Vera Beths 80 Vera Beths is violiste en de invloedrijkste levende vioolpedagoog van Nederland. Op 1 juni wordt ze tachtig, maar van een afscheid is geen sprake. „Ik zou niet weten hoe ik zonder muziek zou moeten doorleven.”
Vera Beths
De muziekkamer is boven. Vera Beths meandert handig met een dienblad jasmijnthee door de hoge hal, langs de oude kinderboeken en talloze deuren. „Dit was vroeger een meisjeskostschool, er zijn dertien wc’s”, zegt ze. Met haar man Anner Bijlsma, cellist, kocht ze het dubbele huis in Amsterdam-Zuid in 1985. Het was betaalbaar omdat het onhandig groot was, en slecht onderhouden. Maar voor Beths, Bijlsma en hun drie kinderen bleek het een geluksmagneet. Leidse- en Museumplein op tien minuten lopen, het Vondelpark naast de voordeur. „En het huis trekt ook leuk gezelschap aan.”
Beths’ twee dochters Carine Bijlsma (documentairemaker) en Katja Herbers (actrice in de VS, uit Beths’ eerste huwelijk met hoboïst Werner Herbers) hebben hier beiden een pied-à-terre en vioolleerlingen hadden de afgelopen dertig jaar eveneens hier les, en niet op het conservatorium. „Sinds #MeToo ben ik de enige van wie dat nog wordt gedoogd”, zegt ze, en dat die regel er – helaas – niet voor niks is gekomen. Maar haar leerlingen roemen vooral de meerwaarde: in de Vondelstraat (koosnaam ‘De Vondel’) krijg je Vera, én haar sfeer en entourage. „Je moet ermee omgaan”, zegt ze. „Mijn leerlingen krijgen geen thee, ik houd afstand. Ik merk het natuurlijk wel meteen als ze ergens mee zitten of liefdesverdriet hebben, maar dan gaan we niet praten, maar duo’s spelen.”
Vandaag heeft de 23-jarige Kurt Falzon les, masterstudent aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag. „Waar wil je mee beginnen?”, vraagt ze. Een concert van Wieniawski, iets eigentijds van Saariaho? Falzon zet de 24 Études van Gaviniès op de lessenaar. Beths – rode Adidas-sneakers, bijpassend bloesje – kijkt mee. „Zijn we echt pas bij nummer acht? Dan heb je nog veel tegoed.”
Haar les is er een van kijken, luisteren, slijpen en peuteren. Spelen kan Kurt Falzon allang: hij remplaceert in professionele symfonieorkesten. Maar hoe maak je muziek van zo’n taaie etude? „Luchtiger in de toon”, zegt Beths. „Meer rubato. En die noot moet eruit springen, dan wordt het logisch.” Ze speelt veel voor, en benadert de muziek opvallend talig. Dat verbaast niet, want haar eigen opnames hebben die kwaliteit óók. Beluister een van de trio’s van Beethoven door haar ensemble L’Archibudelli en een dag later plopt geheid uit het niks een melodie in je hoofd. Als iets wat een vriend tegen je zei, en waaraan je opeens weer moet denken.
Vera Beths in haar muziekkamer.
Dat talige, ja, daar herkent ze zich in, zegt ze. „Had jij als kind een toverblok? Als je met potlood over het papiertje kraste, kwam er een vorm tevoorschijn. Zo werkt het ook met muziek. Als je een compositie goed speelt, komt er een stuk naar boven. Dan krijgt het contouren, logica, vorm.”
„Mijn vader. Hij zei altijd: ik heb je leren vioolspelen als een zigeuner. Veel zingen, veel voor- en naspelen. Zijn focus lag op de rechterarm, waarmee je strijkt. Daar vorm je je toon, daar ligt de ziel van je spel. Als ik goed had gestudeerd, mocht ik als beloning aria’s uit Mozart-opera’s spelen. Liederen zonder woorden, eigenlijk. Ik heb dat boekje nog, ik kon er geen genoeg van krijgen.”
„Nee, ik vond niks heerlijker dan vioolspelen. Toen ik als nakomertje na drie oudere broers werd geboren, dacht mijn moeder: in godsnaam niet nóg een viool. Maar het romantische én waargebeurde verhaal is dat ik zelf een viooltje vond op zolder. Sindsdien heb ik nooit meer iets anders gewild. Mijn oudste broer was anders. Hij werd ook violist, een hele goeie, maar als jongen moest hij door mijn vader van het voetbalveld worden getrokken om te gaan studeren.”
Violiste Vera Beths (Haarlem, 1 juni 1946) begon met vioolles bij haar vader, violist Gijs Beths. Daarna studeerde ze bij Herman Krebbers in Amsterdam en – na het winnen van het Oskar Back Concours (1966) – bij Ivan Galamian. Met cellist-echtgenoot Anner Bijlsma en altviolist Jürgen Kussmaul vormde ze in 1988 het ensemble Archibudelli. O.a. Philip Glass, Peter Schat, Louis Andriessen schreven nieuw werk voor haar. Op haar 80ste verjaardag op 1 juni neemt Beths na ruim veertig jaar lesgeven afscheid van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
„Ze hebben wel les gehad, hoor. Carine speelt nóg. Maar we hebben ze bewust niet gepusht. Als kind van solisten zouden ze hun leven lang horen: ‘Leeft je moeder nog’, of: ‘Hé, ik heb nog met je vader gespeeld!’ Stel dat je dan zelf minder succesvol wordt, dat is toch vreselijk? Ik heb ze vooral een hele vrije jeugd willen geven. Wil je een regenboog op de muur schilderen? Natuurlijk, mag! Ik hoopte dat die ongeremdheid hun zelfvertrouwen zou geven. En het was vooral ook hartstikke leuk. Tijdens mijn eigen jeugd heb ik bij heel veel gedacht: oh nee, zó wil ik het later niet.”
„Haarlem in de jaren vijftig? Dat was een behoorlijk burgerlijk en verstikkend milieu, hoor. Kasten van huizen, keurige, eenzame, sherry-drinkende moeders erin. Ik vond dat een schrikbeeld.” Ze leunt naar achter op de houten eetkamerstoel met loodrechte spijlenleuning. „Uit mijn ouderlijk huis heb ik alleen deze stoelen nog. Ze kraken, en iedereen klaagt erover dat ze zo rot zitten. Maar ik kom er toch niet toe ze weg te doen.”
Vera Beths
Vanuit Haarlem landde Beths als conservatoriumstudent in Amsterdam. Haar ogen stralen bij de herinnering. „Provo, de Notenkrakers, Vietnam-protestconcerten, ik vond het allemaal even opwindend. Ik was onderdeel van die Leidsepleinscene, en als artiest kon je nog echt baanbrekend zijn. Een klassiek concert in Paradiso – dat was ongehoord. Voor het Vioolconcert van Brahms, zogezegd ‘een echt mannenstuk’, liet ik een mannenpak maken door couturier Ann Demeulemeester. Je had de dirigent moeten zien kijken! Nu ik de laatste tijd aan het opruimen ben en brieven uit de jaren zestig en zeventig terugvind, realiseer ik me opnieuw hoe bijzonder die tijd was.”
„Mijn docent, Herman Krebbers, was geweldig maar behoudend. Bergs Vioolconcert mocht ik niet spelen, want dat was ‘decadent’. Maar ik was ambitieus en juist erg nieuwsgierig naar nieuwe dingen. Eenmaal afgestudeerd heb ik dat concert natuurlijk alsnóg ingestudeerd. Mijn samenwerking en vriendschap met pianist-dirigent Reinbert de Leeuw is ook ongeveer toen ontstaan. Reinbert vroeg me voor de wereldpremière van Peter Schats Canto General. Daar heb ik het Tsjaikovski Concours voor afgezegd, en dat wist Reinbert erg te waarderen. Met repertoire en opnames had ik iets soortgelijks. Ik wilde doen wat er nog niet was. En nu, voor mijn eigen leerlingen, is die breedte gewoon een vereiste. Oude muziek, kamermuziek, orkestspel, moderne partituren lezen – ze moeten het allemaal kunnen.”
„Maar dát vind ik eigenlijk alleen maar zielig voor mijn studenten. Ik in mijn tijd hoefde alleen maar naast de telefoon te zitten; werk kwam vanzelf en soloconcerten herhaalde je in de provincie soms wel acht keer. Er is minder geld en minder publiek, is mijn indruk.”
Het lesgeven kwam bij toeval op haar pad, vertelt ze. In Den Haag zochten ze iemand, haar liefde voor moderne muziek maakte haar, ondanks gebrek aan ervaring, geschikt. „Ik vond het meteen interessant om te doen. Daarom ben ik er ook steeds mee doorgegaan, ook toen we kleine kinderen hadden en het eigenlijk niet te combineren was. Hoe vaak heb ik niet net voor de zomer geprobeerd ontslag te nemen? Maar de directeur zei dan slim: „Nou… rust eerst eens even lekker uit!” En na de zomer ging ik verfrist op oude voet verder.”
„Ja? Als ik een nieuwe leerling heb, kost het me ongeveer een half jaar om die te leren kennen. Daarna weet ik wat iemand kan, wat niet, en wat ik moet doen om te verbeteren of te inspireren. Daar ben ik inderdaad gedreven in. En zo’n lesrelatie is ook heel intensief en langdurig, in een voor de studenten hele vormende fase. Maar onze relatie is wel puur gericht op muziek. Pas als ze zijn afgestudeerd, kunnen we vrienden worden. Dat gebeurt ook vaak. En in wezen ken ik ze dan al heel goed.”
„Nee, ik zie vooral overeenkomsten. Het zijn keiharde werkers. Wél nieuw zijn de dubbelstudies: viool én geneeskunde, rechten of oude talen. Ik had het destijds niet gemogen, maar als docent zie ik geen nadelen, want ze studeren alsnog heel erg veel. Mijn doel en plezier is vooral om leerlingen als persoonlijkheid de deur uit te zien gaan. Vol zelfvertrouwen in wie ze zijn en wat ze kunnen. Dat vind ik het belangrijkste om ze mee te geven.”
„Net zo lang studeren tot je technisch verlost bent van elke onzekerheid. Op die basis kan je eigenheid groeien. Een goede uitvoering begint altijd bij de partituur, en daarna voeg je je eigen persoonlijkheid toe. Overigens wordt lang niet elke leerling solist, en dat hoeft ook niet. Al zijn er opvallend veel solisten onder mijn oud-leerlingen.”
„Nee, soleren is kamermuziek maken in het groot en in kamermuziek ben je als eerste viool ook heel bepalend. Mijn voorkeur was vooral: spelen met Anner. Dat was het allermooist. Als hij een baslijn speelde, wist ik hoe ik verder moest. Hij was een enorme aangever. Toen hij ziek werd, hebben we samen al onze opnames met ensemble L’Archibudelli teruggeluisterd. Ik vond ze heel goed, heel eigen. We maakten geen afspraken, we speelden in het moment. We keken ook nooit naar elkaar. Alles was vertrouwen.”
Vera Beths met bladmuziek.
Beths’ handen ogen gespierd en jong. Ze loopt zeker, en tijdens het lesgeven lijkt ze onvermoeibaar. „Nou”, aarzelt ze, „ik merk mijn leeftijd juist wel aan mijn uithoudingsvermogen. Ik leun erg op hoeveel ik gestudeerd heb in het verleden. Het hele repertoire zit gewoon nog in mijn vingers.”
Om haar heen moest ze de afgelopen jaren afscheid nemen van veel generatiegenoten. Vrienden Reinbert de Leeuw en schrijver Maarten Biesheuvel, ex-man Werner Herbers, echtgenoot Anner Bijlsma. „Ik zou niet weten hoe ik had moeten doorleven zonder muziek”, zegt ze. „Echt niet. Ook vroeger, bij ruzies of een rotbui, ging ik naar boven om te studeren. Eerst een toonladder, dan een goed stuk en voor je het weet zit je weer te paard.”
Het is een van de redenen dat ze de „feestelijke middag in het teken van haar muzikale nalatenschap” die het Koninklijk Conservatorium in Den Haag op 1 juni heeft georganiseerd níét ziet als een afscheid, benadrukt ze. „Afscheid van wie? Toch niet van mezelf?” En ook niet van het lesgeven, want aan het conservatorium van Amsterdam gaat ze door. „Ik zie wel hoe lang het gaat. En mág, vanuit huis.”
Dat haar energie voor een 80-jarige opmerkelijk is, wuift ze ook liever weg. Oké, ze bezoekt voorstellingen en concerten, en de zondagse eet- en filmclub met vriendinnen Connie Palmen, Olga Zuiderhoek, Hansje Quartel en Els Timmerman is elke week weer „heel erg leuk”. „Maar ik zit ook veel beneden in de keuken thee te drinken, hoor.”
’s Avonds is ze moe, de volgende dag wacht er weer een leerling. Of drie. „Wat zou ik meer verlangen? Leven in het verleden of heel erg bezig zijn met de toekomst ligt niet in mijn aard, denk ik. Er komt altijd wel wat op je pad.”
Viool als levenswerk – Op 1 juni wordt Vera Beths 80. Het Conservatorium Den Haag zwaait haar uit met een middag met optredens van oud-leerlingen en een nieuw werk van Martijn Padding. De muziekwereld van Vera Beths – een documentaire van dochter Carine Bijlsma, is op 7 juni om 19.55 uur te zien op NPO 2 Extra.
„Toen ik bij Vera kwam, had ik een Amerikaanse houding: harder, luider, sneller, beter! Vera dook direct in de aard van mijn geluid. Zij was wel streng, ik denk dat ze zelf ook zo is getraind. Het gevoel dat je écht je best moet doen, was leidend. Als Amerikaanse vond ik haar daarbij soms schokkend direct. Maar vaak lag dat aan mij: „Not good” heeft voor een Amerikaan een andere gevoelswaarde.
„Bij Vera krijgt iedereen een eigen aanpak. Ze snapt haar leerlingen extreem goed. Dit past niet bij je, dit wel. Soms had dat bijna iets magisch, maar ze kijkt gewoon heel erg goed naar wat iemand uitstraalt op het podium. En wat dat is, dát moet je trouw blijven en daar steunt ze je bij. Maak eigen programma’s, sticht je eigen groepen.
„Daardoor heb ik ontzettend veel aan Vera te danken. Zíj gaf mij het eerste stuk waarin ik moest spelen en zingen, van Louis Andriessen en ooit voor haar gecomponeerd. Dat leidde me naar meer experimenten: werken met choreografen, bewegen en spelen, elektronica, soundscapes, met nóg meer componisten werken. Ook bij mijn latere experimenten met een stille ‘fluisterviool’ bleef ze met me meedenken. En als er iets niet goed gaat, is ze er ook voor je.
„Veel oud-leerlingen zijn haar vrienden, en ze weet dondersgoed hoeveel we van haar houden. Toen we voor haar verjaardag een keer samen voor haar speelden, spatte die liefde er vanaf. Zo heb je dat zelden met een leraar.”
„Na twaalf jaar aan de Juilliard School of Music in New York wilde ik wat anders. In de bieb van school vond ik de fantasievolle opname van de strijksextetten van Brahms door L’Archibudelli en ik was meteen verliefd. Dit klonk zo revolutionair anders dan de vele uitstekende maar ook eenvormige violisten die je toen had in de VS. Zo licht, vol leven! Dat wilde ik van haar leren. En dan vooral hoe ze dat aanpakt met haar rechterhand, want Vera strijkt leven in elke noot. Niet alleen in hoe je noten speelt en verbindt, maar ook binnenin de noot.
„Ze gaf mij een warm welkom, zowel logistiek als menselijk. En zo was ze ook in de lessen: op muziek heel precies, maar altijd met oprechte zorg voor de mens achter de musicus. Haar doel is vooral dat je je eigen stem en je eigen weg vindt. Studenten zoeken hun leraar kieskeurig uit. Wie kiest voor Vera, wil zelf bijzonder worden.”
„Ik was zestien toen ik bij Vera begon. We deden veel toonladders en drieklanken, alles noot voor noot gecontroleerd. Zo vormde zich een solide basis. Vervolgens verschoof de focus naar interpretatie. Naar jezelf luisteren, kritisch zijn, logisch nadenken over de muziek. Dus niet: „zo moet het”, maar: „waarom staat dit hier?”
„Na de lessen trof ik Anner Bijlsma in de keuken aan de koffie. Die meester‑gezelachtige sfeer had voor mij grote meerwaarde. En hoewel we elkaar nu minder vaak zien, blijft de band. Vera komt deze zomer naar mijn bruiloft. Ik ben gevormd door waar zij voor staat: een diep respect voor de partituur en het vermijden van ego in de interpretatie.”
„Bij mijn eerste les van Vera was ik twaalf, zij had net een nieuwe puppy. Die plaste in haar muziekkamer op het tapijt. Het is maar een triviale gebeurtenis, maar het is me altijd bijgebleven doordat ik die les meteen voelde dat ze een heel belangrijk persoon voor mij zou worden.
„Als kind speelde ik intuïtief, Vera maakte me bewust van hóé ik speelde: stokhouding, vioolhouding. Met de techniekoefeningen die ze opgaf, begin ik nog steeds vaak mijn dag. Dan denk ik aan haar, en hoe ze zei dat die oefeningen routine moesten worden. Als thee en tandenpoetsen.
„Op termijn zou ik graag eigen leerlingen hebben, naast mijn concertpraktijk. Wat ik dan van Vera overneem is de mix van keihard werken en warme betrokkenheid. Juist door die balans kwam ik altijd gemotiveerd uit de les, om met oprechte zin weer verder te gaan studeren.”