Home

Schelden, een gekke trui of een spontane grap: linkse leiders moeten minder gladgestreken zijn

Politiek Links wordt geregeerd door angst, ziet Toine Donk. De vrees om niets verkeerds te zeggen of te doen. Intussen gaan op rechts allerlei paradijsvogels er met de stemmen vandoor. Daar kunnen Nederlandse progressieven wat van leren.

De New Yorkse burgemeester Zohran Mamdani.

Een gospelkoor bij de presentatie, mooie linnen tasjes en vanzelfsprekend verdeelde reacties over de naam: in maart werd Progressief Nederland geboren. Een nieuwe linkse hoop en die is hard nodig. Toch, als ik denk aan de linkse weg omhoog, denk ik niet aan een nieuwe naam of aan het Linkse Verhaal waartoe altijd weer wordt opgeroepen.

Toine Donk is schrijver en mede-oprichter van uitgeverij Das Mag.

Ik denk aan erectiepillen.

De setting is de podcast The Adam Friedland Show en de gast is de net verkozen burgemeester van New York, Zohran Mamdani. Voor het gesprek, in november vorig jaar, kijkt presentator Friedland in de camera en zegt: „Ik onderbreek het gesprek met de burgemeester even om jullie te vertellen over Ro Sparks. Voor je erectie.”

Wat volgt is een minutenlange reclame over hoe de Ro Sparks-erectiepillen werken – slogan: get hard, fast. Intussen merkt Friedland op: „De burgemeester zit toe te kijken.”

Mamdani’s pr-team grijpt niet in – alsof dit de normaalste gang van zaken is voor een (toen) aankomend burgemeester. Zo ook bij de rest van het rommelige en eigenaardige gesprek. Van Mamdani’s kant geen keurige Amerika-liefde of een boodschap van fatsoen (Samen vooruit!). In plaats daarvan: grappen over haartransplantaties in Turkije, over wietsnoepjes en over Mamdani’s obsessie met Arsenal, de Engelse voetbalclub waar in de VS precies niemand om maalt. Met resultaat: het interview zal miljoenen keren worden gestreamd.

Het is communicatieve chaos. En het zegt alles over wat er de afgelopen tien jaar is veranderd in politiek.

Betuttelende empathie

Mamdani is namelijk geen uitzondering. Hij past in een patroon dat het politieke landschap heeft overgenomen: leiders met een persoonlijkheid die niet is gladgestreken door een strakke mediatraining. Rommelige leiders. Zij spreken ons aan, en waarom is duidelijk: hun rommeligheid is een tegenreactie op de politicus zoals we die al zo lang kennen. Eentje die klinkt als een helpdeskmedewerker.

Zulke politici zijn altijd keurig: ‘Supervervelend voor u.’ Maar je voelt dat het script is. Hun empathie is betuttelend, hun kleding is afgestemd met hun adviseurs. Zo is de politiek de afgelopen decennia gaan aanvoelen: doen alsof.

Doen alsof je ‘gewoon’ bent gebleven. Doen alsof je nooit wat fout hebt gedaan. Doen alsof je in de partij allemaal door één deur kan. Doen alsof je niet ijdel bent. Doen alsof je gelooft dat een taskforce iets zal oplossen. Doen alsof je alleen maar geeft om de stemmer. Doen alsof je verontwaardiging niet ingestudeerd is.

Daarom is er als reactie een vorm van leiderschap opgekomen die draait om het loslaten van perfectie. Die ongevoelig is voor politieke mores. Geen pr-praatjes. Ongegeneerd. Zulke leiders spreken rommelig, veranderen van mening en durven live te improviseren. Ze schuilen niet achter werkgroepen en rapporten, maar hebben instinct.

Hier wordt het belangrijk voor linkse partijen in Nederland, zoals Progressief Nederland. Want wat opvalt: rommelige leiders heb je nauwelijks op links, maar haast uitsluitend op rechts. Milei met zijn potsierlijke kettingzaag. Wilders met zijn vreemde kapsel. Trump met zijn oeverloze, onsamenhangende geratel. Boris Johnson met zijn citaten van Ovidius en het klungelig bungelen aan een tokkelbaan. En vooruit, een linkse uitzondering: Bernie Sanders met zijn aanstekelijke nukkigheid en zijn dikke, gebreide wanten.

Waar de klassieke leider vertrouwen probeerde te winnen door perfect te lijken, wint de rommelige leider juist door zichtbaar mens te zijn. De politiek is zo stijf en gescript geworden, dat alleen een ongegeneerde stem nog voelt als een eerlijke. Dat bijna alle voorbeelden van rechts komen, zegt veel. Op links blijft het doen-alsof overheersen – van individuele politici tot partijcultuur.

De oorzaak? Angst. Links wordt geregeerd door bangheid. Een verkramping die bestaat uit: doe niks verkeerds, zeg niks verkeerds. Linkse communicatie draait om: is het wel verantwoord, is het wel inclusief? Elk standpunt moet onberispelijk zijn, vooraf getoetst aan alle mogelijke bezwaren, afgestemd met iedereen die er iets van zou kunnen vinden. Spontaniteit is risico. Directheid is gevaar. Charisma – dat ongrijpbare, rommelige, menselijke – wordt gewantrouwd als oppervlakkig. Links vlucht naar veiligheid: naar omslachtige formuleringen, naar eindeloze coördinatie, naar commissies en rapporten. Wie toch een fout maakt, wordt binnen de eigen gelederen vaak harder afgestraft dan door welke tegenstander dan ook.

Hoe komt dat? Of politici bang zijn of durf tonen, hangt grotendeels af van hun omgeving. Daarom is het voor linkse partijen belangrijk om de vraag te stellen: welke cultuur moedig je aan binnen je beweging? Eentje van angst of eentje van lef?

Rechts heeft een omgeving gebouwd waar risico juist beloond wordt. In kroegen. In podcasts. In online gemeenschappen. Ruimtes waar rommelige leiders ontstaan – niet uit brainstormsessies met communicatiestrategen, maar uit de vrijheid om te laten zien wie je bent.

Links ontbeert zo’n ecosysteem. Links organiseert overleg. Afstemming, geen experiment. Wie in zo’n omgeving opgroeit, leert zichzelf kleiner te maken dan-ie eigenlijk is. Zo krijg je politici die zich gedragen alsof ze door een compliance-afdeling zijn geprogrammeerd. En daar prikt de kiezer doorheen.

Links zal zijn angst moeten loslaten. Zo’n cultuur van durf kun je niet afdwingen. Je kunt haar niet doordrukken met beleidsnota’s of adviescommissies. Je kunt haar alleen aanmoedigen door een omgeving te creëren waar het anders mag. Een cultuur waar de reflex niet is: kan dit kwaad?, maar zou dit kunnen werken?

Biefstuksocialisten

Nu er met Progressief Nederland een nieuwe brede linkse partij is ontstaan, is dat belangrijk. Juist een fusiepartij kan het zich niet veroorloven elk verschil glad te strijken. Hoe breder een partij, hoe meer er op rafels moet worden gerekend: de biefstuksocialisten die zich niet herkennen in het klimaatactivisme, de rebelse activisten die zich niet herkennen in de compromispolitiek. Dit vraagstuk raakt de hele linkse beweging. Deze tijd vraagt erom te leren leven met de rafelranden van je eigen beweging.

Kijk nog eens naar Mamdani. Hij kreeg kritiek op zijn optreden bij Hasan Piker, een populaire streamer die ooit zei dat Amerika 9/11 had verdiend. Mamdani weigerde hem te verketteren. Ja, Pikers uitspraken waren ‘verwerpelijk’ – maar Mamdani legde uit waarom hij toch ging: „Een deel van de reden waarom Democraten een permanente minderheid zijn geworden, is dat we alleen willen praten met journalisten, streamers en Amerikanen met wie we het eens zijn over Elk. Afzonderlijk. Punt.”

Zulke momenten laten mij zien waar de kracht ligt van rommelige politiek. Het maakt ruimte. Voor een collectief dat niet alleen vurig is, maar ook warm en open. Voor twijfel, voor leren, voor koerswijziging en een gezonde discussie.

Ik zie rommeligheid traditioneel als een linkse eigenschap. Jan Schaefer met zijn „in gelul kan je niet wonen”. De Amsterdamse Kabouterbeweging die in 1970 hun eigen staat uitriepen. Eberhard van der Laan die een boze Amsterdammer niet suste met een ingestudeerd ‘ik begrijp uw zorgen’ maar terugbeet met humor, eerlijkheid en standvastigheid: „Ach flikker op, ik woon in De Baarsjes, waar woon jij? Ouwehoer!”

Rommeligheid is altijd de taal geweest van linkse mensen. Laten we die traditie heroveren.

Politiek Den Haag

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next