AI Kunstmatige intelligentie kan ook een grote impact hebben op dieren, dus het is gevaarlijk de mens centraal te stellen bij de ontwikkeling ervan, schrijft Eline de Jong.
Een boerderij met melkkoeien in Noord-Groningen.
De kranten staan er bol van: de impact van kunstmatige intelligentie op de samenleving. Zo ook NRC. Van zelfrijdende auto’s die brokken maken in het verkeer, van AI-systemen die naaktbeelden genereren van echte mensen, van de onheilspellende AI-hacker Mythos, van transformatie van de rechtspraak en fertiliteitstrajecten, van de globale AI-race, en van ons afkalvende vertrouwen in onze eigen intelligentie. AI beukt van alle kanten in op de samenleving. Een heel leger aan beleidsmakers, adviseurs, en promovendi houdt zich bezig met de ethische vragen die dat met zich meebrengt. Nog nooit was er zoveel aandacht voor ethiek rondom technologie als nu met AI. En terecht.
Eline de Jong is promovendus in de filosofie en ethiek van nieuwe technologie aan de Universiteit van Amsterdam
Het probleem is dat die aandacht voor de ethische vragen zich vrijwel exclusief richt op de gevolgen voor mensen. En vooruit, soms het klimaat – als het gaat over de gevolgen voor óns. Maar mensen zijn niet de enigen wier levens beïnvloed worden door AI. Ook voor dieren heeft deze technologie verregaande gevolgen, positief en negatief.
AI kan bijvoorbeeld worden gebruikt om trekpatronen van wilde dieren in kaart te brengen zodat daar rekening mee gehouden kan worden bij het aanleggen van infrastructuur, en om de kans op stropersactiviteiten te voorspellen en te onderscheppen. Mogelijk kunnen er met behulp van AI alternatieven voor dierproeven worden ontwikkeld en vervangt de roborat straks de labmuis.
Daartegenover staat de zelfrijdende auto die een hert of hond niet herkent als iets waarvoor het moet remmen. Ook kan AI worden gebruikt om de intensieve veeteelt nog intensiever te maken, door slachtmethodes, voedingspatronen, en zelfs de dieren zelf te optimaliseren. Bovendien wordt veel technologie eerst getest op dieren. AI-gedreven innovaties kunnen daardoor ook leiden tot méér dierproeven. Bijvoorbeeld in de medische sector, bij het testen van nieuwe medicijnen die zijn ontwikkeld met behulp van AI. Of voor militaire toepassingen, om de toxiciteit van biochemische wapens te onderzoeken en tegengif te ontwikkelen.
Het gebruik van AI beïnvloedt de levens van dieren ook indirect. Zo kan AI in de veeteelt worden gebruikt om het gedrag en de gezondheid van dieren te monitoren. Dit kan afstand creëren tussen boer en dier, waardoor deze laatste nóg verder opschuift van levend wezen naar controleerbare productie-eenheid. Het is nog maar de vraag of het kwantificeren van dierenwelzijn en het automatiseren van zorg het dier ten goede komt. Als nagenoeg al het contact met veedieren wordt gemedieerd door een scherm of robot, wie ziet hen dan nog voor wat ze zijn: individuele, levende wezens.
Ook weten we inmiddels dat AI structurele vormen van bias reproduceert. Dat treft niet alleen mensen. Taalmodellen als ChatGPT reproduceren denkbeelden waarin dieren een middel ter gebruik zijn en waarin de mens uniek en superieur is binnen het dierenrijk. Vraag aan ChatGPT om een recept met pasta en pesto, en grote kans dat-ie daar zalm of kip bij aanbeveelt. Onze geschiedenis is carnivoor en dus onze toekomst waarschijnlijk ook, volgens AI. Naast bias ten aanzien van vrouwen of mensen van kleur, versterkt AI dus ook een sterke bias ten aanzien van dieren (speciesist bias).
Deze gevolgen doen ertoe. Dieren maken immers deel uit van onze morele cirkel: het zijn wezens waarvan we vinden dat ze ertoe doen en een bepaalde mate van bescherming verdienen. Voor zover zij negatieve (pijn, stress, verdriet) en positieve (plezier, comfort, voldoening) toestanden kunnen ervaren, hebben wij de morele plicht rekening te houden met hun belangen – op zijn minst het belang om pijn te vermijden. Dat is geen radicaal standpunt, maar een zienswijze die is verankerd in zowel Europese wetgeving als de Nederlandse Wet dieren.
Toch is het breed gedragen antwoord op de uitdagingen waar AI ons voor stelt dat zij vooral ‘mensgericht’ moet zijn. De mens moet centraal staan in de ontwikkeling en toepassing van AI. Dit idee vormt het ethische oriëntatiepunt van de Europese AI-wetgeving. Technologie in dienst van de mens, dát is verantwoorde innovatie. Mensgerichte AI als synoniem voor góéde AI.
Maar mensgerichte AI is nauwelijks verantwoord te noemen als we bedenken dat de impact van AI veel verder reikt dan onze menselijke samenleving. En zijn veel van onze problemen niet juist ontstaan door het centraal stellen van de mens? Om nog maar te zwijgen over het dierenleed dat zulk antropocentrisme heeft veroorzaakt. Nee, laten we deze technologie met morele ambitie tegemoet treden en erkennen dat AI niet alleen ons maar ook de rest van dieren kan schaden én helpen.