Ik kreeg een appje van een andere opvoeder.
„Uw dochter hangt bij de Weespertrekvaart.”
„Aan welke brug?”, schreef ik terug.
„De roestbruine.”
Tegen etenstijd fietsten we ernaartoe.
Het hele water zat vol leerlingen.
Vroeger was niet alles beter. In mijn jeugd bleef je juist uit de buurt van open water. Wie in de Rijn sprong, ik kom uit Arnhem, moest meteen naar de dokter voor een spuit. De vis die er zat was dood, jij dan bijna.
We gingen wel eens zwemmen bij Lathum, dat was op zijn best een combinatie van modder en algen. We namen er modderbaden in een afgraving, een van ons verdween onder het drijfzand, ze hebben hem er met touwen net op tijd uit kunnen trekken. De rest kreeg zweren van de metaaldeeltjes.
Mijn vader, beroepshalve betrokken bij watermanagement, voorzag een gitzwarte toekomst. Het werd alleen nog maar erger, we zouden nooit meer in open water kunnen recreëren, het rivierwater zou in de toekomst vanwege alle verontreiniging ook niet meer bevriezen. Dat de laatste Elfstedentocht op zijn verjaardag werd verreden zag hij als een lelijke streek van moeder natuur. Hij was net met de vut en zijn opvolger liet niet na om tussen de toastjes door te pesten. „Toen had ik hem gewoon een dreun moeten verkopen”, zei hij me vlak voor zijn dood. „Een gemiste kans.”
We fantaseerden daarna samen hoe het was geweest als hij dat wel had gedaan, het was jammer dat hij per se niet gecremeerd wilde worden anders had hij zijn as laten uitstrooien in de IJssel, zijn lievelingsrivier, waarvan hij de oevers wilde asfalteren. „Dat mocht niet, maar toen we het verkochten als fietspad mocht het weer wel.”
En nu zwom mijn dochter met haar halve klas door de Weespertrekvaart, een meer dan levend bewijs van het ongelijk van mijn vader. Met iedere schreeuw van plezier werd de lange neus die ze naar hem trok langer en langer. Jammer dat ze elkaar nooit hebben gekend. Er was daar wel een andere opa die tegen zijn kleindochter riep dat ze zich thuis meteen moest afdouchen omdat ze anders ziek zou worden.
Niemand nam hem serieus.