Sonny Rollins, tenorsaxofonist (1930-2026) Met de dood van de Amerikaanse tenorsaxofonist Sonny Rollins (95) verliest de jazz de laatste echt grote reus van een legendarische generatie. Op zijn tenorsax had hij een monumentale toon. Hij was een charismatische speler én rastobber die altijd twijfels hield over zijn spel.
Sonny Rollins op North Sea Jazz in 2010.
De Amerikaanse tenorsaxofonist Sonny Rollins maakte meesterlijke platen, maar kon ook ravijndiep tobben. Drie keer verdween hij om zijn leven weer op de rails te krijgen, de jazzgemeenschap in verwondering achterlatend. Een van die periodes leverde een van de meest legendarische voorstellingen in de jazz op: Rollins die hoog op de Williamsburg Bridge in New York, boven de East River, nachtenlang saxofoon speelde. Terwijl Manhattan beneden schitterde en het verkeer onder hem door denderde, blies hij zijn noten de koude lucht in. Niet voor applaus, maar alleen met zijn instrument — op zoek naar verdieping, concentratie en een bijna spirituele verbinding met zijn spel. Twee jaar trad hij niet op. Het leidde tot zijn comeback met The Bridge uit 1962.
Sonny Rollins, een van de grootste improvisatoren en meest invloedrijke stemmen uit de moderne jazz, is overleden. Hij werd 95 jaar. De ‘Saxophone Colossus’ – deze bijnaam kreeg hij na het gelijknamige album uit 1956 – overleed thuis in Woodstock. „Tomorrow I’ll play better”, plachtte hij te zeggen. Voor de grootste tobber in de jazz was zijn spel nooit af, nooit voltooid, altijd voor verbetering vatbaar. De bittere werkelijkheid was dat hij door longfibrose al lang niet meer in staat tot saxofoonspelen was.
Met de dood van Sonny Rollins verliest de jazz de laatste echt grote reus van een legendarische generatie. Op zijn tenor had hij een monumentale toon. Met zijn spel en imposante oeuvre heeft hij het idioom blijvend veranderd. Meer dan zeventig jaar lang was Rollins een maatstaf voor generaties saxofonisten – zijn invloed op de jazzsaxofoon, in het bijzonder tenorspel, is nauwelijks te overschatten. Iedereen had zich tot hem te verhouden.
Wie Rollins zag spelen was direct onder de indruk: een charismatische, vorstelijke verschijning; lang, elegant gekleed, met donkere zonnebril en grijze ringbaard, witte wilde haardos, statig en beheerst. Zijn laatste optredens in Nederland waren in 2010. Nog vóór hij een noot had gespeeld kreeg hij op North Sea Jazz al een ovatie alsof het concert al voorbij was. Een spontaan Happy Birthday klonk voor zijn naderende tachtigste. Maar het muzikale verhaal dat hij toen deelde met het publiek was ongelofelijk en had nog maar weinig met ouderdom te maken: zonder remmingen, en vaak met een gebalde vuist een grommend, fantasievol betoog in lange halen. Later dat jaar speelde hij ook het Concertgebouw plat.
Als improvisator verlegde hij de grenzen van melodie, timing en vorm. Als solist maakte hij van improvisatie een kunst van denken in het moment: grillig, speels, ritmisch scherp en onvoorspelbaar.
Theodore Walter Rollins werd in 1930 geboren in Harlem, als jongste zoon van ouders afkomstig van de Amerikaanse Maagdeneilanden. Hij groeide op in een New York waar jazz overal klonk. Al vroeg raakte hij in de ban van Coleman Hawkins. Hawkins’ opname van ‘Body and Soul’ bracht hem ertoe saxofonist te worden.
Rollins leerde grotendeels zichzelf spelen. Hij luisterde obsessief naar Hawkins, Lester Young en Ben Webster en ontwikkelde op eigen kracht een stijl waarin traditie en vernieuwing samenkwamen. „Luisteren naar die grote jongens was de beste training voor mijn oren”, zei hij eens tegen NRC. Rollins nam de tijd voor lange telefoongesprekken en was goed benaderbaar. „Urenlang oefende ik. Ik kon simpelweg niet stoppen. Wat het ook was, ik wilde het beheersen.”
Dat streven bracht de saxofonist al jong in het centrum van de jazzgeschiedenis. Op zijn negentiende nam hij op met Bud Powell. Daarna volgden samenwerkingen met Miles Davis, Thelonious Monk, Max Roach, Clifford Brown en John Coltrane. Rollins bewoog zich moeiteloos tussen bebop, hardbop, vrije improvisatie en later ook funk, r&b en Caribische invloeden.
Sonny Rollins in het Concertgebouw, 2006.
Zijn belangrijkste opnames verschenen in een ongekend tempo in de jaren vijftig. Saxophone Colossus (1956), met daarop zijn calypso ‘St. Thomas’, geldt als een hoeksteen van de moderne jazz. Way Out West (1957), opgenomen in trio zonder piano, liet horen hoe melodisch zelfstandig Rollins kon opereren. Zijn Freedom Suite (1958) was niet alleen muzikaal avontuurlijk, maar ook politiek uitgesproken — een vroeg statement tegen raciale ongelijkheid in Amerika.
Daarmee liep Rollins niet alleen muzikaal voorop, maar ook maatschappelijk. Gedurende de jaren zestig werd zijn muziek vrijer, intuïtiever en grilliger.
Maar achter die imposante klank schuilde altijd twijfel, onrust en zelfonderzoek. Rollins was een rastobber en perfectionist. Hij kopieerde ook de slechte gewoontes van zijn voorbeelden. In de jaren vijftig kampte hij met een zware heroïneverslaving en belandde vanwege een overval in de gevangenis op Rikers Island.
Toch bleef hij in beeld als muzikant. Zijn reputatie als vernieuwer groeide. Hij maakte platen met pianisten Bud Powell en Thelonious Monk en was heel kort lid van het Miles Davis kwintet. Met Miles nam Rollins onder meer zijn jazzklassiekers ‘Oleo’, ‘Airegin’ en ‘Doxy’ op. Toen hij midden jaren vijftig van de drugs wist af te kicken, speelde hij een tijd bij het Clifford Brown-Max Roach kwintet. Daarna zou hij alleen nog als leider te horen zijn.
Sonny Rollins in Williamsburg, New York.
Op het hoogtepunt van zijn roem trok hij zich in 1959 terug uit het openbare jazzleven. De druk van publiek en kritiek werd hem te groot, zijn artistieke twijfel evenzeer. Hij oefende in afzondering op de Williamsburg Bridge. Meerdere sabbaticals zouden volgen, telkens ingegeven door dezelfde drijfveer: stilstand voorkomen.
„Ik had tijd nodig om mijn leven weer op de rails te zetten. Mijn lichaam en ziel kwamen tekort”, vertelde hij daarover. „Er zijn in mijn leven genoeg momenten geweest dat ik niet wist hoe ik verder moest. Op die momenten koos ik ervoor om me terug te trekken. Dat voelde frustrerend, maar ik kon niet anders.”
Die drang tot zelfcorrectie maakte hem uitzonderlijk en soms ongrijpbaar. Op de vraag of hij in 2006 tevreden was over zijn toen nieuwste album Sonny, Please, antwoordde hij ook direct: „Dat ben ik nooit. Dit album laat zien waar ik nu ben, maar mijn spel kan altijd beter.”
Dat perfectionisme voedde juist zijn kracht als improvisator. Op het podium bleef Rollins risico nemen. Zijn solo’s konden uitgroeien tot lange vertellingen waarin melodieën werden ontleed en opnieuw opgebouwd. Hij citeerde zonder schroom uit standards, volksmuziek, calypso, Broadway, klassiek en zijn eigen composities. Soms geestig, soms scherp, soms vol branie — altijd met een enorme innerlijke logica.
Zijn Caribische achtergrond bleef daarin hoorbaar. De calypso, met ‘St. Thomas’ als bekendste voorbeeld, bleef door zijn hele oeuvre lopen. Hij bleef die muziek ook op latere leeftijd spelen en veranderen. „Dat is het mooie van jazz: groei.” Oude opnames hoorde hij liever niet terug. „Ik wil spelen wat ik nú in mijn hoofd hoor. Mijn werk van vroeger is passé.”
Sonny Rollins halverwege de jaren 50.
Na het overlijden van zijn vrouw Lucille, jarenlang zijn manager en vertrouweling, leefde Rollins teruggetrokken op hun boerderij in Germantown. Hij bleef daar componeren en muziek noteren. „I’m consumed with music 24 hours a day,” zei hij. In 2013 verhuisde hij naar een meer aangepaste woning zonder trappen in Woodstock.
Het was het telefoontje dat je vreest als festivalorganisatie: de grote jazzlegende zei zijn optreden af. In 2013 zou hij weer optreden op North Sea Jazz. Ook andere Europese concerten werden gecanceld. „I’m still not in condition to perform”, schreef hij op zijn website.
Zich bij zijn longziekte neerleggen deed Rollins niet. Liever presenteerde hij zich als musicus met een soort sabbatical. Tot het einde hield hij zorgvuldig de regie over zijn eigen verhaal. Passages over zijn longproblemen – de aandoening was ontstaan door de stofwolken na het instorten van het World Trade Center vlak bij zijn woning in Manhattan – en de behandeling ervan liet hij in 2014 verwijderen uit de Nederlandse jazzdocumentaire over hem: Morgen Speel Ik Beter.
Als een van de grootste tenorsaxofonisten uit de jazzgeschiedenis ontving hij talloze onderscheidingen, waaronder meerdere Grammy Awards en de National Medal of Arts (2010). In 2007 werd Rollins ook onderscheiden met de Zweedse Polar Music Prize (de muzikale evenknie van de Nobelprijs).
Maar zelf bleef hij zich vooral ‘student’ voelen. Altijd zoekend, altijd een achterstand voelend omdat hij geen muzikale opleiding had genoten. Aan het einde van het interview met NRC zei hij: „Ik hoop dat ik nog genoeg tijd heb om te spelen wat ik eigenlijk zou willen spelen: het perfecte album. Soms hoor ik hem weleens in mijn hoofd.”