders worden aangesteld met meer oog voor de mens achter de voetballer. ‘Maar een zekere concurrentiestrijd die spanning met zich meebrengt, zal er altijd blijven. Ik snap dat ook wel. Je wordt klaargestoomd voor een harde wereld. Met aflopende contracten, tegenvallende prestaties, vormcrises, Johan Derksen die je afzeikt. Daar moet je weerstand tegen opbouwen.’
De Brauw: ‘Maar een kind is iets heel anders dan een volwassene. Een 8-jarige hard maken voor als hij later 25 is – ik weet niet of het brein van die 8-jarige dat al aankan. Ik denk dat je later ook wel kunt leren met tegenstand om te gaan. Maar die talenten brengen meer tijd door op de club dan bij hun ouders; die opleiders drukken een enorm stempel op de opvoeding.’
Zelf transformeert Vriends van een Bram-type langzaam naar een Jonas-type, door een groeiende waaier aan nevenactiviteiten. Zo ging hij met de Cor Potcast het theater in, doet hij mee aan kennisquizzen op tv en is hij nu dus coauteur van een boek.
‘Het kostte me eerlijk gezegd wel tijd om die andere dingen te omarmen, ik sprak er bewust niet over in interviews. Je krijgt toch snel te horen dat je dan niet met voetbal bezig bent, wat flagrante onzin is. Nu heb ik zoiets van: ik vind dit leuk, je dealt er maar mee. Maar als ik echt in de top had gespeeld, dan had dit allemaal niet gekund. Dat weet ik zeker.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant